Blog van medewerkers

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [news-type] => blog
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [news-type] => blog
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [category_name] => 
            [tag] => 
            [cat] => 
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [paged] => 0
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [search_columns] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [update_menu_item_cache] => 
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 10
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [taxonomy] => news-type
            [term] => blog
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => news-type
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => blog
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => wp_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [news-type] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => blog
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => wp_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 56
            [name] => Blog van medewerkers
            [slug] => blog
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 56
            [taxonomy] => news-type
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 1326
            [filter] => raw
        )

    [queried_object_id] => 56
    [request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  wp_posts.ID
					 FROM wp_posts  LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT  JOIN wp_icl_translations wpml_translations
							ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
								AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type) 
					 WHERE 1=1  AND ( 
  wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (56)
) AND ((wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft'))) AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR (
					wpml_translations.language_code = 'nl'
					AND wp_posts.post_type IN ( 'attachment' )
					AND ( ( 
			( SELECT COUNT(element_id)
			  FROM wp_icl_translations
			  WHERE trid = wpml_translations.trid
			  AND language_code = 'nl'
			) = 0
			 ) OR ( 
			( SELECT COUNT(element_id)
				FROM wp_icl_translations t2
				JOIN wp_posts p ON p.id = t2.element_id
				WHERE t2.trid = wpml_translations.trid
				AND t2.language_code = 'nl'
                AND (
                    p.post_status = 'publish' OR p.post_status = 'private' OR 
                    ( p.post_type='attachment' AND p.post_status = 'inherit' )
                )
			) = 0 ) ) 
				) ) AND wp_posts.post_type  IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','our_sector','our_rechtsgebieden','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker','backoffice','rechtsgebied-detail' )  ) OR wp_posts.post_type  NOT  IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','our_sector','our_rechtsgebieden','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker','backoffice','rechtsgebied-detail' )  )
					 GROUP BY wp_posts.ID
					 ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC
					 LIMIT 0, 10
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 42144
                    [post_author] => 39
                    [post_date] => 2024-05-17 11:21:59
                    [post_date_gmt] => 2024-05-17 09:21:59
                    [post_content] => Mogelijk houden huurverhogingen in de vrije sector geen stand bij de rechter. Dit zou kunnen betekenen dat verhuurders geld moeten terugbetalen aan huurders, dit gaat dan om bedragen die zouden kunnen oplopen tot miljarden euro’s, zo wordt in de media gemeld. In dit artikel gaan we in op het jarenlang gevolgde uitgangspunt van huurverhogingsberekeningen en de potentiële gevolgen wanneer de Hoge Raad dit aanmerkt als een oneerlijk beding op grond van Europees recht.

Huurverhogingsberekening

Al jarenlang is het uitgangspunt om de jaarlijkse huurverhoging in de vrije sector te berekenen met een optelsom van de inflatie met daarbovenop een percentage opslag. Dit is het ‘huurverhogingsbeding’ dat kan worden opgenomen in de huurovereenkomst. In verschillende uitspraken werd echter door kantonrechters geoordeeld dat deze berekening in strijd is met de Europese Richtlijn die ziet op de bescherming van de consumenten tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten. Dit betrof tot nu steeds individuele zaken, waarbij er steeds eigen afwegingen werden gemaakt door de behandelende rechter. In januari heeft de Rechtbank Amsterdam echter prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter aan de Hoge Raad. Dit is mogelijk wanneer hetzelfde vraagstuk aan orde is in een groot aantal zaken. Het antwoord van de Hoge Raad is vervolgens richtinggevend en zal dus invloed hebben op de lopende en toekomstige zaken. De Hoge Raad buigt zich daarom nu over de vraag hoe de berekening van huurverhoging zich verhoudt tot de Europese Richtlijn.

Prejudiciële vragen

De volgende vragen zijn gesteld aan de Hoge Raad:
  • Kan een huurverhogingsbeding op grond waarvan de huurder bovenop de inflatie een opslag van maximaal 3 procent mag rekenen worden aangemerkt als een oneerlijk beding? Welke maatstaven gelden bij de beoordeling?
  • Wanneer een deel van het huurverhogingsbeding als oneerlijk is aan te merken, moet het beding dan in zijn geheel vernietigd worden, of is alleen het oneerlijke deel vernietigbaar?
  • Moet de rechter ingeval van een oneerlijk beding ook ambtshalve nagaan wat er vanaf het begin van de huurovereenkomst teveel is betaald en dat bedrag aftrekken van de gevorderde huurachterstand?
  • Kan de verhuurder zich beroepen op verjaring, wanneer de huurder de te veel betaalde huurverhogingen terugvordert?
  • Is er een andere beperking ten aanzien van de periode waarover de huurder de ten onrechte betaalde huurverhogingen kan terugvorderen?

Oneerlijk beding

Volgens de rechters was er om de volgende redenen sprake van een oneerlijk beding:
  • Een percentage opslag bovenop jaarlijkse inflatie kan het evenwicht tussen de huurder en de verhuurder verstoren.
  • Voor de opslag bestaat geen redelijke grond.
  • Er bestaat voor huurders geen reële mogelijkheid om over te stappen van leverancier van huurgenot door het huidige woningtekort.
Volgens vertegenwoordigers van huurders is het belangrijk dat huurovereenkomsten nu worden bekeken door de Hoge Raad. Dit is noodzakelijk voor transparante en eerlijke huurovereenkomsten en het tegengaan van willekeur bij huurverhoging.

Zorgen bij verhuurders

Het antwoord van de Hoge Raad kan betekenen dat verhuurders mogelijk jarenlang oneerlijke huurverhogingen rekenden, zij vrezen nu dan ook voor groot financieel nadeel. Wanneer een beding namelijk oneerlijk is kan dit worden vernietigd. Vernietiging houdt in dat er geen recht tot verhoging bestond, waardoor de te veel betaalde huur mogelijk kan worden teruggevorderd. Een vastgoedadviesbureau heeft het potentiële verbod op huurverhogingsbedingen zoals ze nu worden berekend en het terugdraaien van huurverhogingen met terugwerkende kracht doorgerekend. Dit komt uit op miljarden euro’s. Volgens vertegenwoordigers van verhuurders kan dit grote, nadelige impact hebben op de maatschappij. De combinatie van het verbod op een huurverhogingsbeding met als gevolg lagere huurinkomsten en de waardedaling van vastgoed zal volgens verhuurders directe gevolgen hebben voor de verduurzaming van de huurwoningen. Ook zal de vernietiging volgens hen leiden tot terughoudendheid van kapitaalverstrekkers die nodig zijn om nieuwe bouw te realiseren.

