Een lot uit de loterij! Of toch niet…?

12 dec 2016

Op 4 februari 2015 viel de straatprijs van de Postcodeloterij op onder andere twee loten van mevrouw Y. Zij won hiermee een prijs van in totaal € 50.000,-. Máár mevrouw Y was onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met de heer X, die op 1 april 2014 in staat van faillissement was verklaard. Wie maakt nu aanspraak op het prijzengeld? De curator van de heer X of mevrouw Y?

Artikel 61 van de Faillissementswet bepaalt dat in beginsel alle goederen die op naam van de heer X en mevrouw Y staan, in het faillissement van de heer X vallen en de curator dus aanspraak kan maken op deze goederen. Op grond van artikel 20 van de Faillissementswet geldt dit voor zowel de goederen en het vermogen dat op het moment van de faillietverklaring al in het bezit was van de heer X en mevrouw Y, als ook voor de goederen en het vermogen dat tijdens het faillissement door de heer X en mevrouw Y wordt verkregen.

Mevrouw Y heeft zich in de procedure beroepen op lid 4 van datzelfde artikel, welke bepaalt dat goederen die het gevolg zijn van een belegging van geld dat aan mevrouw Y toebehoort, uit het faillissement teruggenomen kunnen worden door mevrouw Y.

Op 29 juni 2016 oordeelde de rechtbank Oost-Brabant[1] over deze kwestie als volgt. Betaling van de maandelijkse bijdrage aan de Postcodeloterij geeft de deelnemer recht op een lot. Valt er vervolgens een prijs op het lot, dan heeft de deelnemer recht op uitbetaling van die prijs. Dit betekent dat die prijs het gevolg is van de belegging van gelden, namelijk de aankoop van het lot. De rechtbank oordeelde dan ook dat artikel 61 lid 4 van de Faillissementswet op de prijs van mevrouw Y van toepassing is.

De curator van de heer X merkt terecht op dat, voordat mevrouw Y het gewonnen prijzengeld kan terugnemen uit het faillissement van de heer X, zij moet bewijzen dat het prijzengeld ook daadwerkelijk aan haar toebehoort. Zij zal hiervoor moeten bewijzen dat zij eigenaar van het prijzengeld is én dat zij dit prijzengeld voor meer dan de helft met haar eigen middelen heeft gefinancierd.

De tenaamstelling van de bankrekening is in deze discussie niet relevant. Evenmin het feit dat mevrouw Y ook al voor het faillissement van de heer X vanaf deze rekening de loten van de Postcodeloterij betaalde. Beoordeeld moet worden of mevrouw Y de loten, waarmee de prijs is gewonnen, met meer dan de helft van haar eigen middelen heeft betaald.

Vanaf de datum van de faillietverklaring van de heer X, werden op de bankrekening zowel het salaris van de heer X als het salaris van mevrouw Y gestort. De bankrekening werd dus gezamenlijk gebruikt. Het gevolg hiervan is dat er vermenging is opgetreden en dat een gemeenschap is gecreëerd. Zowel de heer X als mevrouw Y hebben recht op hun aandeel in het saldo. Mevrouw Y dient daarom aan te tonen dat zij vanaf het moment van het gezamenlijke gebruik meer geld op de rekening heeft gestort dan de heer X. Mevrouw Y heeft in deze procedure geen stukken overgelegd waaruit deze conclusie getrokken kan worden. Nu dit een dwingende voorwaarde is om het prijzengeld uit het faillissement te kunnen terugnemen, wordt door de rechtbank aangenomen dat het prijzengeld in het faillissement van de heer X valt en dus toekomt aan de curator. In dit geval gold dus niet voor mevrouw Y: Winnen doe je bij de Postcodeloterij.

[1] Rb. Oost-Brabant 29 juni 2016, JOR 2016/345.

BG.legal