Blog van medewerkers

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [news-type] => blog
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [news-type] => blog
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [static] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [category_name] => 
            [tag] => 
            [cat] => 
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [paged] => 0
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 10
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [taxonomy] => news-type
            [term] => blog
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => news-type
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => blog
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => wp_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [news-type] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => blog
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => wp_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 56
            [name] => Blog van medewerkers
            [slug] => blog
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 56
            [taxonomy] => news-type
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 505
            [filter] => raw
        )

    [queried_object_id] => 56
    [request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  wp_posts.ID FROM wp_posts  LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT  JOIN wp_icl_translations wpml_translations
							ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
								AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type)  WHERE 1=1  AND ( 
  wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (56)
) AND wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft') AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR 0 ) AND wp_posts.post_type  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar' )  ) OR wp_posts.post_type  NOT  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar' )  ) GROUP BY wp_posts.ID ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC LIMIT 0, 10
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 18018
                    [post_author] => 19
                    [post_date] => 2019-08-21 09:31:11
                    [post_date_gmt] => 2019-08-21 07:31:11
                    [post_content] => De Raad van State heeft op 7 augustus jl. geoordeeld dat de kruimelgevallenregeling ook van toepassing is op het samenvoegen van panden. Er kan op grond van artikel 4, onderdeel 9, van het Bor dus een vergunning verleend worden. Dat is in de praktijk van grote betekenis. Op grond hiervan kan een uitgebreide en kostbare procedure worden voorkomen. Er geldt wel één grote beperking.
Wat was de casus
De casus was vrij eenvoudig. Nieuwezijds is eigenaar van twee naast elkaar gelegen panden aan de Westermarkt in Amsterdam. In beide panden zijn horeca op de begane grond en woningen op de verdieping aanwezig. De vorige eigenaar heeft de panden een aantal jaren geleden zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning verbouwd en samengevoegd. Die samenvoeging is aan de voorzijde niet zichtbaar. Deze samenvoeging is in strijd met het bestemmingsplan. De gemeente treedt hiertegen handhavend op. Een last onder dwangsom volgt. Nieuwezijds stelt in de handhavingsprocedure dat er een van rechtswege verleende vergunning is verleend. Wat had hij gedaan? Tegelijkertijd met de zienswijze tegen de last onder dwangsom, een vergunning aangevraagd. De gemeente stelt dat die vergunning niet van rechtswege is verleend. Waarom niet? Omdat volgens de gemeente niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. De gemeente stelde dat artikel 4 van het Bor hier niet van toepassing was. In het geval waarin de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, kan een vergunning niet van rechtswege zijn verleend.
Wat zegt de hoogste bestuursrechter?
Artikel 4, aanhef en onderdeel 9, bijlage II van het Bor staat niet in de weg aan het samenvoegen van twee panden. Er geldt wel een beperking: de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume mag niet worden vergroot. Onder bebouwde oppervlakte en het bouwvolume wordt de omvang van het gebouwde verstaan. Niet relevant is of de omvang van het gebruik naar oppervlakte of inhoud wijzigt. Vergroting van het bouwvolume heeft met andere woorden enkel betrekking op een toename van de fysieke bebouwing. In dit geval was de samenvoeging enkel een inpandige ingreep. De oppervlakte van het volume van beide panden bleef gelijk. Dat door de doorbraken toegang van het ene naar het andere pand ontstaat, leidt niet tot een ander oordeel. Het standpunt van het college dat artikel 4 niet van toepassing is omdat het gaat om apart van elkaar opgerichte gebouwen, die geen bouwkundige eenheid vormen, wordt niet gevolgd. Nu artikel 4 van bijlage II van toepassing is, is ook de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Daarmee is de vergunning dus van rechtswege verleend.
Relevantie voor de praktijk
Voor de praktijk is deze uitspraak relevant. Zolang een samenvoeging niet leidt tot een vergroting van het bouwvolume, kan via de reguliere procedure een vergunning worden verkregen. Dat is sneller en in de regel ook goedkoper. Het gaat hier om twee panden, maar voorstelbaar is dat het om meer panden gaat. Dat het gebruik naar oppervlakte of inhoud wijzigt is daarbij niet van belang. Ook hoeven de panden geen bouwkundige eenheid te vormen. Rutger Boogers           [post_title] => Samenvoegen van panden als ‘kruimelgeval’ [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => samenvoegen-van-panden-als-kruimelgeval [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-21 09:52:21 [post_modified_gmt] => 2019-08-21 07:52:21 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=18018 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 17995 [post_author] => 26 [post_date] => 2019-08-20 13:19:59 [post_date_gmt] => 2019-08-20 11:19:59 [post_content] => Het bijhouden van een goede administratie is van groot belang voor ondernemingen. De verwerking van persoonsgegevens is daarbij onvermijdelijk. Maar persoonsgegevens mogen niet voor onbeperkte duur worden bewaard. Daarvoor gelden specifieke (privacy)regels. De praktijk wijst uit dat ondernemingen vaak geen kennis hebben van de bewaartermijnen.  
Algemeen uitgangspunt
De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Nederlandse Uitvoeringswet daarvan noemen geen concrete termijnen voor het bewaren van persoonsgegevens. Wel bevat de (U)AVG een algemeen uitgangspunt. Namelijk dat persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor zij in eerste instantie worden verwerkt. Hoe lang persoonsgegevens dan precies bewaard mogen worden, moet per geval worden beoordeeld.  
Specifieke termijnen
Hoewel de (U)AVG geen concrete bewaartermijnen noemt, zijn deze er vaak wel, verdeeld in  minimum- en maximum bewaartermijnen. Deze termijnen zijn namelijk opgenomen in andere wetten. Wetten die niet per se met privacy te maken hebben, maar bijvoorbeeld met vastgoed of het arbeidsrecht. Daar kunnen wij je over informeren, bijvoorbeeld in verband met de persoonsgegevens van werknemers die zijn opgeslagen in personeelsdossiers.  