Concluderend

Het is onduidelijk wanneer de Hoge Raad met een uitspraak komt, pas wanneer dit zover is zal er meer duidelijkheid zijn over de toepassing van de Richtlijn en zal de eventuele impact van mogelijke terugbetalingsvorderingen en verjaringstermijnen blijken. Wij houden u natuurlijk op de hoogte van verdere ontwikkelingen. Dit artikel is mede geschreven door Anne Verberne. Michael de Marco 4 [post_title] => Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over huurverhogingen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => prejudiciele-vragen-aan-de-hoge-raad-over-huurverhogingen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-17 11:24:29 [post_modified_gmt] => 2024-05-17 09:24:29 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42144 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 42150 [post_author] => 71 [post_date] => 2024-05-17 09:47:44 [post_date_gmt] => 2024-05-17 07:47:44 [post_content] =>

Van Giel vs Tuymans

Een aantal jaar geleden was er een in België geruchtmakende rechtszaak tussen de fotografe Katrijn van Giel en de schilder Luc Tuymans. Tuymans had een foto van Van Giel nageschilderd met daarop het bezwete voorhoofd van politicus Jean-Marie Dedecker. Dat had hij weliswaar in zijn eigen kenmerkende stijl gedaan, maar de oorspronkelijke foto was duidelijk herkenbaar. “Mag niet, want inbreuk op auteursrecht”, oordeelde de rechter samengevat. De kunstwereld stond op stelten, met medestanders aan beide kanten. De medestanders van Tuymans zagen de uitspraak vooral als een aanval op de vrijheid om kunst te maken. De medestanders van Van Giel vonden dat het zomaar kopiëren van een werk, al is het dan in een ander medium, wel degelijk inbreuk op auteursrecht is.

Auteursrecht

Want dat is waar de discussie op juridisch vlak over ging: maak je auteursrechtinbreuk als je een foto naschildert en dat schilderij vervolgens gaat exposeren (verveelvoudigen en openbaarmaking, in juridisch jargon)? Je kunt natuurlijk ook andere media in de plaats van fotografie en schilderkunst zetten. Hoewel de rechter in België vrij duidelijk was in het antwoord op deze vraag, zit de kunstwereld toch anders in elkaar.

Appropriation art

Voor veel kunstenaars is het gebruik van een herkenbaar ouder werk juist kenmerkend voor hun eigen kunst. Het heeft zelfs een naam: appropriation art. Jeff Koons, Sherrie Levine, Yasumasa Morimura en vele anderen doen het, soms trouwens ook met juridische gevolgen. Ze krijgen echter pas – potentiële – problemen als een auteursrechthebbende van het originele werk hen op het gebruik aanspreekt. Dan moet de rechthebbende in principe ook goed onderbouwen waarom dat werk niet gekopieerd mag worden.

Zhang vs Dieschburg

Dat gebeurde onlangs wederom succesvol in een rechtszaak in Luxemburg. De Aziatisch-Amerikaanse fotografe Jingna Zhang beschuldigde de Luxemburgse schilder Jeff Dieschburg van het een-op-een kopiëren van een door haar gemaakte foto in zijn olieverfschilderij “Turandot”. De oorspronkelijke portretfoto was in 2017 door Zhang gemaakt voor Harper Bazaar Vietnam. Dieschburg had in 2022 een geldprijs gewonnen met het schilderij tijdens de Biennale in Strassen.

Eerste instantie: Dieschburg wint

In 2022 werd Dieschburg nog in het gelijk gesteld en werden de vorderingen van Zhang afgewezen. Haar foto zou de drempel van het auteursrecht niet halen, omdat de pose van het model op de foto niet uniek zou zijn. Dieschburg argumenteerde daarbij ook dat hij het werk in het kader van zijn studie had gemaakt en gebruikte het veelgehoorde argument dat het namaken van een werk in een kunstzinnige context moet kunnen. Nu is het zo dat lichaamshoudingen op zich niet auteursrechtelijk te beschermen zijn. Maar een fotoportret is natuurlijk meer dan alleen een lichaamshouding. Zhang merkte naar aanleiding van het vonnis op dat op deze manier portretfoto’s niet auteursrechtelijk te beschermen zijn en dat haar fotografie op deze manier door andere partijen zonder haar toestemming kan worden geëxploiteerd. Zij besloot in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak.

Hoger beroep: Zhang wint

Hierbij behaalde ze succes. Zo werd er geoordeeld dat de foto van Zhang wel de drempel van het auteursrecht haalt en het niet uitmaakt dat het schilderij van Dieschburg in een ander medium werd nagemaakt. Ook is het irrelevant dat de foto online stond en iedereen er dus bij kan (een ander veelgehoord maar foutief argument). De foto van Zhang is dus wel degelijk auteursrechtelijk beschermd en mag niet zomaar gekopieerd worden, ook niet in een ander kunstwerk.

Bij twijfel: vraag het aan een specialist

In dit soort zaken moet een rechter altijd een afweging maken tussen intellectueel eigendom (waar auteursrecht onder valt) en de vrijheid van de kunstenaar. Ben je erachter gekomen dat iemand anders jouw werk kopieert in zijn of haar werk? Gebruik je andermans werken (of logo’s en dergelijke) in jouw kunst en twijfel je of dit wel kan? Het is dan altijd raadzaam om met een jurist te overleggen om te weten wat je rechten zijn. Neem daarvoor gerust contact op met een van onze experts! Yvonne Vetjens [post_title] => Een kunstwerk of foto in een ander medium namaken, levert mogelijk auteursrechtinbreuk op [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => een-kunstwerk-of-foto-in-een-ander-medium-namaken-levert-mogelijk-auteursrechtinbreuk-op [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-17 10:03:56 [post_modified_gmt] => 2024-05-17 08:03:56 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42150 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 42135 [post_author] => 19 [post_date] => 2024-05-16 10:56:36 [post_date_gmt] => 2024-05-16 08:56:36 [post_content] =>

Inleiding

Dit artikel is de vierde editie van onze jurisprudentiereeks over de Omgevingswet. In deze editie komt de rechtspraak uit april 2024 aan bod. Een belangrijke uitspraak in april werd gedaan door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland. In die uitspraak heeft de voorzieningenrechter getoetst aan het criterium een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ en tevens beoordeelt of voldoende uitvoering was gegeven aan de participatieverplichting. Over deze uitspraak hebben wij eerder een apart blog geschreven.

