Eerste correctie op het relativiteitsvereiste

13 jan 2017

 

In –onder meer– het bestuursrecht geldt het zogenoemde relativiteitsvereiste. Dit vereiste houdt in dat een bestuursrechter een overheidsbesluit niet mag toetsen aan een norm, als die norm kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die daarop een beroep doet.

In een eerdere uitspraak van 16 maart 2016 onder zaaknummer 201402641/1 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [verder de Afdeling] in navolging van het advies van de Advocaat-Generaal, geoordeeld dat de toepassing van het relativiteitsvereiste gecorrigeerd moet worden bij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. In die desbetreffende zaak konden de appellanten overigens geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel waardoor de Afdeling niet toe kwam aan een daadwerkelijke correctie op het relativiteitsvereiste.

Met de uitspraken van 28 december 2016 onder zaaknummers 201507699/1, 201507606/1 en 201508017/1 heeft de Afdeling echter voor het eerst een daadwerkelijke correctie op het relativiteitsvereiste toegepast.

In deze hoger beroepen had een appellant in eerste aanleg in het kader van handhavingsverzoeken zich tegenover de burgemeesters van een drietal gemeenten, beroepen op een voorschrift uit de Drank- en Horecawet. Dit voorschrift schrijft voor dat in een “inrichting” in de zin van genoemde wet, of te wel een slijterij, altijd een leidinggevende aanwezig moet zijn. Het bewuste voorschrift uit de Drank- en Horecawet is bedoeld om de volksgezondheid en openbare orde te beschermen en niet de concurrentiebelangen van de desbetreffende appellant.

Op grond van het relativiteitsvereiste zou de appellant dus geen succesvol beroep hebben kunnen doen op het bewuste voorschrift uit de Drank- en Horecawet. Echter, dit laatste wordt door de Afdeling niet aanvaard. Anders zou in strijd met het gelijkheidsbeginsel worden toegestaan dat in slijterijen in supermarkten [waar de discussie om ging] geen leidinggevende aanwezig hoeft te zijn, terwijl dat bij zelfstandige slijterijen wel is verplicht. Volgens de Afdeling is dus een correctie op het relativiteitsvereiste gerechtvaardigd en had de appellant in eerste aanleg terecht een geslaagd beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

Met voornoemde correctie op het relativiteitsvereiste die in het civiele recht al langer bestaat, kan dus ook in het bestuursrecht een partij een besluit getoetst krijgen aan een norm die niet zijn belangen beoogt te beschermen mits een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel wordt gedaan.