Personeelsdossier
Het meest concrete voorbeeld is het personeelsdossier. Zo mogen de gegevens van een sollicitant maximaal vier weken worden bewaard, tenzij de sollicitant toestemming heeft gegeven om de gegevens langer te bewaren. Die toestemming is vervolgens maar één jaar geldig. Na dat jaar moet opnieuw toestemming worden gevraagd. Arbeidsovereenkomsten, functionerings- en beoordelingsverslagen, gegevens over salarisverhoging en dergelijke mogen maximaal twee jaar bewaard worden. Deze termijn vangt aan na het einde van het dienstverband. Daarnaast dient de (fiscale) salarisadministratie ten minste zeven jaar te worden bewaard op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarentegen heeft een kopie van het identiteitsbewijs van de werknemer een maximale bewaartermijn van vijf jaar op grond van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Indien er voor bepaalde documenten geen wettelijke bewaartermijn geldt, dan zijn de algemene uitgangspunten van de (U)AVG van toepassing: bewaar de persoonsgegevens niet langer dan noodzakelijk is voor het doel waarvoor de gegevens worden verwerkt.
Compleet overzicht bewaartermijnen
Het voorgaande is slechts een greep uit de bewaartermijnen waar een ondernemer rekening mee moet houden. Zo gelden er ook bewaartermijnen voor persoonsgegevens van ingehuurd personeel, of personeel dat afkomstig is van buiten de Europese Economische Ruimte.
Vijf tips
Wij helpen je graag de weg te vinden in de wirwar van wettelijke bewaartermijnen en verplichtingen.  Zo hebben wij bij BG.legal een compleet overzicht van alle wettelijke bewaartermijnen, inclusief toelichting daarop. Vul onderstaand je gegevens in en ontvang dit overzicht met de vijf stappen die helpen om te kunnen vaststellen welke bewaartermijnen in de praktijk gelden. Neem bij vragen gerust contact met ons op! Anique van de Kerkhof                 Anique van de Kerkhof en Irene Vos     Vul je naam en e-mailadres in en ontvang een handig overzicht met alle wettelijke bewaartermijnen en 5 tips!   [post_title] => 5 TIPS: Wettelijke bewaartermijnen van persoonsgegevens [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => bewaartermijnen-van-persoonsgegevens [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-20 16:17:09 [post_modified_gmt] => 2019-08-20 14:17:09 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17995 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 17983 [post_author] => 38 [post_date] => 2019-08-19 09:23:31 [post_date_gmt] => 2019-08-19 07:23:31 [post_content] => We zijn al snel geneigd om te denken dat het voeren van dezelfde handelsnaam niet kan. Gebruikt organisatie A een handelsnaam? Dan kan organisatie B niet precies dezelfde naam gebruiken. Doet organisatie B dat toch, dan levert dat al snel een inbreuk op het handelsnaamrecht op. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Hoe dat kan leg ik je uit.
WOW
Als voorbeeld neem ik de recente WOW-uitspraak. Eisende partij in deze zaak is Stichting WOW. Stichting WOW heeft een woord- en beeldmerk geregistreerd bij het BBIE. inbreuk handelsnaamrecht         In deze zaak spreekt Stichting WOW gedaagde WOW Lijnbaan B.V. aan. WOW Lijnbaan gebruikt haar handelsnaam op verschillende manieren. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat zij telkens het woord “WOW” gebruikt: inbreuk handelnaamrecht             De vraag is of WOW Lijnbaan hierdoor een inbreuk maakt op het merken- en handelsnaamrecht van Stichting WOW. Omdat de naam van gedaagde (in ieder geval gedeeltelijk) hetzelfde is als die van eiser, zijn we geneigd om te denken dat er sprake is van een inbreuk. Maar de rechter vindt van niet. Hoe komt dat?
Handelsnaam
 Uitgangspunt is dat een organisatie geen handelsnaam mag voeren die op dat moment al in gebruik is. Op dit uitgangspunt zijn uitzonderingen gemaakt, maar daar ga ik nu verder niet op in. De rechter oordeelt in deze zaak dat er geen verwarring bij het relevante publiek wordt veroorzaakt. De partijen bedienen allebei een ander geografisch gebied. Stichting WOW is gevestigd in Rotterdam. WOW Lijnbaan is gevestigd in Amsterdam. Dat WOW Lijnbaan ook het plan heeft om een vestiging in Rotterdam te openen, maakt volgens de rechter niet uit.
Merkinbreuk
Is er dan wel sprake van een inbreuk op het WOW-merk? Nee. De rechter oordeelt dat het gebruik van WOW weinig onderscheidend vermogen met zich meebrengt. Het is niet erg creatief. En dus is de beschermingsomvang klein. Maar dat is niet het enige wat relevant is in deze zaak. De rechter overweegt ook dat het gebruik van de WOW-tekens door partijen niet identiek is. Er zitten verschillen in het gebruik. Bijvoorbeeld omdat WOW Lijnbaan WOW bijna altijd gebruikt in combinatie met de woorden “burgers & fries”. Ook acht de rechter het onaannemelijk dat het publiek zal denken dat de tekens van WOW lijnbaan afkomstig zijn van Stichting WOW. Dus dat partijen in deze zaak door elkaar worden gehaald. Vergissing in de afkomst van de WOW-tekens sluit de rechter uit. En dus is er ook geen merkinbreuk.
Conclusie
Hoe origineler de handelsnaam, hoe beter. Creatieve handelsnamen hebben een grotere beschermingsomvang. Toch kunnen ook niet-creatieve namen worden beschermd. Maar als er dan sprake is van een ander geografisch gebied en een ander soort gebruik van de naam, kan deze bescherming toch worden omzeild. Mocht je het leuk vinden om meer te lezen over handelsnamen, volg mij dan op LinkedIn. Hier plaats ik regelmatig korte updates over spraakmakende zaken. Anique van de Kerkhof [post_title] => Dezelfde handelsnaam maakt toch geen inbreuk. Hoe kan dat? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => dezelfde-handelsnaam-maakt-toch-geen-inbreuk-hoe-kan-dat [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-19 09:50:38 [post_modified_gmt] => 2019-08-19 07:50:38 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17983 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 17977 [post_author] => 10 [post_date] => 2019-08-15 14:40:49 [post_date_gmt] => 2019-08-15 12:40:49 [post_content] => Onder de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) die met ingang van 1 januari 2020 in werking treedt blijft, onder wat wordt genoemd het overgangsrecht, de huidige berekening van de transitievergoeding (onder de Wet Werk en Zekerheid - WWZ) van toepassing voor een aantal gevallen. Deze gevallen worden in dit artikel besproken.