Inhoudelijk

In deze zaak gaat het om handhavingsbesluiten die onder de toepasselijkheid van de Omgevingswet vallen. Deze besluiten zien op het onmiddellijk staken en gestaakt houden van bouwwerkzaamheden. Hiertegen heeft de verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het volgende komt aan bod: of er sprake is van een overtreding van een omgevingsvergunning in de zin van de Omgevingswet, of het mogelijk is om te handhaven bij het niet melden van de start bij de bouw en de handhaving bij het niet doen van een gebruiksmelding. Het eerste onderdeel van de handhavingsbesluiten ziet op een overtreding van artikel 5.5 Omgevingswet waaruit volgt dat het verboden is om in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning te handelen. Maar, de omgevingsvergunning waar het in deze zaak om gaat is nog geen omgevingsvergunning onder de Omgevingswet omdat er bezwaar loopt en de vergunning dus nog niet onherroepelijk is. Deze stelling kan dus in bezwaar geen stand houden, maar dit gebrek kan wel worden hersteld. De voorzieningen rechter ziet hier geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit is omdat de verzoeker vooralsnog gezien heeft gebouwd zonder de vereiste omgevingsvergunning, en indien de vergunning niet onherroepelijk wordt de verzoeker helemaal geen vergunning heeft, dit zou dan ook tot een overtreding leiden. Het tweede aspect van de handhavingsbesluiten ziet op het niet doen van een startmelding bij het bouwen, als vereist in artikel 7.7, eerste lid, Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aan dit voorschrift is echter geen consequentie verbonden. De voorzieningenrechter oordeelt hierover dat die handhaving dan ook niet is gerechtvaardigd. Op dit punt kan de verzoeker in bezwaar dus gelijk krijgen. Het derde handhavingsbesluit ziet op het handelen in strijd met artikel 6.7, eerste lid, Bbl, doordat de verzoeker de ingebruikneming van het pand niet vier weken voorafgaand aan gebruik heeft gemeld. De voorzieningenrechter oordeelt hierover dat er een bevoegdheid was om handhavend op te treden. Vervolgens wordt er een belangenafweging gegeven. Omdat het mogelijk is dat de verzoeker in bezwaar op een aantal punten gelijk zal krijgen, heft de voorzieningenrechter de herstelsancties op voor zover die zien op het staken van de bouw. Op 12 april heeft de rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan over de juridische status van een goedkeuringseis in een vergunningvoorschrift voor een milieubelastende activiteit. De vraag was of dit onder de Omgevingswet als een besluit kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat er verschillende varianten zijn van goedkeuringseisen. Bij sommige beslissingen over goedkeuring volgt een rechtsgevolg, deze zijn daarom aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor andere beslissingen is dit niet het geval. Ook oordeelt de rechtbank dat er onvoldoende rechtsbescherming tegen een besluit over goedkeuring bestaat. Omdat de Omgevingswet geen bijzondere bekendmakings- en publicatieverplichtingen kent zijn de algemene bekendmakingsverplichtingen uit de Awb van toepassing. Dit betekent dat derden niet op de hoogte worden gesteld, daarom had een buitenwettelijke publicatieverplichting in het besluit in de regel gelegen.
  • Geen materieel groot verschil tussen toetsing handhavingsbesluit Wabo en Omgevingswet  [ECLI:NL:RBOVE:2024:2298]
In deze zaak ging het om een ambtshalve genomen handhavingsbesluit op grond van de Omgevingswet. Volgens het overgangsrecht was op de situatie in de zaak echter de Wabo van toepassing. De voorzieningenrechter verbindt aan dit gebrek geen rechtsgevolgen omdat er geen grote materiele verschillen bestaan tussen de toetsing op grond van het oude recht en het nieuwe recht. Dit betekent dat het college dit kan herstellen in de bezwarenprocedure. Dit geschil gaat over een verleende ontgrondingenvergunning voor het uitvoeren van ontgrondingswerkzaamheden van een haven (verleend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet), waartegen een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is ingediend. Uit artikel 5.1 van de Omgevingswet volgt dat het verboden is om een ontgrondingsactiviteit uit te voeren zonder een omgevingsvergunning, maar in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn gevallen opgenomen waarvoor dit verbod niet geldt. Deze categorie kan op grond van artikel 16.9 Bal worden uitgebreid door vergunningvrije gevallen op te nemen in de provinciale omgevingsverordening indien dit doelmatig en doeltreffend is. Dat is in deze zaak aan de orde, in de provinciale omgevingsverordening is opgenomen dat het verbod niet geldt voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een haven. De vergunninghouder stelt dat de ontgrondingsactiviteit nu dus vergunningvrij is. De volgende vraag doet zich voor: kan de vergunde ontgronding worden aangemerkt als een ontgrondingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.6 van het Bal? Volgens de voorzieningenrechter bestaat hierover gerede twijfel en dient dit in een bodemprocedure worden behandeld.

Overgangsrecht

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in deze uitspraak uiteengezet welk recht van toepassing is op (vervolg) besluiten op aanvragen om een ruimtelijk plan vast te stellen. Met het oog op de rechtsvorming en de rechtspraktijk is de Afdeling ingegaan op een aantal veelvoorkomende scenario’s. Deze uitspraak geldt voor bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen. De volgende scenario’s zijn door de Afdeling besproken: - Een aanvraag tot vaststelling van een bestemmingsplan is vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gedaan en is afgewezen door de gemeenteraad. In dit geval blijft de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing tot dat het besluit op de aanvraag onherroepelijk wordt. Dit volgt uit het overgangsrecht, de Omgevingswet wordt van toepassing wanneer een bestemmingsplan van kracht is, waarvan geen sprake is als de aanvraag tot het vaststellen wordt afgewezen. - Wanneer een aanvraag wordt afgewezen door de gemeenteraad, maar dit afwijzingsbesluit blijft niet in stand bij de Afdeling, blijft ook bij een nieuw besluit op de aanvraag de Wro van toepassing. Pas wanneer het besluit op de aanvraag onherroepelijk wordt is de Omgevingswet namelijk van toepassing. - In het geval dat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet is gedaan en deze vervolgens wordt toegewezen door de gemeenteraad, dan geldt artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet. Hieruit volgt dat het moment van de terinzagelegging van het ontwerpbesluit bepalend is, is dit ná 1 januari 2024 gebeurd, dan is de Omgevingswet van toepassing. De rechtbank gaat in deze uitspraak in op de betekenis van een gemeentelijke erfgoedverordening en de omgevingsvergunningplicht voor het veranderen van een gemeentelijk monument in de overgangsperiode na inwerkingtreding van de Omgevingswet tot 1 januari 2032. Eiseres in deze zaak heeft het college in 2023 verzocht om een kerk op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen, deze aanvraag is afgewezen, waartegen eiseres is bezwaar en nu beroep is gegaan. De bevoegdheid van de gemeenteraad om een pand als gemeentelijk monument aan te wijzen op grond van een erfgoedverordening is geregeld in artikel 3.16, eerste lid, van de Erfgoedwet, deze bevoegdheid blijft gelden tot 1 januari 2032. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken. De Wabo bevat bepalingen over, onder andere, het wijzigen van een gemeentelijk monument. De volgende vraag ontstaat hierdoor: wordt een op grond van een erfgoedverordening aangewezen gemeentelijk monument geconfronteerd met vergelijkbare beperkingen als de Wabo-bepalingen? Uit het overgangsstel volgt dat vergunning- of ontheffingplichten die onder de Wabo werden aangemerkt als Wabo-omgevingsvergunningplichten, in de periode tot 1 januari 2032 nog worden aangemerkt als omgevingsvergunningplichten. Hieruit volgt dat voor het slopen, verstoren of wijzigen van een gemeentelijk monument waarop de beperkingen van de Wabo van toepassing waren, hiervoor ook een omgevingsvergunning is vereist onder de Omgevingswet. Dit artikel is mede geschreven door Anne Verberne. Rutger Boogers 2 [post_title] => Jurisprudentie overzicht vierde maand Omgevingswet [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => jurisprudentie-overzicht-vierde-maand-omgevingswet [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-16 10:56:36 [post_modified_gmt] => 2024-05-16 08:56:36 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42135 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 42124 [post_author] => 71 [post_date] => 2024-05-14 15:25:54 [post_date_gmt] => 2024-05-14 13:25:54 [post_content] => Wereldwijd wordt er op verschillende manieren ‘van hogerhand’ gekeken hoe om te gaan met de explosie van generatieve AI (kunstmatige intelligentie) zoals ChatGPT en Midjourney. In Nederland is het tot nu toe vanuit de politiek en rechtspraak nogal rustig gebleven. Daar lijkt nu toch verandering in te komen.

Zelf liedjes maken met AI

Uit een rondvraag van het Algemeen Dagblad blijkt dat een meerderheid van de Tweede Kamer meer actie wil tegen – specifiek – het gebruik van stemmen en teksten van Nederlandse artiesten door AI. Dit vanwege populaire apps als Suno of Ubio waarmee je (onder andere) snel een liedje kunt maken met de stem van je favoriete artiest. De bedrijven achter de apps zijn niet transparant over hoe ze aan de stemmen en teksten (de input) komen. Ondanks dat ze aangeven de input rechtmatig te gebruiken, is het niet duidelijk wat hun bronnen zijn en hoe die verwerkt worden.

