Uitspraak van de week; failliete ontwikkelaar & bestemmingsplan geen geslaagd huwelijk

05 jun 2015

Op 1 juli 2015 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het bestemmingsplantraject waarbij de ontwikkelaar ophoudt te bestaan (zie Uitspraak).

Waar gaat het om?

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad tot vaststelling van een bestemmingsplan voor het in de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, in zaak nr. 201101181/1/R3 vernietigde plandeel van het bestemmingsplan (zie Uitspraak).

Bij besluit van 9 september 2014 heeft de raad van Boxtel besloten het bestemmingsplan "Moorwijk" niet vast te stellen.

De gemeenteraad voert als verweer aan dat de indieners van het beroepschrift geen belanghebbenden zijn. Appellante A is de ontwikkelaar en bestond niet meer ten tijde van het instellen van beroep en is daarom volgens de raad geen belanghebbende. De overige partijen hebben geen aanvraag gedaan om een bestemmingsplan vast te stellen, zodat hun rechtspositie niet is veranderd door het bestreden besluit. Om die reden zijn zij evenmin belanghebbenden, aldus de raad.

Wat zegt de rechter?

Zoals de Afdeling in de uitspraak van 9 juli 2014, in zaak nr. 201307813/1/A1 (zie Uitspraak), heeft overwogen is in een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 28 januari 2014 opgenomen dat appellante A op 2 oktober 2013 door een beschikking van de Kamer van Koophandel, als bedoeld in artikel 2:19 van het Burgerlijk Wetboek, is ontbonden en dat op dezelfde datum de registratie in het handelsregister is beëindigd in verband met het einde van de liquidatie van het vermogen van appellante A. De Afdeling heeft overwogen dat appellante A op 2 oktober 2013 na vereffening van haar vermogen op dezelfde datum is opgehouden te bestaan.

In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de vereffening van appellante A op 17 maart 2015, en derhalve na het instellen van het beroep, door de rechtbank is heropend. De conclusie is dat appellante A ten tijde van het instellen van het beroep niet meer bestond en dat zij derhalve geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Ten van andere appellanten overweegt de Afdeling het volgende. Op 19 juli 2004 heeft de gemeente Boxtel een mediationovereenkomst gesloten met appellante A, waarin een inspanningsverplichting is opgenomen voor het college van burgemeester en wethouders om een bestemmingsplanwijziging voor te bereiden voor de bouw van twee appartementsgebouwen met in totaal 24 appartementen aan de noordoostzijde van het gebied Moorwijk. Verder is hierin een nader onderzoek aangekondigd naar de stedenbouwkundige invulling van andere woningbouwlocaties in Moorwijk. Ter uitvoering van deze mediationovereenkomst is een ontwerpbestemmingsplan opgesteld en ter inzage gelegd. De raad heeft bij het bestreden besluit geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen.

Appellanten stellen dat de rechten uit de mediationovereenkomst bij overeenkomst uit 2008 aan hen bij overeenkomst zijn overgedragen. Een aantal van hen is voorts eigenaar van gronden in het plangebied. Gelet hierop acht de Afdeling het aannemelijk dat een objectief en persoonlijk belang van voormelde personen rechtstreeks door het besluit wordt geraakt. Zij zijn daarom belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Ten aanzien van hen volgt een inhoudelijke beoordeling door de Afdeling.

Met het ontwerpbestemmingsplan werd beoogd te voorzien in de ontwikkeling van appartementen en vrijstaande woningen. Appellanten voeren aan dat de raad in het bestreden besluit ten onrechte stelt dat het plan als gevolg van de ontbinding van appellante A niet langer uitvoerbaar is. Daartoe voeren zij aan dat de vereffening van appellante A op 17 maart 2015 door de rechtbank is heropend, zodat zij niet is opgehouden te bestaan. Voorts liggen de bouwplannen en bouwaanvragen voor de voorziene appartementen en woningen er al jaren en ook zijn de benodigde onderzoeken reeds verricht.

De raad stelt zich op het standpunt dat nu appellante A is opgehouden te bestaan niet aannemelijk is dat het plan binnen de planperiode zal worden uitgevoerd. Daarom heeft de raad besloten dit plan niet vast te stellen.

Volgens de raad kan in het geval van heropening van de vereffening van zelfstandige bedrijfsactiviteiten, zoals de ontwikkeling van het plangebied, geen sprake zijn. Ten tijde van het bestreden besluit was bij de gemeente geen andere concrete projectontwikkelaar of realiserende partij bekend. Verder is een nieuwe eigenaar volgens de raad niet gebonden aan de afspraken zoals die zijn gemaakt door de gemeente en appellante A in de mediationovereenkomst uit 2004. Volgens de raad zijn de rechten en verplichtingen uit die overeenkomst bij de verkoop van de gronden niet mee overgedragen. Voorts heeft volgens de raad ook anderszins geen overdracht van de rechten en verplichtingen uit de overeenkomst plaatsgevonden. Pas na het bestreden besluit heeft deze appellant zich tot de gemeente gewend met het verzoek om de gronden in het plangebied te mogen ontwikkelen. Ten tijde van het bestreden besluit was hij niet in beeld, aldus de raad.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nu appellante A ten tijde van het bestreden besluit was opgehouden te bestaan, de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode op dat moment niet aannemelijk was. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ten tijde van het bestreden besluit bij de gemeente geen concrete andere ontwikkelaar bekend was, zodat de raad geen enkel zicht had op nakoming van de overeenkomst van de zijde van de initiatiefnemer en daarmee de uitvoerbaarheid van het plan.

De stelling van appellanten anderen in dit verband, dat voor de raad ten tijde van het besluit duidelijk was dat een appellant financieel garant zou staan voor de uitvoering van het plan, volgt de Afdeling niet. De enkele omstandigheid dat deze appellant voor het bestreden besluit eigenaar is geworden van een deel van de gronden is hiervoor onvoldoende. Appellanten hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij aan de gemeente kenbaar hebben gemaakt dat appellant het plan zou gaan uitvoeren en de daarmee verbonden en overeengekomen verplichtingen zou overnemen. De enkele verwijzing van appellanten anderen naar de naam van appellant in brieven aan de gemeente en zijn reputatie is hiervoor onvoldoende.

De Afdeling acht voorts van belang dat het college van burgemeester en wethouders diens voorstel aan de raad om het plan niet vast te stellen reeds op 29 juli 2014 aan appellanten kenbaar heeft gemaakt, zodat zij voldoende gelegenheid hebben gekregen om hun plannen kenbaar te maken en de raad te overtuigen dat de uitvoerbaarheid van het plan niet in geding zou zijn. Uit hun reactie op dit voorstel als verwoord in een brief van 20 augustus 2014 blijkt geenszins dat de betreffende appellant de uitvoering van het plan zal financieren dan wel daarvoor garant zou staan.

De raad heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen besluiten het plan niet vast te stellen.

Conclusie

In deze casus is er één ontwikkelaar en deze houdt op te bestaan. Daardoor is niet gegarandeerd dat de bouwplannen in het bestemmingsplan uitgevoerd worden, zodat het bestemmingsplan schipbreuk lijdt.

Anderen hebben daarna te weinig actie ondernomen om de Afdeling op andere gedachten te kunnen brengen. Daardoor is de Afdeling onverbiddelijk: het bestemmingsplan is terecht niet vastgesteld en is er dus geen bouwtitel voor alle bouwplannen.

BG.legal