Transitievergoeding WAB
De WAB brengt onder meer met zich mee dat de aanspraak op de transitievergoeding ten opzichte van de huidige wetgeving enerzijds wordt verruimd en anderzijds wordt versoberd. Verruimd omdat eenieder ongeacht lengte van het dienstverband recht heeft op een transitievergoeding.  Versoberd omdat na 10 dienstjaren geen aanspraak meer kan worden gemaakt op het huidige 1/2 maandsalaris per dienstjaar [dat wordt 1/3 maandsalaris] en de huidige tijdelijke regeling voor oudere werknemers [50 jaar of ouder] die langer dan 10 jaar in dienst zijn voorziet in 1 maandsalaris per dienstjaar, eindigt.
Overgangsrecht
De nieuwe berekening van de transitievergoeding treedt onmiddellijk in werking per 1 januari 2020. Dit zal tot gevolg hebben dat op arbeidsovereenkomsten die eindigen na 1 januari 2020 deze nieuwe berekening moet worden gehanteerd, ook in de gevallen dat al vóór 1 januari 2020 het ontslag is ingezet. Dat wordt als onwenselijk gezien en vandaar dat de wet voorziet in overgangsrecht. In de navolgende situaties moet de huidige berekening van de transitievergoeding inclusief de tijdelijke regeling voor de oudere werknemers worden toegepast ook wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt ná 1 januari 2020:
  • Het ontbindingsverzoek is bij de rechter ingediend vóór 1 januari 2020;
  • De ontslagaanvraag is bij het UWV ingediend vóór 1 januari 2020;
  • De arbeidsovereenkomst is vóór 1 januari 2020 opgezegd;
  • De arbeidsovereenkomst is ná 1 januari 2020 opgezegd maar de werknemer heeft al voor die datum schriftelijk ingestemd met de opzegging.
In de laatste situatie is wel van belang dat de werknemer gedurende veertien dagen het recht heeft om zijn instemming te herroepen. Wanneer de werknemer dit doet ná 1 januari 2020 is de arbeidsovereenkomst dus niet geëindigd. Een vervolgens door de werkgever te starten procedure valt onder de WAB ook wat betreft de berekening van de transitievergoeding.
Beëindigingsovereenkomst
Overigens, het overgangsrecht is niet van toepassing als werkgever en werknemer met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst beëindigen. Dit omdat er formeel gezien geen aanspraak op een transitievergoeding bestaat als partijen op deze wijze afscheid nemen. Partijen mogen in dat geval naar eigen inzicht een vergoeding afspreken. Uiteraard wordt daarbij toch vaak gekeken naar de transitievergoeding zodat indirect de aankomende veranderingen met betrekking tot de berekening van de transitievergoeding toch weer van belang zullen zijn bij onderhandelingen over een minnelijk ontslag.
Gebruik van het overgangsrecht
Gelet op de overgang van de WWZ naar de WAB is het als werkgever nu dus zaak om bij een beoogd ontslag goed na te denken over het moment van het in gang zetten van het ontslag en de datum waarop het ontslag moet zijn gerealiseerd. En om de financiële consequenties daarvan aan de hand van de huidige en de nieuwe berekening van de transitievergoeding inzichtelijk te maken. Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u contact opnemen met de specialisten van BG.legal [post_title] => De WAB en het overgangsrecht voor de transitievergoeding [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-wab-en-het-overgangsrecht-voor-de-transitievergoeding [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-15 14:48:34 [post_modified_gmt] => 2019-08-15 12:48:34 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17977 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 17967 [post_author] => 21 [post_date] => 2019-08-14 16:39:34 [post_date_gmt] => 2019-08-14 14:39:34 [post_content] => Een curator van een failliete stamrecht BV stelt de bestuurder aansprakelijk. De reden is dat het kapitaal van de stamrecht BV is gebruikt om te ondernemen, terwijl de stamrechtovereenkomst dit niet toestaat. Moet de bestuurder vrezen dat hij de schuldeisers uit eigen portemonnee moet terug betalen? Het Gerechtshof Den Haag kwam tot een oordeel en in dit artikel lees je het antwoord.
Ondernemen met het kapitaal van de stamrecht BV
De stamrecht BV maakte het tot 1 januari 2014 mogelijk om op een fiscaal gunstige wijze een ontslagvergoeding uitbetaald te krijgen. In plaats van een rechtstreekse betaling aan de voormalig werknemer komt de vergoeding op de bankrekening van de stamrecht BV binnen. De stamrecht BV is vervolgens verplicht om deze vergoeding periodiek uit te betalingen aan de voormalig werknemer. Veel voormalig werknemers gebruikten het geld op de rekening van de stamrecht BV om te ondernemen, zo ook meneer X. Meneer X start een onderneming, Industries Groep genaamd. De statuten van de stamrecht BV staan meneer X ook expliciet toe om deze onderneming te starten met het kapitaal van de stamrecht BV. Er is één probleem: de stamrechtovereenkomst tussen de stamrecht BV en meneer X verbiedt dat het kapitaal wordt vervreemd of als zekerheid wordt gebruikt.
Waar gaat het mis?
Voor de stamrecht BV en meneer X is er geen vuiltje aan de lucht totdat Industries Groep failliet gaat als gevolg van de economische recessie. De stamrecht BV ziet de investering in rook opgaan en kan niet meer aan haar eigen verplichtingen voldoen. Een faillissement van de stamrecht BV volgt. De curator van de stamrecht BV onderzoekt de oorzaken van het faillissement en neemt ook de stamrechtovereenkomst onder de loep.
Wat vindt de curator?