Auteursrechtinbreuk?

Generatieve AI zorgt voor veel onduidelijkheid binnen het auteursrecht. Dat is juridisch gezien ook waar de discussie in de vorige alinea over gaat. Momenteel vinden er over de hele wereld verschillende rechtszaken plaats over dit vraagstuk. Het is daarbij nog niet duidelijk of wat bovenstaande apps doen onder auteursrechtinbreuk kan vallen.

DSA en AI Act

De Nederlandse politiek is wel bezig met nieuwe wetgeving rondom AI. In de zomer van 2023 is de Digital Services Act (DSA) in de EU in werking getreden. Deze moet nog in de Nederlandse wet geïmplementeerd worden. Pas dan kan de Autoriteit Consument & Markt, de beoogde toezichthouder van de DSA, deze wetgeving ook in de praktijk gaan toepassen. Nederland loopt hiermee achter op veel andere EU-lidstaten. Het is echter nog niet zeker of apps als Ubio en Suno überhaupt onder deze regelgeving gaan vallen. In een breder kader kan de DSA wel helpen met het tegengaan van illegale content op platforms. De wet zou ook de invloed van grote internetbedrijven moeten inperken. Ook de Europese AI Act kan meehelpen in bovenstaande discussie. Lees hier meer over de inhoud daarvan.  In de praktijk moet nog blijken of de nieuwe regelgeving het gewenste effect zal bereiken. BG.legal is op de hoogte van de juridische ontwikkelingen van AI. Heb je vragen? Neem contact op met onze experts! Yvonne Vetjens 2 [post_title] => Ubio en Suno: Nederlandse politiek discussieert over auteursrecht en AI [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => ubio-en-suno-nederlandse-politiek-discussieert-over-auteursrecht-en-ai [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-14 15:25:54 [post_modified_gmt] => 2024-05-14 13:25:54 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42124 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 42114 [post_author] => 84 [post_date] => 2024-05-14 14:50:33 [post_date_gmt] => 2024-05-14 12:50:33 [post_content] => ‘Certified by Influencerregels.com’ is een nieuw keurmerk dat recent gelanceerd is op initiatief van de DDMA, BVA en Stichting Reclame Code (hierna: ‘SRC’). Influencers moeten een e-learning volgen en de daaropvolgende toets halen om het certificaat van Influencerregels.com te bemachtigen. Na het behalen van het certificaat, dat gratis is tot en met 31 augustus 2024, worden de deelnemers opgenomen in het register. Influencers die in het register zijn opgenomen, worden het hele jaar gemonitord door de SRC. Om hun certificering te vernieuwen, dienen de influencers ieder jaar de ge-update e-learning te volgen en de toets te halen. Wanneer zij niet aan de eisen voldoen, worden ze (weer) geschrapt uit het register en kunnen zij geen samenwerkingen meer aangaan met adverteerders die het certificaat vereisen.

Waarom dit certificaat?

Het certificaat is bedoeld om influencers te onderwijzen over wat wel en niet toegestaan is bij online promoties. Het certificaat verhoogt hun geloofwaardigheid en beschermt hen tegen mogelijke juridische consequenties. Door bekend te zijn met de geldende reclameregels, kunnen wettelijke misstappen en de daaraan gekoppelde sancties, zoals boetes of reputatieschade, voorkomen worden. Bovendien zorgt het voor meer transparantie op sociale media en gaat het sluikreclame tegen. Last but not least zorgt bovenstaande ook voor betere bescherming van de consument .

Wat houdt de e-learning in?

De e-learning duurt ongeveer 1.5 uur en behandelt belangrijke thema’s zoals:
  • de juiste manier om hashtags te gebruiken;
  • de regels voor het omgaan met gesponsorde content; en
  • de do's en don’ts van productpromotie.
De regelgeving ziet onder andere op betaalde samenwerkingen, gekregen producten en affiliate links en heeft daarmee ook betrekking op indirecte vormen van reclame. Daarnaast worden er specifieke reclameregels uitgelicht omtrent:
  • Reclame gericht op kinderen;
  • Reclame voor (ongezonde) (baby)voeding en voedingssupplementen;
  • Reclame voor cosmetica en cosmetische ingrepen;
  • Reclame voor geneesmiddelen;
  • Reclame voor online kansspelen, gokken en beleggen (in crypto);
  • Reclame voor sigaretten, vapes en alcohol; en
  • Het gebruik van nepreacties en neplikes.
Zo dienen claims over cosmetica goed onderbouwd te zijn en mogen foto's of video's niet zodanig bewerkt worden dat ze een onrealistisch beeld scheppen van de resultaten die met het product bereikt kunnen worden. Verder gelden de regels van de Mediawet voor content creators met meer dan 500.000 volgers of abonnees op YouTube, TikTok, of Instagram, die de afgelopen twaalf maanden minstens 24 video's hebben geplaatst waar ze aan verdienen en ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel. Deze creators moeten zich eveneens inschrijven bij het Commissariaat voor de Media.

Adverteerders willen alleen gecertificeerde influencers

Grote merken zoals Unilever, L'Oréal, TUI, Heineken, Kruidvat, McDonald’s, Nestlé en Coca-Cola hebben reeds aangegeven dat samenwerkingen in de toekomst enkel nog zullen plaatsvinden met gecertificeerde influencers. Voor een samenwerking met deze merken is het hebben van het certificaat dus verplicht. De verwachting is dat op den duur alle adverteerders op deze voorwaarde zullen overgaan. Bovendien steunen TikTok, Meta, Facebook, Instagram, Youtube en Google het initiatief, wat het belang van de certificering onderstreept.

Positief effect van certificaten

In Frankrijk heeft een vergelijkbaar certificeringsmechanisme ervoor gezorgd dat 98,95% van de influencers zich aan de regels houdt (terwijl het daarvoor slechts 78% was). Voor influencers in Nederland is het nu, meer dan ooit, essentieel om ervoor te zorgen dat zij hun activiteiten binnen de grenzen van de wet uitvoeren. Met het behalen van het certificaat kunnen ze aan adverteerders laten zien dat ze de regels serieus nemen en op een verantwoorde manier reclame maken. Door het nu aan te pakken, kunt u als influencer vooroplopen in verantwoordelijkheid en transparantie, eigenschappen die steeds meer gewaardeerd worden door zowel volgers als commerciële partners. Let wel: vanaf 31 augustus 2024 zal het behalen van het certificaat 50 euro kosten.

