Blog

UPC CoA scherpt regels voor bevoegdheidsverweren aan

UPC CoA scherpt regels voor bevoegdheidsverweren aan
Gepubliceerd 31 mrt. 2026
UPC CoA scherpt regels voor bevoegdheidsverweren aan
Relevante aandachtsgebieden
Relevante expertises

Het arrest van het UPC Court of Appeal van 30 maart 2026 in Abbott v Sinocare / Menarini is een belangrijke beslissing voor de octrooipraktijk, niet alleen vanwege de behandeling van CGM-sensortechnologie, maar vooral vanwege de processuele discipline die het Hof aanbrengt in hoger beroep tegen voorlopige voorzieningen bij het UPC.

De zaak vloeit voort uit Abbott’s unitair octrooi EP 4 344 633, gericht op een modulair glucosemonitoringsysteem bestaande uit een voorgeassembleerde sensorassemblage en een afzonderlijk on-body apparaat. Hoewel de technische discussies over geldigheid en inbreuk omvangrijk waren, ligt de blijvende betekenis van het arrest in drie processuele punten.

Ten eerste moeten bevoegdheidsverweren in eerste aanleg worden gevoerd, anders gaan zij in beginsel in hoger beroep verloren. Ten tweede kan een niet-EU fabrikant onder de bevoegdheid van het UPC vallen wanneer zij de verweten producten specifiek vervaardigt en voorbereidt voor de UPCA-markt. Ten derde vereisen klachten over processuele fouten in hoger beroep een duidelijke onderbouwing dat de gestelde fout daadwerkelijk invloed heeft gehad op de uitkomst.

Voor procespartijen gaat deze uitspraak daarom evenzeer over appelstrategie en bevoegdheidsverweren als over de uitleg van conclusies in medtech-zaken.

Procedurele achtergrond en technische context

Abbott verzocht om voorlopige maatregelen tegen Sinocare en Menarini op basis van conclusies 1 en 15 van EP 4 344 633. Het octrooi ziet op een sensorassemblage bestaande uit een sensor, een naald, een drager en een afdichting met elektrische contacten, ontworpen als een afzonderlijke voorgeassembleerde eenheid die in een on-body elektronisch apparaat wordt geplaatst.

De lokale divisie Den Haag verleende in oktober 2025 bij wijze van voorlopige voorziening een UPC-breed verbod. De verweerders stelden hoger beroep in op grond van bevoegdheid, geldigheid, inbreuk, spoedeisendheid en proportionaliteit. Het Court of Appeal verwierp het beroep volledig.

Bevoegdheidsverweren moeten in eerste aanleg worden veiliggesteld

Een belangrijk processueel punt ontstond door Menarini’s poging om in hoger beroep alsnog de bevoegdheid aan te vechten.

Omdat Menarini in eerste aanleg de bevoegdheid en competentie van de lokale divisie Den Haag niet had betwist, oordeelde het Hof dat zij dit verweer in beginsel had prijsgegeven, onder uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 26(1) Brussel I-bis en Rule 19.7 RoP.

De les is duidelijk: bevoegdheids- en competentieverweren moeten uitdrukkelijk en per verweerder in de eerste processuele ronde worden aangevoerd. Het Hof maakt duidelijk dat hoger beroep geen gelegenheid is om niet eerder gevoerde competentieverweren alsnog nieuw leven in te blazen.

De bevoegdheidsreikwijdte van het UPC ten aanzien van buitenlandse upstream fabrikanten

De wijze waarop het Hof Sinocare beoordeelt, is minstens zo relevant.

Sinocare voerde aan dat zij slechts een Chinese fabrikant was. Het Hof keek daarentegen naar haar feitelijke rol bij de voorbereiding van het product voor de Europese markt, waaronder productie, CE-gerelateerde voorbereidingen, co-branding, verpakking, op de EU gerichte handleidingen en launch-materialen.

Op basis daarvan oordeelde het Hof dat het vervaardigen, voorbereiden en verkopen van vermeend inbreukmakende producten bestemd voor de verdragsluitende lidstaten een voldoende kans op schade binnen het UPC-grondgebied creëert, zelfs wanneer de handelingen zelf buiten Europa plaatsvinden.

Voor octrooihouders bevestigt dit het belang van artikel 71b(2) in samenhang met artikel 7(2) Brussel I-bis tegen upstream partijen buiten de EU. Voor verdedigingsteams laat dit zien dat een positie als “slechts fabrikant” moeilijk houdbaar zal zijn wanneer het bewijs wijst op actieve marktgerichtheid richting Europa.

Processuele fouten in hoger beroep vereisen concreet nadeel

De derde belangrijke les betreft de methodiek van hoger beroep.

De verweerders klaagden over meerdere schendingen van hoor en wederhoor, waaronder bezwaren tegen het processchema in eerste aanleg. Het Hof oordeelde dat dit onvoldoende is, tenzij de appellant kan aantonen dat de gestelde processuele of materiële fout tot een onjuiste beslissing heeft geleid.

Dit zal waarschijnlijk een belangrijke praktische regel worden voor UPC-hoger beroepen. Het is niet langer voldoende om te stellen dat het tijdschema te krap was of dat bewijs verder had kunnen worden uitgewerkt. De appellant moet uitleggen wat precies is gemist en waarom dat waarschijnlijk tot een andere beoordeling van geldigheid, inbreuk of proportionaliteit had geleid.

Met name in hoger beroep tegen voorlopige voorzieningen verlangt het Hof dus duidelijk een rechtstreeks verband tussen fout en processueel nadeel.

Uitleg van conclusies: blijvende nadruk op het concept van de voorgeassembleerde eenheid

Technisch gezien legde het Hof opnieuw nadruk op de term “sensor assembly”, die volgens het Hof een duidelijk te onderscheiden voorgeassembleerde eenheid vereist, en niet slechts een tijdelijke samenvoeging van onderdelen tijdens gebruik.

Dat was doorslaggevend ten opzichte van de Dexcom-stand van de techniek, waar de verweerders probeerden de conclusie te reconstrueren uit afzonderlijke structurele elementen die slechts tijdelijk tijdens gebruik werden gecombineerd.

De motivering onderstreept opnieuw de proceswaarde van een duidelijke modulaire conclusiestructuur. Termen als assembly, kit en configured to receive kregen wezenlijk gewicht, juist omdat de beschrijving de uitvinding consequent presenteerde als afzonderlijke functionele eenheden.

Waarom dit relevant is voor de octrooipraktijk

Voor de octrooipraktijk bevat deze uitspraak duidelijke lessen.

Bevoegdheidsverweren moeten vanaf het begin worden veiliggesteld. Appelgronden gebaseerd op processuele fouten vereisen een aantoonbaar effect op de uitkomst. In grensoverschrijdende supply chains moet naar buitenlandse fabrikanten worden gekeken op basis van hun werkelijke rol in de voorbereiding van de EU-markt, en niet uitsluitend op basis van formele verkoopstructuren.

Vanuit drafting- en prosecutionperspectief bevestigt deze beslissing bovendien opnieuw de waarde van consistente structurele terminologie in modulaire uitvindingen, met name in medtech- en mechanische zaken.

Het belangrijkste is echter dat deze uitspraak laat zien dat het Court of Appeal verder bouwt aan een gedisciplineerde en technisch rigoureuze jurisprudentie voor voorlopige voorzieningen, waarin zorgvuldige processuele borging wordt beloond en hindsight-gedreven geldigheidsaanvallen weinig ruimte krijgen.

Contact met Magdaleen Jooste

Magdaleen Jooste

Magdaleen Jooste

Contact formulier