De curator meent dat meneer X het kapitaal van de stamrecht BV niet mocht gebruiken om te ondernemen. Het stamrechtkapitaal heeft een functie als spaarpot om toekomstige uitkeringen te kunnen doen. Meneer X handelde in strijd met de fiscale wetgeving, met het eigen verbod uit de stamrechtovereenkomst en met het statutaire doel van de stamrecht BV, aldus de curator. De curator stelt meneer X aansprakelijk voor de schade in het faillissement. Hof: In het algemeen mag een stamrecht BV een onderneming financieren Het hof stelt zich eerst de vraag wat het doel is van een stamrecht BV in het algemeen en komt tot kortweg de volgende formulering. Een stamrecht BV heeft het beheren en laten renderen van een ontslagvergoeding als functie. Het uiteindelijke doel is het kunnen doen van periodieke uitkeringen. Onder het laten renderen valt ook het starten van een onderneming. De ontslagvergoeding wordt dan feitelijk het startkapitaal van de te starten onderneming. Een stamrecht BV kan vervolgens ook zakelijke leningen verstrekken aan de nieuwe onderneming. Tegen deze achtergrond zal van onbehoorlijk bestuur dus niet snel sprake zijn als met het kapitaal van de stamrecht BV een onderneming wordt gestart en gefinancierd.
Moet meneer X wel vrezen voor aansprakelijkheid?
In deze casus heeft meneer X in strijd gehandeld met een verbod uit de stamrechtovereenkomst. Vindt het hof dat meneer X toch aansprakelijk is? Nee, de verbodsbepaling schuift het hof aan de kant, omdat de statuten het financieren van de onderneming juist wel toestaan. Er is dus geen norm overtreden die de stamrecht BV moest beschermen. Van interne aansprakelijkheid is dus geen sprake. Ook het beroep op de externe aansprakelijkheid wordt afgewezen. Het hof vindt het van belang dat meneer X niet wist dat zijn handelen tot benadeling van schuldeisers zou leiden. Hij wist dat hij met zijn eigen uitkering aan het investeren was en wilde dus weinig risico nemen. De economische recessie was ook voor hem onvoorzienbaar. Meneer x trekt dus aan het langste eind. Dit betekent dat hij de schuldeisers van de stamrecht BV niet uit eigen zak hoeft (terug) te betalen. Hebt u vragen over aansprakelijkheidsrisico’s bij investeringen vanuit een stamrecht BV? Neem dan gerust contact op met mr. Jelle Beerens, advocaat en curator in faillissementen. [post_title] => Bestuurder niet aansprakelijk; ondernemen met kapitaal van de stamrecht BV is toegestaan. [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => geen-aansprakelijkheid-bij-het-ondernemen-met-het-kapitaal-van-de-stamrecht-bv [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-14 17:19:42 [post_modified_gmt] => 2019-08-14 15:19:42 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17967 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 17959 [post_author] => 18 [post_date] => 2019-08-13 16:36:24 [post_date_gmt] => 2019-08-13 14:36:24 [post_content] => Afgelopen maand heeft De Nederlandse Bank (DNB) in de notitie ‘Good practices, Fiscale integriteitsrisico’s bij cliënten van banken’ aanbevelingen gepubliceerd over hoe banken moeten omgaan met belastingrisico’s bij hun klanten. Het document werd opgemerkt door het FD. Banken moeten op grond van deze notitie nagaan of hun klanten zich bezig houden met belastingontwijking. Hoewel belastingontwijking in Nederland legaal is, kan dit volgens DNB leiden tot belastingontduiking. En dat laatste is in Nederland niet toegestaan. Banken moeten daarom voor zichzelf nagaan hoeveel risico zij willen lopen met klanten die belasting ontwijken. Ook moeten banken daarbij nagaan hoe zij die risico’s in de hand kunnen houden.
Aanbevelingen DNB
De aanbevelingen zijn volgens DNB juridisch niet bindend. DNB geeft aan dat banken de aanbevelingen kunnen gebruiken ‘voor de invulling van de wettelijke norm’. Volgens DNB zijn de aanbevelingen enkel ‘een handreiking voor de uitleg en toepassing van de wettelijke verplichtingen’. Banken zijn dus niet verplicht om de aanbevelingen te gebruiken. Volgens de banken werkt dit in de praktijk echter niet zo. DNB is immers degene die beoordeelt of de risico-analyses van de banken op orde zijn. Banken hebben dus nauwelijks een andere keuze dan de aanbevelingen van DNB op te volgen. Dit artikel is geschreven door Lisan Vermeer, advocaat ondernemingsrecht bij BG.legal. [post_title] => Legale belastingontwijking kan reden zijn voor bank om klantrelatie te beëindigen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => legale-belastingontwijking-kan-reden-zijn-voor-bank-om-klantrelatie-te-beeindigen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-13 16:57:41 [post_modified_gmt] => 2019-08-13 14:57:41 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17959 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 17934 [post_author] => 6 [post_date] => 2019-08-12 11:42:37 [post_date_gmt] => 2019-08-12 09:42:37 [post_content] => Bij het vormgeven van een (industrieel) gebruiksvoorwerp worden keuzes gemaakt. Die keuzes kunnen leiden tot een vorm waardoor het product zich kan onderscheiden van vergelijkbare producten. Een bekende of originele vorm kan ook aantrekkelijk zijn om na te bootsen. Dat maakt het voor een concurrent vaak makkelijker om het product te verkopen. Daarom kan het aantrekkelijk zijn om ervoor te zorgen dat de vormgeving van een industrieel product met intellectuele eigendomsrechten wordt beschermd. Met name door het auteursrecht, merkenrecht en modellenrecht. Maar waar liggen de grenzen? Waar ligt de ruimte voor een concurrent? Wat kan wel en wat vormt inbreuk?
Wanneer is de vorm auteursrechtelijk beschermd?
Het moet gaan om een vormgeving die ‘een eigen intellectuele schepping van de maker is die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzes van de maker bij de totstandkoming van het werk’. Meer concreet betekent dit:
  • De vorm mag niet zo banaal of triviaal zijn dat daarin geen creatieve arbeid uit blijkt
  • Het vormelement moet niet noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een technisch effect.
  • Verder mag de vorm niet bepaald zijn door of het gevolg zijn van technische uitgangspunten.
De vraag is dan ook altijd of er bij het kiezen van vormelementen creatieve keuzes gemaakt konden worden. Voorop staat dat het gebruiksvoorwerp aan bepaalde technische en functionele eisen moet voldoen. Maar dat laat vaak nog steeds ruimte voor creatieve keuzes bij het maken van keuzes over elementen van de vorm. Zodra er sprake is van creatieve keuzes kan sprake zijn van het ontstaan van auteursrecht. Wanneer er geen sprake is van creatieve keuzes dan ontstaat er ook geen auteursrecht. Of er auteursrecht is ontstaan moet worden beoordeeld naar het moment waarop het werk is gemaakt.