Advies

Onze expertise bij BG.legal in het reclamerecht en het intellectueel eigendomsrecht maakt ons bij uitstek geschikt om te adviseren en ondersteunen bij de naleving van de regelgeving in dit dynamische rechtsgebied. Ben je influencer, of juist adverteerder, en heb je vragen over het nieuwe influencer-certificaat? Of wil je advies over het reclamerecht of andere aspecten van het intellectueel eigendomsrecht? Neem dan contact met ons op. Mogelijk is de BG.legal Marketinghulplijn iets voor jou. Noa [post_title] => Influencers opgelet: influencer-certificaat verplicht [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => influencers-opgelet-influencer-certificaat-verplicht [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-14 14:50:33 [post_modified_gmt] => 2024-05-14 12:50:33 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42114 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 42079 [post_author] => 73 [post_date] => 2024-05-08 11:29:15 [post_date_gmt] => 2024-05-08 09:29:15 [post_content] => Strenge regels voor gezondheidsreclame: wat ondernemers moeten weten! Het maken van reclame voor gezondheidsproducten lijkt misschien simpel, maar er gelden strenge regels. De rechtbank Den Haag heeft onlangs een uitspraak gedaan in een zaak waarbij een ondernemer een boete kreeg voor het onrechtmatig aanbieden en reclame maken voor een product dat als geneesmiddel aan consumenten werd gepresenteerd. Dit artikel biedt inzicht in de regels rondom het aanbieden van gezondheidsproducten en het maken van reclame hiervoor, aan consumenten.

De uitspraak tegen ‘talbina’

In deze zaak had een ondernemer op zijn website het product ‘talbina’ aangeprezen als zijnde geschikt voor het genezen of voorkomen van verschillende ziekten en aandoeningen, zoals depressie, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Hiermee werd het product als een geneesmiddel gepresenteerd, waarvoor een handelsvergunning vereist is volgens de Geneesmiddelenwet. De ondernemer voerde aan dat de uitlatingen over het product voortkwamen uit religieuze overleveringen en dat het optreden van de toezichthouder, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, een inbreuk maakte op zijn recht op vrijheid van godsdienst. Het ging om de volgende uitlating: ‘rust schenkt aan het hart van de zieke en zijn verdriet verlicht’. De rechtbank oordeelde echter dat godsdienstige uitingen medische claims kunnen inhouden en dat de ondernemer in dit geval te ver was gegaan, waardoor het product de geneeskunde in was getrokken. De rechtbank achtte de opgelegde boete van € 6.412,50 evenredig en gerechtvaardigd, gezien de ernst van de overtreding en het gevaar dat personen door de medische claims zouden nalaten tijdig een arts te raadplegen.

Regels rondom publieksreclame voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten

  Reclame voor geneesmiddelen Producten die worden aangeprezen als zijnde geschikt voor genezen of voorkomen van ziekten, worden gezien als geneesmiddelen volgens de Geneesmiddelenwet. Hiervoor is een handelsvergunning van de overheid nodig. Alleen geneesmiddelen die zonder recept verkrijgbaar zijn, ook wel 'zelfzorggeneesmiddelen' of 'over-the-counter' geneesmiddelen genoemd, mogen in publieksreclame aan consumenten worden aangeprezen. Deze reclame moet vooraf worden goedgekeurd door de Keuringsraad en voldoen aan de Code voor Publieksreclame Geneesmiddelen. Uitingen met (impliciete) medische claims zijn verboden. Reclame voor gezondheidsproducten Voor gezondheidsproducten - zoals voedingssupplementen – mag wel reclame worden gemaakt , maar dan moet men zich houden aan de Code voor Aanprijzing van Gezondheid Gerelateerde Producten (hierna: de ‘Code’). Medische claims zijn niet toegestaan. Er is een lijst toegevoegd aan de Code met duizenden voorbeelden van toegestane en niet-toegestane gezondheidsaanprijzingen. Als je levensmiddelen wilt promoten met gezondheidsclaims, moet je voldoen aan zowel de Code als aan de Europese Claimsverordening. Reclame voor medische hulpmiddelen moet waarheidsgetrouw zijn en de eigenschappen van de hulpmiddelen mogen niet overdreven worden. Interacties tussen fabrikanten van medische hulpmiddelen en medisch professionals zijn geregeld in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen.

Conclusie

Het maken van reclame voor gezondheidsproducten is een juridisch mijnenveld. Deze uitspraak laat zien dat de regels rondom het aanbieden van gezondheidsproducten en het maken van reclame hiervoor strikt worden gehandhaafd. Ondernemers moeten uiterst zorgvuldig omgaan met medische claims en claims over gezondheidseffecten. Wees voorzichtig met uitspraken over ziektes genezen of voorkomen. Vraag tijdig een handelsvergunning aan als je product als geneesmiddel kan worden gezien. En houd je aan de branchecodes voor je productcategorie. Zo voorkom je boetes van de toezichthouders. Jody Esveldt 1 [post_title] => Strenge regels voor gezondheidsreclame [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => strenge-regels-voor-gezondheidsreclame [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-08 11:29:15 [post_modified_gmt] => 2024-05-08 09:29:15 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42079 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 42068 [post_author] => 65 [post_date] => 2024-05-08 10:07:53 [post_date_gmt] => 2024-05-08 08:07:53 [post_content] => In deze blogpost analyseren we een recente uitspraak van de Rechtbank Den Haag, die betrekking heeft op een geschil tussen de Turkse Payporter Odeme Hizmetleri ve Elektronik Para A.S. (hierna "Hizlipara") en de Nederlandse Morpara B.V. (hierna "Morpara"), over het gebruik van het merk 'PayPorter'.

Juridisch kader en geschilpunten

Het geschil draaide om de vraag of Hizlipara Morpara kon verbieden het teken 'PayPorter' te gebruiken na het uiteenvallen van hun zakelijke relatie. Hizlipara, die het geregistreerd beeldmerk in de Europese Unie (“Uniebeeldmerk”) voor 'PayPorter' had geregistreerd, claimde exclusieve rechten op het merk binnen de EU. Morpara verweerde zich door een beroep te doen op een ouder handelsnaamrecht van plaatselijke betekenis en vroeg om het merk van Hizlipara nietig te verklaren in Nederland.

Argumenten en verweren

  1. Ouder recht van plaatselijke betekenis: Morpara betoogde succesvol dat zij de naam 'PayPorter' al gebruikte in Nederland voordat Hizlipara het Uniemerk registreerde. Dit argument is cruciaal omdat artikel 138 lid 3 UMVo[1] bepaalt dat een merkhouder niet kan optreden tegen een ouder recht van plaatselijke betekenis indien dit recht erkend wordt door de nationale wetgeving.
  2. Gebruik van het merk: De rechtbank overwoog dat Morpara aantoonde dat zij de naam en het logo actief gebruikte in het economisch verkeer voordat Hizlipara haar Uniemerk deponeerde. Dit gebruik was voldoende om een ouder handelsnaamrecht te vestigen, wat essentieel was voor Morpara’s verweer.
  3. Nietigheidsverzoek van het Uniemerk: Morpara vroeg ook om het Uniemerk van Hizlipara nietig te verklaren. De rechtbank wees dit verzoek af omdat Morpara onvoldoende onderbouwd had dat zij in andere landen van de Europese Unie beschikte over een ouder recht waarmee zij het gebruik van het jongere Uniemerk door Hizlipara kon verbieden. De rechtbank bepaalde dat er onvoldoende bewijs was dat Morpara een ouder recht van méér dan plaatselijke betekenis had dat de nietigheid van het Uniemerk kon rechtvaardigen.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank wees de vorderingen van Hizlipara in conventie af, op grond dat Morpara een ouder handelsnaamrecht had dat erkend werd door de Nederlandse wetgeving. Dit recht was voldoende om Morpara toe te staan de naam 'PayPorter' te blijven gebruiken in Nederland. In reconventie slaagden de nietigheidsvorderingen van Morpara niet, behalve een gedeeltelijke toekenning van schadevergoeding voor het onrechtmatig handelen van Hizlipara. De rechtbank oordeelde dat Morpara’s claim over de nietigheid van het Uniemerk niet ondersteund werd door voldoende bewijs van een ouder recht van méér dan plaatselijke betekenis in andere EU-landen.

