Nietigheidsverzoek octrooi strandt op procesrecht en precisie


De rechtbank Den Haag wees op 28 januari 2026 de nietigheidsvordering van Squeezely tegen EP 2 997 500 B1 af. Op inhoudelijk niveau overleefde het octrooi zowel de technische-karaktertoets als de nieuwheids- en inventiviteitsaanvallen. Maar voor de praktijk van octrooihouders en hun tegenstanders is vooral hoe deze zaak is verloren minstens zo relevant als wat er inhoudelijk is beslist.
1. Praktische betekenis voor de octrooipraktijk
- Procedurele discipline is doorslaggevend
De uitspraak onderstreept dat een nietigheidsactie in Nederland geen “tweede kans” biedt om tijdens pleidooi alsnog nieuwe kaarten op tafel te leggen. Squeezely probeerde bij pleidooi alsnog US 2004/0054784 als nieuwheidschadelijke stand van de techniek in te brengen. Dat liep stuk op de goede procesorde. De rechtbank was streng: het document was bekend, maar niet tijdig als aanvalsmiddel gepositioneerd.
Voor octrooihouders is dit goed nieuws. Het bevestigt dat een strak gevoerde processtrategie bescherming biedt tegen verrassingsaanvallen. Voor eisers geldt het omgekeerde: alles wat je nodig hebt om het octrooi te raken, moet vanaf dagvaarding volledig en uitgewerkt op tafel liggen, zeker in een versnelde bodemprocedure.
- “Technisch karakter” is geen vrijbrief, maar ook geen struikelblok
De rechtbank bevestigt het inmiddels bekende COMVIK-kader: software “als zodanig” is niet octrooieerbaar, maar software in samenhang met technische middelen kan dat wel zijn: "Bestaat de uitvinding echter uit de implementatie van software in een hardwaretoepassing, dan is er wel sprake van een technisch karakter en wordt de uitvinding niet uitgezonderd van octrooieerbaarheid op grond van artikel 52 EOV." Van belang is dat Squeezely hier bleef steken in abstracte stellingen (“geen technisch effect”), zonder een uitgewerkte inventiviteitsaanval vanuit concrete prior art: "Zij heeft immers geen inventiviteitsaanval uitgaande van specifieke stand van de techniek uitgewerkt (zie hierna onder 4.45) op grond waarvan verschilkenmerken kunnen worden geïdentificeerd waarvan de technische bijdrage kan worden beoordeeld."
Voor octrooihouders betekent dit dat een octrooi op IT-architectuur met servers, databases en datastromen relatief veilig zit tegen louter principiële aanvallen op artikel 52 EOV, zolang de claims voldoende technische aanknopingspunten bevatten. De echte strijd wordt (en blijft) gevoerd op nieuwheid en inventiviteit mits goed onderbouwd.
- Claimuitleg: functies doen ertoe, ook zonder fysieke scheiding
Interessant is de uitleg van de rechtbank over de auxiliary web server (AWS) en back-end server (BES). Hoewel deze logisch en zelfs in één proces kunnen zijn geïmplementeerd, behouden zij functionele betekenis. De rechtbank weigert om de in de conclusies beschreven stappen “weg te abstraheren”.
Voor octrooihouders is dit een belangrijke bevestiging: functionele claimstructuren in software-octrooien worden serieus genomen, ook als de implementatie flexibel is. Dat vergroot de robuustheid van dergelijke octrooien tegen zowel nietigheids- als inbreukverweren.
2. Hoe had dit anders kunnen aflopen voor Squeezely?
De rechtbank laat tussen de regels door duidelijk zien waar het misging en wat Squeezely concreet anders had moeten doen.
- Concreet bewijs van openbaar voorgebruik
De kern van de nieuwheidsaanval lag bij vermeend openbaar voorgebruik van OpenX (Revive Adserver). Squeezely toonde aan dat een bepaalde configuratie mogelijk was op basis van open-source code. Dat was onvoldoende.
Wat ontbrak?
- Een concreet, verifieerbaar voorbeeld van een derde die deze configuratie vóór de prioriteitsdatum daadwerkelijk gebruikte;
- Onderbouwd bewijs (bijv. documentatie, getuigen, logs) waaruit blijkt dat alle claimkenmerken in die toepassing waren gerealiseerd.
De les is hard maar helder: mogelijkheid is geen openbaarmaking. Zonder bewijs van daadwerkelijke toepassing faalt een beroep op openbare toepassing.
- Strakkere mapping van prior art op claimkenmerken
Bij zowel US 2011/0191366 als US 2012/0072488 liep Squeezely vast op één specifiek punt: kenmerk 1.4 (ontvangen én onbewerkt doorsturen van een code request door de AWS). De rechtbank maakte duidelijk dat parsing, verwerken of genereren al te veel is.
Squeezely had hier alleen kunnen slagen door:
- óf een document te vinden waarin dit kenmerk letterlijk en ondubbelzinnig wordt geopenbaard;
- óf een subsidiaire inventiviteitsaanval uit te werken waarin juist dit kenmerk als triviale maatregel werd gepositioneerd, met een duidelijke problem-solution-benadering.
Die exercitie is niet (voldoende) gemaakt.
- Inventiviteit serieus uitwerken of laten vallen
Tot slot: het beroep op gebrek aan inventiviteit bleef steken in algemeenheden. De rechtbank passeert dit zonder pardon. Een eiser die inventiviteit aanvalt, moet:
- het dichtstbijzijnde prior art aanwijzen;
- verschilkenmerken identificeren;
- en motiveren waarom die voor de vakpersoon voor de hand lagen.
Dat is geen formaliteit, maar een minimumvereiste.
Slot
Voor octrooihouders bevestigt deze uitspraak dat zorgvuldig geformuleerde softwareclaims, gecombineerd met procesdiscipline, een sterke verdedigingspositie opleveren. Voor nietigheidseisers is de boodschap even duidelijk: zonder vroegtijdige, concrete en technisch scherpe aanvallen is een nietigheidsprocedure bij voorbaat een riskante onderneming.
Contact met Jos van der WijstJos van der Wijst