Casus Afvalzuiger
In een recente kortgedingprocedure kwam aan de orde de vraag of de afvalzuiger van Glutton auteursrechtelijk beschermd was. Vervolgens was de vraag of de afvalzuiger van Vanguard inbreuk maakte op het auteursrecht van Glutton. In de kort geding uitspraak van 10 mei 2019 zijn de vorderingen van Glutton afgewezen.             De eerste vraag was welke vormgevingselementen auteursrechtelijk zouden zijn beschermd. Glutton had dit te vaag aangegeven in de dagvaarding. Glutton had zes kenmerkende vormgevingselementen genoemd: “de (vormen, formaat en plaats van de) drie wielen, de hoge witte opvangbak, de uitneembare zwarte mini-container, de gestileerde witte kap met zuigslangen en geprofileerde neus alsmede de (plaats en vorm van de) verbindingsslang”. Hieruit kon de rechtbank niet afleiden wat nu de auteursrechtelijk beschermde vormgevingselementen waren, volgens Glutton. De rechtbank geeft aan dat dit met name relevant is omdat het hier gaat om een ‘industrieel gebruiksvoorwerp waarvan vele onderdelen (in hoge mate) technisch en functioneel zullen zijn bepaald’. Dat bleek onder andere uit de vier octrooien die voor de Glutton afvalzuiger zijn gevestigd. Glutton had dit dus beter moeten toelichten. Op de zitting heeft Glutton 15 elementen genoemd die van de Glutton afvalzuiger een auteursrechtelijk beschermd werk zouden maken. Daarbij is tevens aangegeven waarom die elementen niet technisch dan wel functioneel bepaald zouden zijn. Pas op de zitting kon voor het eerst daar discussie over worden gevoerd. De rechtbank vindt dat Glutton dat eerder in de procedure concreter had moeten maken.
Vergelijking origineel met latere werk
Vervolgens zou aan de orde moeten komen het vergelijken van het origineel (van Glutton) met het latere werk (van Vanguard). De rechtbank geeft aan dat de vormen gelijkenis vertonen maar ook de nodige uiterlijke verschillen. Aan een beoordeling komt de rechtbank niet toe. Die vergelijking moet namelijk plaatsvinden aan de hand van de ‘auteursrechtelijk beschermde elementen’. En die had Glutton nu juist onvoldoende duidelijk gemaakt. En dus strandt het daar.
Wie is de maker?
In de procedure werd ook betwist dat degene die de procedure was gestart, de auteursrechthebbende was. Dit was gebaseerd op een publicatie waarin de eigenaar van het bedrijf aangaf de vorm met een pen op een stuk papier te hebben gezet. In het artikel staat vervolgens “Hij heeft een beroep gedaan op de diensten van een ontwerper om een vorm te vinden die onopvallend en speels is en die perfect in de omgeving past”. En dus was de vraag wie de auteur van het werk was (de externe ontwerper?) en of het auteursrecht op de juiste wijze was overgedragen. Ook hier kwam Glutton niet uit.
Wat betekent dit voor de praktijk
  • Het is verstandig om bij de vormgeving van een (industrieel) gebruiksvoorwerp een dossier aan te maken. In dat dossier moeten afbeeldingen komen van de vormen die al bekend zijn. Tevens moet worden aangegeven welke vormgevingselementen nieuw zijn en afwijken van de rest. Ook moet concreet worden gemaakt waar de keuzes zijn gemaakt, waarom en waaruit gekozen kon worden. Dit om later te kunnen onderbouwen dat de keuze niet functioneel dan wel technisch was bepaald.
  • Wanneer een concurrent met een ontwerp (te) dicht in de buurt komt dan moet een vergelijking worden gemaakt. Daarbij moeten de auteursrechtelijk beschermde elementen van het origineel worden geplaatst naast de kopie. De conclusie moet dan zijn dat sprake is van een kopie.
  • Wanneer bij het ontwerpen externe partijen worden betrokken dan moet auteursrecht worden overgedragen. Naar Nederlands recht moet auteursrecht schriftelijk, door middel van een akte worden overgedragen. Hier gaat vaak wat mis. Vaak wordt dit vergeten. De opdracht aan een vormgever voor het maken van een ontwerp, het vervolgens betalen van de factuur, betekent nog niet dat het auteursrecht daarbij is overgedragen.
Wat kunnen wij voor u doen?
  • Met een juridische blik adviseren over een vormgevingsdossier
  • Zorgen voor een akte waarbij auteursrecht rechtsgeldig wordt overgedragen. Dat kan al ‘bij voorbaat’, dus bij het verlenen van een opdracht voor het maken van een ontwerp.
  • Adviseren hoe succesvol op te treden tegen een partij die uw vormgeving kopieert.