Conclusie

Deze uitspraak onderstreept het belang van het grondig onderzoeken van oudere rechten voor het registreren van een merk in de Europese Unie. De zaak toont aan dat lokale handelsnamen significant kunnen zijn in merkenrechtzaken en illustreert hoe complexe relaties en eerdere samenwerkingen tussen partijen invloed kunnen hebben op de uitkomsten van IE-geschillen. De beslissing benadrukt verder de noodzaak om duidelijke en eerlijke bedoelingen te hebben bij het registreren van merken, vooral wanneer eerdere zakelijke relaties bestaan die conflicterende rechten kunnen opleveren. Voor juristen en advocaten biedt deze zaak waardevolle inzichten in de behandeling van conflicten tussen merken en handelsnamen. Vragen over merken of handelsnamen? Neem dan contact op met Mustafa Kahya. [1] Uniemerkenverordening Mustafa Kahya nieuw 1 [post_title] => Oude handelsnaam tegen een jonger merk [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => oude-handelsnaam-tegen-een-jonger-merk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-08 10:07:53 [post_modified_gmt] => 2024-05-08 08:07:53 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42068 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 42051 [post_author] => 67 [post_date] => 2024-05-07 09:30:18 [post_date_gmt] => 2024-05-07 07:30:18 [post_content] => Recentelijk heeft de Advocaat-Generaal uitspraak gedaan over de vraag of een WHOA-akkoord ook een verplichting aan financiers op kan leggen om financiering te blijven verstrekken onder gewijzigde voorwaarden. De conclusie wordt in deze blog nader uiteengezet.

Inleiding

Sinds 1 januari 2021 is de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) van kracht. Deze wet maakt het voor ondernemers met een in de kern levensvatbare onderneming mogelijk om hun schulden te herstructureren buiten faillissement. Dit wordt gedaan door middel van het aanbieden van een akkoord dat bindend is voor alle in het akkoord betrokken schuldeisers en aandeelhouders. Zij doen door goedkeuring van het akkoord door een rechter meestal gedwongen afstand van een deel van hun rechten. Recentelijk werd in een WHOA-akkoord aan financiers echter ook de verplichting opgelegd tot het blijven verstrekken van (nieuwe) financiering onder gewijzigde voorwaarden. De vraag of dit al dan niet mogelijk is, wordt nu voorgelegd aan de Hoge Raad.

De casus

IHC Merwede Holding B.V. legt aan de rechtbank een WHOA-akkoord voor dat zij aan haar financiers heeft aangeboden. Onder het akkoord worden de lopende financiersvoorwaarden gewijzigd. Uit het akkoord volgt dat de financiers verplicht zijn om in de toekomst op grond van een reeds bestaande financieringsovereenkomst nieuwe financiering te blijven verstrekken. De rechtbank lijkt deze wijziging niet problematisch te vinden en keurt het WHOA-akkoord op 9 maart 2023 goed.

Cassatie in het belang der wet

De uitspraak van de rechtbank veroorzaakt een hoop opschudding. Over de vraag of de WHOA wel de mogelijkheid biedt om bestaande voorwaarden te wijzigen, zijn de meningen verdeeld. Omdat uit de wet volgt dat partijen zelf niet de mogelijkheid hebben om in beroep te gaan tegen de goedkeuring van het akkoord, wordt door de Procureur-Generaal cassatie ingesteld in het belang der wet. Hierdoor wordt de vraag of een WHOA-akkoord ook een verplichting op kan leggen tot het verstrekken van nieuwe financiering onder gewijzigde voorwaarden aan de Hoge Raad voorgelegd. Deze mogelijkheid strekt ertoe om meer duidelijkheid te creëren voor toekomstige gevallen: de huidige uitspraak van de rechter blijft er gewoon door in stand.

De conclusie van de Advocaat-Generaal

Voordat de Hoge Raad uitspraak doet, geeft één van de Advocaten-Generaal een juridisch advies over de kwestie in de vorm van een zogenoemde conclusie. Volgens Advocaat-Generaal Snijders biedt een WHOA-akkoord geen mogelijkheid om de voorwaarden van bestaande verplichtingen te wijzigen. Een WHOA-akkoord is een dwangregeling die wordt opgelegd aan schuldeisers, aandeelhouders en andere betrokkenen. Deze dwangregelingen kunnen volgens de Advocaat-Generaal dan ook alleen worden opgelegd als dit specifiek uit de wet voortvloeit. In de wettekst van de WHOA is echter geen bepaling opgenomen waaruit de mogelijkheid om een financieringsverplichting op te leggen onder gewijzigde voorwaarden voortvloeit. Daarnaast volgt uit de toelichting bij de WHOA dat de wetgever ook niet zo ver heeft willen gaan. De Advocaat-Generaal adviseert de Hoge Raad dan ook om het vonnis van de rechtbank in het belang der wet te vernietigen.

Conclusie

Volgens de Advocaat-Generaal kan een WHOA-akkoord geen bepaling bevatten waardoor aan financiers de verplichting wordt opgelegd om nieuwe financiering te blijven verstrekken onder gewijzigde voorwaarden. Dit volgt niet specifiek uit de wettekst van de WHOA en gaat voorbij aan de strekking van de wet. Het is nu aan de Hoge Raad om een definitief oordeel te vormen over de kwestie en zo meer duidelijkheid te creëren voor toekomstige gevallen. Bent u zelf betrokken bij een WHOA-akkoord en heeft u vragen over de inhoud daarvan? Neem dan contact op met één van onze WHOA-specialisten! Remco de Jong nieuw 1 [post_title] => Gedwongen financiering onder WHOA: is het mogelijk? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => gedwongen-financiering-onder-whoa-is-het-mogelijk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-07 09:30:18 [post_modified_gmt] => 2024-05-07 07:30:18 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42051 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 42040 [post_author] => 65 [post_date] => 2024-05-06 13:56:03 [post_date_gmt] => 2024-05-06 11:56:03 [post_content] => De “Aardappelgate” zoals het ED het beschrijft. Alhoewel de feiten in deze bij ons niet bekend zijn, baseren wij ons op wat in het onderstaande artikel van het ED staat.

Pieperpost programma

3FM (van Tom de Graaf en Joe Stam) heeft een programmaonderdeel genaamd Pieperpost, wat prima is. Maar wat 3FM heeft gedaan, zo begrijp ik, is onder de naam Pieperpost een aardappel te hebben verstuurd zonder verpakking. Laat het dan ook net zo zijn dat Pieperpost zijn merk heeft geregistreerd voor “versturen van gepersonaliseerde cadeaus per post”. De bedrijfsjurist van BNNVara meent dat het merk zich beperkt tot de waren en diensten waarvoor het is geregistreerd. In het BVIE[1] kennen we het sub-d inbreukgrond. Dit betekent dat het gebruik van het merk anders dan ter onderscheiding voor waren of diensten inbreuk kan vormen. Het gebruik moet afbreuk doen aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.

Pieperpost aardappelen

We kunnen stellen dat Pieperpost (nog) geen reputatie heeft opgebouwd in de Benelux. Laten we eerlijk zijn, hoeveel van ons waren bekend met Pieperpost? Dus kunnen we niet spreken van afbreuk op de reputatie van Pieperpost. Onderscheidend vermogen dan? Dit zal ook lastig worden. Zoals BNNVara ook aangeeft is het een beschrijvend merk voor de feitelijk aangeboden diensten. Pieper betekent namelijk aardappel. Het teken “aardappelpost” voor het versturen van aardappelen met een tekst, is best beschrijvend. Toch is het woord Pieperpost als merk geregistreerd. Uit de registratie zelf blijkt namelijk niet dat er sprake is van het versturen van aardappelen met teksten erop. Maar gezien het feitelijke gebruik is het de vraag of Pieperpost een doorhalingsprocedure zou overleven.

Kortom

De Aardappelgate loopt met een sisser af. Wat heeft Pieperpost hieraan gehad? Media-aandacht en bekendheid. Laten we eerlijk zijn. Als we voor de grap een bijzonder of grappig cadeau willen geven, is het versturen van een aardappel met een tekst daarop gepast. Heb je vragen over het merkenrecht, neem dan contact op met Mustafa Kahya. [1] Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom Mustafa Kahya nieuw 1 [post_title] => Aardappelgate van Pieperpost [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => aardappelgate-van-pieperpost [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-06 14:20:43 [post_modified_gmt] => 2024-05-06 12:20:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42040 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 42027 [post_author] => 67 [post_date] => 2024-05-03 10:36:45 [post_date_gmt] => 2024-05-03 08:36:45 [post_content] => De rechtbank Den Haag heeft recent een belangrijke uitspraak gewezen in de zaak van Container Centralen A/S tegen de curator van Quality Plants Europe (QPE). Deze zaak biedt inzicht in de complexe interactie tussen eigendomsrechten en intellectuele eigendomsrechten (IE-rechten) in faillissement. De beslissing benadrukt het belang van IE-rechten en hun bescherming, zelfs wanneer een onderneming failliet is verklaard.

Context

Container Centralen exploiteert twee rouleersystemen van containers die in de bloemen- en potplantenbranche worden gebruikt. Deze containers, zowel CC Containers als EC Containers genoemd, zijn uitgerust met identificatietekens, zoals RFID-labels. Deze tekens en labels zijn beschermd door middel van intellectuele eigendomsrechten. Container Centralen bezit de volgende IE-rechten die rusten op de containers: Na het faillissement van QPE werden zowel CC als EC Containers op het terrein van QPE aangetroffen door de curator, wat leidde tot een juridisch conflict over het eigendom van CC en EC Containers en de daarop rustende IE-rechten.

Het juridisch geschil

  1. Eigendomsrechten en identificatie van containers.
De rechtbank moest vaststellen of Container Centralen het eigendom van de aangetroffen containers kon claimen. Voor CC Containers kon niet specifiek worden aangetoond welke containers eigendom waren van Container Centralen, omdat deze onderdeel waren van een gesloten rouleersysteem waarin zowel CC Containers van Container Centralen rouleren als containers van derden. Container Centralen kan echter niet aantonen van welke individuele containers zij eigenaar is. Dit probleem speelde niet ten aanzien van de EC containers.
  1. Uitputting van IE-rechten.
Het centrale vraagstuk was of de IE-rechten op de containers waren uitgeput. De curator voerde aan dat door het in omloop brengen van de containers de IE-rechten waren uitgeput, waardoor het in de boedel viel en hij deze mocht verkopen. Deze stelling werd verworpen. Er kan volgens de rechtbank geen sprake zijn van uitputting, omdat de containers niet permanent in de handel waren gebracht, maar slechts deel uitmaakten van een (gesloten) rouleersysteem tussen Container Centralen en haar contractanten.
  1. Inbreuk op IE-rechten.
Doordat geen sprake was van uitputting op de IE-rechten mocht de curator de identificatiekenmerken (de IE-rechten) op de containers niet verwijderen zonder toestemming van Container Centralen. Als de curator de identificatiekenmerken wel zou verwijderen zonder toestemming van de merkhouder, dan vormt dit een inbreuk op de IE-rechten. Dit benadrukt de bescherming van IE-rechten zelfs na een faillissement. Dus, ondanks het feit dat de CC Containers in de boedel van de curator vallen, mocht de curator deze containers niet verkopen door de daarop rustende IE-rechten.

Analyse

Deze zaak belicht de noodzaak voor curatoren om zorgvuldig om te gaan met de activa van een failliet, waarop IE-rechten rusten. Hierbij zijn de volgende aspecten van cruciaal belang:
  • Juridische complexiteit: IE-rechten voegen een laag van complexiteit toe aan faillissementsprocedures. Curatoren dienen zich bewust te zijn van deze rechten en de juridische gevolgen van hun handelingen. Ondanks dat activa (waarop IE-rechten rusten) goederenrechtelijk gezien tot de boedel behoren, kunnen deze vanwege daarop rustende IE-rechten niet verkocht worden. Althans, in ieder geval niet zonder toestemming van de merkhouder.
  • Belang van overleg: Voordat er beslissingen worden genomen over de verkoop van activa, is overleg tussen de curator en merkhouder van wezenlijk belang om inbreuk en geschillen te voorkomen.
  • Risico’s en verantwoordelijkheden: Onjuiste afhandeling van IE-rechten of goederen waar IE-rechten aan verbonden zijn kan leiden tot significante juridische en financiële risico’s voor de boedel en mogelijk zelfs de curator persoonlijk.

Kortom

De uitspraak van de rechtbank Den Haag verduidelijkt het belang van het nauwkeurig inventariseren van IE-rechten in faillissementen. Goederen die in het faillissement vallen, maar waarop IE-rechten van derden rusten kunnen niet zonder meer door de curator verkocht worden. Deze zaak onderstreept dat. Vragen omtrent faillissement & herstructurering? Neem dan contact op met Remco de Jong. Voor vragen omtrent het intellectueel eigendomsrecht kunt u contact opnemen met Mustafa Kahya. Remco de Jong nieuw 1 [post_title] => Intellectueel eigendom, de vijand in een faillissement? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => intellectueel-eigendom-de-vijand-in-een-faillissement [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-03 11:04:00 [post_modified_gmt] => 2024-05-03 09:04:00 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42027 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 10 [current_post] => -1 [before_loop] => 1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 42144 [post_author] => 39 [post_date] => 2024-05-17 11:21:59 [post_date_gmt] => 2024-05-17 09:21:59 [post_content] => Mogelijk houden huurverhogingen in de vrije sector geen stand bij de rechter. Dit zou kunnen betekenen dat verhuurders geld moeten terugbetalen aan huurders, dit gaat dan om bedragen die zouden kunnen oplopen tot miljarden euro’s, zo wordt in de media gemeld. In dit artikel gaan we in op het jarenlang gevolgde uitgangspunt van huurverhogingsberekeningen en de potentiële gevolgen wanneer de Hoge Raad dit aanmerkt als een oneerlijk beding op grond van Europees recht.