  [post_title] => Is de vormgeving van een industrieel product beschermd? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => is-de-vormgeving-van-een-industrieel-product-beschermd [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-12 12:12:43 [post_modified_gmt] => 2019-08-12 10:12:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17934 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 17675 [post_author] => 16 [post_date] => 2019-08-08 10:45:38 [post_date_gmt] => 2019-08-08 08:45:38 [post_content] => Een vrouw stapt bij haar vriendin in de auto waarvan zij wist dat deze vriendin geen rijbewijs had. De autorit eindigde via een boom in een sloot. De bijrijder liep ernstig letsel op o.a. breuk in de kaak en rib, hersenschudding, longkneuzing en een beschadiging van de halsslagader. Zij heeft Interpolis als WAM verzekeraar van de auto aansprakelijk gesteld en vordert 100% van haar schade. Interpolis stelt zich op het standpunt  dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de bijrijder. Zij had nl. bewust het risico genomen om mee te rijden met iemand zonder rijbewijs. De bijrijder had zelf wel een rijbewijs. De rechter is van mening dat het de bijrijder te verwijten valt dat zij haar vriendin toch liet rijden. Aangenomen mag worden dat het ontbreken van het rijbewijs tot op zekere hoogte  heeft bijgedragen aan het ongeval. In welke mate de onervarenheid heeft bijgedragen aan het ongeval staat echter niet vast. Volgens de rechter is niet aangetoond dat er roekeloos of zelfs onvoorzichtig is gereden.  Bovendien vinden op de betreffende dijk in Culemborg vaker eenzijdige ongevallen plaats. Volgens de rechter kan de bijdrage van de bijrijder in de mate van schuld op niet meer dan 10% worden gesteld. Het gaat hier om een door een WAM verzekering gedekte schade en ernstig letsel. De billijkheid eist daarom dat Interpolis 100% moet betalen, aldus de rechter. Klik hier voor de volledige uitspraak. [post_title] => Joyride: Interpolis moet volledige letselschade bijrijder vergoeden [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => joyride-interpolis-moet-volledige-letselschade-bijrijder-vergoeden [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-07 10:10:35 [post_modified_gmt] => 2019-08-07 08:10:35 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17675 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 17813 [post_author] => 19 [post_date] => 2019-08-07 11:26:21 [post_date_gmt] => 2019-08-07 09:26:21 [post_content] => gemeente aansprakelijk principebesluitVaak wil een ontwikkelaar weten of zijn ontwikkeling planologisch mogelijk is. Soms moet afgeweken worden van het bestemmingsplan. Er is daarom vaak behoefte om bij de gemeente ‘te peilen’ of medewerking kan worden verleend aan die ontwikkeling. Dat kan door het vragen om een principebesluit. In zo’n principebesluit laat de gemeente weten hoe zij tegen die ontwikkeling aankijkt. Wat nu als zo’n principebesluit achteraf onjuist is? Recent heeft het hof Arnhem-Leeuwarden daarover geoordeeld. Uit dit arrest blijkt dat zo’n principebesluit verregaande gevolgen kan hebben.
Casus
Het is een vrij omvangrijke en complex kwestie. Ik beperk mij daarom tot de hoofdlijnen. In 2006 heeft appellant een principeverzoek ingediend bij de gemeente. Appellant wilde weten of hij een bouwvergunning kon krijgen voor de bouw van een woning op een perceel alsmede ten aanzien van de oriëntatie richting van die woning. Het college heeft vervolgens twee principe-uitspraken gedaan. In die besluiten is een onjuiste uitleg gegeven aan het bestemmingsplan. Vervolgens heeft het college nog twee ‘formele’ besluiten genomen. Hierbij werd een aanvraag om bouwvergunning afgewezen en werd die afwijzing gehandhaafd in bezwaar. Deze besluiten bleken onrechtmatig. De vraagt die dan rijst, is of dat ook geldt voor de principebesluiten.
Oordeel hof
Het hof stelt allereerst vast dat het principeverzoek duidelijk was. Met andere woorden: er werd geen vaag plan aan de gemeente voorgelegd. Er is op de aanvraag uitvoerig gereageerd door het college. Het college schrijft dat het verzoek van appellant ‘aan minutieuze bestudering is onderworpen waarbij de verstrekte bijlagen en alle voorgaande correspondentie zijn betrokken’. Het hof overweegt dat appellant ervan mocht uitgaan dat zijn verzoek uitvoerig en zorgvuldig was bekeken door de gemeente. Ook door meerdere ambtenaren. Achteraf blijkt dat de informatie in beide principebesluiten onjuist was. Onder meer omdat een oriëntatie richting volgens de Afdeling mogelijk was en langs die weg zelfs een bouwvergunning moest worden verleend. Een vrijstellingsprocedure was dus niet nodig. Met andere woorden: ten onrechte werd appellant op het spoor van een vrijstellingsprocedure gezet. De in beide principebesluiten gegeven informatie is niet alleen onjuist, maar ook onvolledig. Onder deze omstandigheden mocht appellant redelijkerwijs uit de standpunten van de Gemeente afleiden dat zij hem geen bouwvergunning zou verlenen. Ook voor een woning met de verzochte oriëntatieligging. Dus restte hem slechts de optie een vrijstellingsprocedure te doorlopen ten behoeve van de woning met de daarmee gepaard gaande kosten. Deze wijze van informatieverstrekking acht het hof onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen kan de gemeente worden toegerekend. Door deze onjuiste en onvolledige informatie heeft de Gemeente appellant op het verkeerde been gezet. Het college zette appellant op het spoor van een vrijstellingsprocedure voor een woning, terwijl hem een bouwvergunning verleend had moeten worden. Met andere woorden: appellant mocht op goede gronden vertrouwen op de inhoud van de principebesluiten.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Een overheidsinstelling zal zorgvuldig moeten reageren op een principeverzoek. Een aanvrager kan immers vertrouwen ontlenen aan de reactie op zijn verzoek. Dat hangt met name af van de inhoud en stelligheid van die reactie. Een principebesluit is dus geen vrijblijvende reactie. Dat betekent dat een aanvrager afhankelijk van de inhoud wel degelijk gewicht mag toekennen aan een dergelijk besluit. Mocht u verdere vragen hebben of in de praktijk geconfronteerd worden met een principebesluit, neem dan gerust contact op met Rutger Boogers, advocaat/specialist omgevingsrecht. [post_title] => Gemeente aansprakelijk voor onjuist principebesluit? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => gemeente-aansprakelijk-voor-onjuist-principebesluit [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-07 12:15:57 [post_modified_gmt] => 2019-08-07 10:15:57 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17813 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 17735 [post_author] => 22 [post_date] => 2019-08-06 11:12:33 [post_date_gmt] => 2019-08-06 09:12:33 [post_content] => Veel mensen hebben er één: een levensverzekering. De verzekeringsnemer kiest zelf de begunstigden van zijn levensverzekering. Dit zijn in veel gevallen de kinderen. Maar wat als één van de kinderen onterfd is? Is de betaalde premie dan een schenking? Deze vraag heeft het Hof ’s-Hertogenbosch[1] dit jaar beantwoord.