Huurverhogingsberekening

Al jarenlang is het uitgangspunt om de jaarlijkse huurverhoging in de vrije sector te berekenen met een optelsom van de inflatie met daarbovenop een percentage opslag. Dit is het ‘huurverhogingsbeding’ dat kan worden opgenomen in de huurovereenkomst. In verschillende uitspraken werd echter door kantonrechters geoordeeld dat deze berekening in strijd is met de Europese Richtlijn die ziet op de bescherming van de consumenten tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten. Dit betrof tot nu steeds individuele zaken, waarbij er steeds eigen afwegingen werden gemaakt door de behandelende rechter. In januari heeft de Rechtbank Amsterdam echter prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van een rechter aan de Hoge Raad. Dit is mogelijk wanneer hetzelfde vraagstuk aan orde is in een groot aantal zaken. Het antwoord van de Hoge Raad is vervolgens richtinggevend en zal dus invloed hebben op de lopende en toekomstige zaken. De Hoge Raad buigt zich daarom nu over de vraag hoe de berekening van huurverhoging zich verhoudt tot de Europese Richtlijn.

Prejudiciële vragen

De volgende vragen zijn gesteld aan de Hoge Raad:
  • Kan een huurverhogingsbeding op grond waarvan de huurder bovenop de inflatie een opslag van maximaal 3 procent mag rekenen worden aangemerkt als een oneerlijk beding? Welke maatstaven gelden bij de beoordeling?
  • Wanneer een deel van het huurverhogingsbeding als oneerlijk is aan te merken, moet het beding dan in zijn geheel vernietigd worden, of is alleen het oneerlijke deel vernietigbaar?
  • Moet de rechter ingeval van een oneerlijk beding ook ambtshalve nagaan wat er vanaf het begin van de huurovereenkomst teveel is betaald en dat bedrag aftrekken van de gevorderde huurachterstand?
  • Kan de verhuurder zich beroepen op verjaring, wanneer de huurder de te veel betaalde huurverhogingen terugvordert?
  • Is er een andere beperking ten aanzien van de periode waarover de huurder de ten onrechte betaalde huurverhogingen kan terugvorderen?

Oneerlijk beding

Volgens de rechters was er om de volgende redenen sprake van een oneerlijk beding:
  • Een percentage opslag bovenop jaarlijkse inflatie kan het evenwicht tussen de huurder en de verhuurder verstoren.
  • Voor de opslag bestaat geen redelijke grond.
  • Er bestaat voor huurders geen reële mogelijkheid om over te stappen van leverancier van huurgenot door het huidige woningtekort.
Volgens vertegenwoordigers van huurders is het belangrijk dat huurovereenkomsten nu worden bekeken door de Hoge Raad. Dit is noodzakelijk voor transparante en eerlijke huurovereenkomsten en het tegengaan van willekeur bij huurverhoging.

Zorgen bij verhuurders

Het antwoord van de Hoge Raad kan betekenen dat verhuurders mogelijk jarenlang oneerlijke huurverhogingen rekenden, zij vrezen nu dan ook voor groot financieel nadeel. Wanneer een beding namelijk oneerlijk is kan dit worden vernietigd. Vernietiging houdt in dat er geen recht tot verhoging bestond, waardoor de te veel betaalde huur mogelijk kan worden teruggevorderd. Een vastgoedadviesbureau heeft het potentiële verbod op huurverhogingsbedingen zoals ze nu worden berekend en het terugdraaien van huurverhogingen met terugwerkende kracht doorgerekend. Dit komt uit op miljarden euro’s. Volgens vertegenwoordigers van verhuurders kan dit grote, nadelige impact hebben op de maatschappij. De combinatie van het verbod op een huurverhogingsbeding met als gevolg lagere huurinkomsten en de waardedaling van vastgoed zal volgens verhuurders directe gevolgen hebben voor de verduurzaming van de huurwoningen. Ook zal de vernietiging volgens hen leiden tot terughoudendheid van kapitaalverstrekkers die nodig zijn om nieuwe bouw te realiseren.

Concluderend

Het is onduidelijk wanneer de Hoge Raad met een uitspraak komt, pas wanneer dit zover is zal er meer duidelijkheid zijn over de toepassing van de Richtlijn en zal de eventuele impact van mogelijke terugbetalingsvorderingen en verjaringstermijnen blijken. Wij houden u natuurlijk op de hoogte van verdere ontwikkelingen. Dit artikel is mede geschreven door Anne Verberne. Michael de Marco 4 [post_title] => Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over huurverhogingen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => prejudiciele-vragen-aan-de-hoge-raad-over-huurverhogingen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2024-05-17 11:24:29 [post_modified_gmt] => 2024-05-17 09:24:29 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=42144 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 1326 [max_num_pages] => 133 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => [is_tag] => [is_tax] => 1 [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_favicon] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => 7decfeb1ad2ba5ddb922b55757854701 [query_vars_changed:WP_Query:private] => [thumbnails_cached] => [allow_query_attachment_by_filename:protected] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) [tribe_is_event] => [tribe_is_multi_posttype] => [tribe_is_event_category] => [tribe_is_event_venue] => [tribe_is_event_organizer] => [tribe_is_event_query] => [tribe_is_past] => [tribe_controller] => Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller Object ( [filtering_query:Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller:private] => WP_Query Object *RECURSION* ) )
Mogelijk houden huurverhogingen in de vrije sector geen stand bij de rechter. Dit zou kunnen betekenen dat verhuurders geld moeten terugbetalen aan huurders, dit gaat dan om bedragen die zouden...
Lees meer
Van Giel vs Tuymans Een aantal jaar geleden was er een in België geruchtmakende rechtszaak tussen de fotografe Katrijn van Giel en de schilder Luc Tuymans. Tuymans had een foto...
Lees meer
Inleiding Dit artikel is de vierde editie van onze jurisprudentiereeks over de Omgevingswet. In deze editie komt de rechtspraak uit april 2024 aan bod. Een belangrijke uitspraak in april werd...
Lees meer
Wereldwijd wordt er op verschillende manieren ‘van hogerhand’ gekeken hoe om te gaan met de explosie van generatieve AI (kunstmatige intelligentie) zoals ChatGPT en Midjourney. In Nederland is het tot...
Lees meer
‘Certified by Influencerregels.com’ is een nieuw keurmerk dat recent gelanceerd is op initiatief van de DDMA, BVA en Stichting Reclame Code (hierna: ‘SRC’). Influencers moeten een e-learning volgen en de...
Lees meer
Strenge regels voor gezondheidsreclame: wat ondernemers moeten weten! Het maken van reclame voor gezondheidsproducten lijkt misschien simpel, maar er gelden strenge regels. De rechtbank Den Haag heeft onlangs een uitspraak...
Lees meer
In deze blogpost analyseren we een recente uitspraak van de Rechtbank Den Haag, die betrekking heeft op een geschil tussen de Turkse Payporter Odeme Hizmetleri ve Elektronik Para A.S. (hierna...
Lees meer
Recentelijk heeft de Advocaat-Generaal uitspraak gedaan over de vraag of een WHOA-akkoord ook een verplichting aan financiers op kan leggen om financiering te blijven verstrekken onder gewijzigde voorwaarden. De conclusie...
Lees meer
De “Aardappelgate” zoals het ED het beschrijft. Alhoewel de feiten in deze bij ons niet bekend zijn, baseren wij ons op wat in het onderstaande artikel van het ED staat....
Lees meer
De rechtbank Den Haag heeft recent een belangrijke uitspraak gewezen in de zaak van Container Centralen A/S tegen de curator van Quality Plants Europe (QPE). Deze zaak biedt inzicht in...
Lees meer