Begunstiging
In veel gevallen kiest de verzekeringsnemer voor een standaard begunstiging, waarin ten eerste zijn of haar partner als begunstigde wordt opgenomen en daarna zijn of haar kinderen. Maar wat nu als de verzekeringsnemer geen goede band heeft met zijn kinderen en zijn kinderen heeft onterfd? De verzekeringsnemer kan er dan uiteraard voor kiezen om iemand anders aan te wijzen als zijn of haar begunstigde. Dit gebeurde ook in de casus waarover het Hof ’s-Hertogenbosch op 29 januari 2019 een uitspraak heeft gedaan. Meneer X had geen goede band met zijn zoon. Hij heeft daarom in zijn testament zijn dochter tot zijn enige erfgenaam benoemd en zijn zoon onterfd. Verder heeft meneer X ook een legaat opgenomen voor zijn kleindochter (de dochter van zijn dochter). Ten slotte had hij een levensverzekering, waarin hij zijn kleindochter als begunstigde heeft aangewezen.
Legitieme portie
Kinderen die onterfd zijn, kunnen een beroep doen op hun legitieme portie. Een kind dat hier aanspraak op maakt, ontvangt dan – simpel gezegd – de helft van zijn of haar kindsdeel. Om dit kindsdeel te kunnen berekenen, dient eerst de omvang van de nalatenschap berekend te worden. Hierbij worden de schulden van de nalatenschap in mindering gebracht op de bezittingen. Daarnaast spelen de schenkingen die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan het overlijden ook een rol. In sommige gevallen valt de legitieme portie hoger uit, omdat de schenkingen zijn opgeteld bij de waarde van de bezittingen van de nalatenschap.
Premiebetalingen
We keren terug naar de hierboven beschreven casus. De premie van de levensverzekering van meneer X bedroeg € 100 per maand. Zijn zoon heeft na het overlijden van meneer X een beroep gedaan op zijn legitieme portie. Hij vindt vervolgens dat de premiebetalingen voor het overlijden van meneer X moeten worden meegenomen in de berekening van zijn legitieme portie. Verder merkt hij deze betalingen aan als schenkingen aan de kleindochter van meneer X. De zoon doet hierbij een beroep op de wettelijke term “ongebruikelijke giften[2]”.
Uitspraak Hof ’s-Hertogenbosch
Het hof is het niet eens met de zoon en vindt dat de premiebetalingen geen ongebruikelijke giften zijn. Het kleinkind is de begunstigde. Volgens het hof is het een veelvoorkomende praktijk dat grootouders geld opzij zetten voor hun kleinkinderen. Het feit dat meneer X (ook) een legaat had opgenomen voor zijn kleindochter, bevestigt de wens van meneer X om zijn kleindochter financieel bij te staan. Daarnaast vindt het hof de premiebetalingen ook niet bovenmatig. Het jaarlijkse bedrag blijft ruim onder de drempel voor de schenkbelasting. Ook gelet op het inkomen van meneer X uit zijn AOW en pensioen van ruim € 2.000 netto per maand, oordeelt het hof dat de premiebetalingen van € 100 per maand niet buitensporig – en dus ongebruikelijk – zijn.
Conclusie
In dit geval oordeelde het hof dat het betalen van de premie van de levensverzekering niet moet worden gezien als een schenking. Deze betaling valt buiten de legitieme portie. Dit zou anders kunnen zijn indien er sprake was van een ongebruikelijke gift. Belangrijke indicatoren om dit te bepalen zijn de persoon van de begunstigde en de omvang van de betaalde premie. Naar mijn mening zal het dus niet snel voorkomen dat de premie van een levensverzekering wel als schenking zal worden aangemerkt. Sluit u een levensverzekering af en kiest u er bewust voor om bepaalde personen uit te sluiten bij de uitkering hiervan? Dan hoeft u niet zo bang te zijn dat de door u betaalde premie later alsnog via uw nalatenschap voor een deel ten goede komt aan de door u uitgesloten personen. Twijfelt u hierover, neem dan contact op met onze specialist erfrecht: Anne van der Steen, advocaat erfrecht en vereffenaar. Anne van der Steen                 [1] Hof ‘s-Hertogenbosch 29 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:254. [2] Artikel 4:69 lid 1 sub b BW. [post_title] => Is het betalen van de premie van een levensverzekering een schenking? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => is-het-betalen-van-de-premie-van-een-levensverzekering-een-schenking [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-07 10:11:17 [post_modified_gmt] => 2019-08-07 08:11:17 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17735 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 10 [current_post] => -1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 18018 [post_author] => 19 [post_date] => 2019-08-21 09:31:11 [post_date_gmt] => 2019-08-21 07:31:11 [post_content] => De Raad van State heeft op 7 augustus jl. geoordeeld dat de kruimelgevallenregeling ook van toepassing is op het samenvoegen van panden. Er kan op grond van artikel 4, onderdeel 9, van het Bor dus een vergunning verleend worden. Dat is in de praktijk van grote betekenis. Op grond hiervan kan een uitgebreide en kostbare procedure worden voorkomen. Er geldt wel één grote beperking.
Wat was de casus
De casus was vrij eenvoudig. Nieuwezijds is eigenaar van twee naast elkaar gelegen panden aan de Westermarkt in Amsterdam. In beide panden zijn horeca op de begane grond en woningen op de verdieping aanwezig. De vorige eigenaar heeft de panden een aantal jaren geleden zonder de daartoe vereiste omgevingsvergunning verbouwd en samengevoegd. Die samenvoeging is aan de voorzijde niet zichtbaar. Deze samenvoeging is in strijd met het bestemmingsplan. De gemeente treedt hiertegen handhavend op. Een last onder dwangsom volgt. Nieuwezijds stelt in de handhavingsprocedure dat er een van rechtswege verleende vergunning is verleend. Wat had hij gedaan? Tegelijkertijd met de zienswijze tegen de last onder dwangsom, een vergunning aangevraagd. De gemeente stelt dat die vergunning niet van rechtswege is verleend. Waarom niet? Omdat volgens de gemeente niet de reguliere maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. De gemeente stelde dat artikel 4 van het Bor hier niet van toepassing was. In het geval waarin de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, kan een vergunning niet van rechtswege zijn verleend.
Wat zegt de hoogste bestuursrechter?
Artikel 4, aanhef en onderdeel 9, bijlage II van het Bor staat niet in de weg aan het samenvoegen van twee panden. Er geldt wel een beperking: de bebouwde oppervlakte en het bouwvolume mag niet worden vergroot. Onder bebouwde oppervlakte en het bouwvolume wordt de omvang van het gebouwde verstaan. Niet relevant is of de omvang van het gebruik naar oppervlakte of inhoud wijzigt. Vergroting van het bouwvolume heeft met andere woorden enkel betrekking op een toename van de fysieke bebouwing. In dit geval was de samenvoeging enkel een inpandige ingreep. De oppervlakte van het volume van beide panden bleef gelijk. Dat door de doorbraken toegang van het ene naar het andere pand ontstaat, leidt niet tot een ander oordeel. Het standpunt van het college dat artikel 4 niet van toepassing is omdat het gaat om apart van elkaar opgerichte gebouwen, die geen bouwkundige eenheid vormen, wordt niet gevolgd. Nu artikel 4 van bijlage II van toepassing is, is ook de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Daarmee is de vergunning dus van rechtswege verleend.
Relevantie voor de praktijk
Voor de praktijk is deze uitspraak relevant. Zolang een samenvoeging niet leidt tot een vergroting van het bouwvolume, kan via de reguliere procedure een vergunning worden verkregen. Dat is sneller en in de regel ook goedkoper. Het gaat hier om twee panden, maar voorstelbaar is dat het om meer panden gaat. Dat het gebruik naar oppervlakte of inhoud wijzigt is daarbij niet van belang. Ook hoeven de panden geen bouwkundige eenheid te vormen. Rutger Boogers           [post_title] => Samenvoegen van panden als ‘kruimelgeval’ [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => samenvoegen-van-panden-als-kruimelgeval [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2019-08-21 09:52:21 [post_modified_gmt] => 2019-08-21 07:52:21 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=18018 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 505 [max_num_pages] => 51 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => [is_tag] => [is_tax] => 1 [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => fff5c7887256b95990034d613c30345e [query_vars_changed:WP_Query:private] => [thumbnails_cached] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) [tribe_is_event] => [tribe_is_multi_posttype] => [tribe_is_event_category] => [tribe_is_event_venue] => [tribe_is_event_organizer] => [tribe_is_event_query] => [tribe_is_past] => )
De Raad van State heeft op 7 augustus jl. geoordeeld dat de kruimelgevallenregeling ook van toepassing is op het samenvoegen van panden. Er kan op grond van artikel 4, onderdeel 9, van het Bor dus een vergunning verleend worden. Dat is in de praktijk van grote betekenis. Op grond hiervan kan een uitgebreide en kostbare...
Lees meer
Het bijhouden van een goede administratie is van groot belang voor ondernemingen. De verwerking van persoonsgegevens is daarbij onvermijdelijk. Maar persoonsgegevens mogen niet voor onbeperkte duur worden bewaard. Daarvoor gelden specifieke (privacy)regels. De praktijk wijst uit dat ondernemingen vaak geen kennis hebben van de bewaartermijnen.   Algemeen uitgangspunt De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de...
Lees meer
We zijn al snel geneigd om te denken dat het voeren van dezelfde handelsnaam niet kan. Gebruikt organisatie A een handelsnaam? Dan kan organisatie B niet precies dezelfde naam gebruiken. Doet organisatie B dat toch, dan levert dat al snel een inbreuk op het handelsnaamrecht op. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn. Hoe...
Lees meer
Onder de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB) die met ingang van 1 januari 2020 in werking treedt blijft, onder wat wordt genoemd het overgangsrecht, de huidige berekening van de transitievergoeding (onder de Wet Werk en Zekerheid – WWZ) van toepassing voor een aantal gevallen. Deze gevallen worden in dit artikel besproken. Transitievergoeding WAB De WAB...
Lees meer
Een curator van een failliete stamrecht BV stelt de bestuurder aansprakelijk. De reden is dat het kapitaal van de stamrecht BV is gebruikt om te ondernemen, terwijl de stamrechtovereenkomst dit niet toestaat. Moet de bestuurder vrezen dat hij de schuldeisers uit eigen portemonnee moet terug betalen? Het Gerechtshof Den Haag kwam tot een oordeel en...
Lees meer
Afgelopen maand heeft De Nederlandse Bank (DNB) in de notitie ‘Good practices, Fiscale integriteitsrisico’s bij cliënten van banken’ aanbevelingen gepubliceerd over hoe banken moeten omgaan met belastingrisico’s bij hun klanten. Het document werd opgemerkt door het FD. Banken moeten op grond van deze notitie nagaan of hun klanten zich bezig houden met belastingontwijking. Hoewel belastingontwijking...
Lees meer
Bij het vormgeven van een (industrieel) gebruiksvoorwerp worden keuzes gemaakt. Die keuzes kunnen leiden tot een vorm waardoor het product zich kan onderscheiden van vergelijkbare producten. Een bekende of originele vorm kan ook aantrekkelijk zijn om na te bootsen. Dat maakt het voor een concurrent vaak makkelijker om het product te verkopen. Daarom kan het...
Lees meer
Een vrouw stapt bij haar vriendin in de auto waarvan zij wist dat deze vriendin geen rijbewijs had. De autorit eindigde via een boom in een sloot. De bijrijder liep ernstig letsel op o.a. breuk in de kaak en rib, hersenschudding, longkneuzing en een beschadiging van de halsslagader. Zij heeft Interpolis als WAM verzekeraar van...
Lees meer
Vaak wil een ontwikkelaar weten of zijn ontwikkeling planologisch mogelijk is. Soms moet afgeweken worden van het bestemmingsplan. Er is daarom vaak behoefte om bij de gemeente ‘te peilen’ of medewerking kan worden verleend aan die ontwikkeling. Dat kan door het vragen om een principebesluit. In zo’n principebesluit laat de gemeente weten hoe zij tegen...
Lees meer
Veel mensen hebben er één: een levensverzekering. De verzekeringsnemer kiest zelf de begunstigden van zijn levensverzekering. Dit zijn in veel gevallen de kinderen. Maar wat als één van de kinderen onterfd is? Is de betaalde premie dan een schenking? Deze vraag heeft het Hof ’s-Hertogenbosch[1] dit jaar beantwoord. Begunstiging In veel gevallen kiest de verzekeringsnemer...
Lees meer
  • Seminar: gevolgen inwerkingtreding WAB

    Lees meer
  • Seminar: Investeren 2.0 Nieuwe vormen van financieren en investeren

    Lees meer