Per 1 juli 2016: Nieuwe bevoegdheden om op te treden tegen malafide bestuurders

28 jun 2016

 

De nieuwe Wet Civielrechtelijk Bestuursverbod (“WCB”) treedt op 1 juli 2016 in werking. Het doel van deze wet is om te voorkomen dat malafide (oud-)bestuurders ook in de nabije toekomst bestuurder of commissaris mogen zijn. Een bestuurder die een bestuursverbod krijgt opgelegd, mag vervolgens maximaal vijf jaar niet als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon fungeren. Zowel het Openbaar Ministerie als de curator kan de rechtbank vragen een bestuursverbod op te leggen. Wordt de bestuurder in strijd met het bestuursverbod alsnog als bestuurder of commissaris aangesteld, dan loopt hij het risico een dwangsom te moeten betalen. Bovendien is de aanstelling nietig.

De wet noemt de gevallen waarin zo’n verbod kan worden opgelegd.

A. Handelingen voor faillissement

Het eerste geval waarin een bestuurder het risico loopt een bestuursverbod opgelegd te krijgen, doet zich voor als de rechter heeft geoordeeld dat de bestuurder voor zijn handelen of nalaten aansprakelijk is (zogeheten bestuurdersaansprakelijkheid). Een tweede geval doet zich voor wanneer de bestuurder doelbewust paulianeuze rechtshandelingen heeft verricht waardoor schuldeisers zijn benadeeld. Ten slotte loopt een bestuurder risico als hij ten minste tweemaal eerder betrokken was bij een faillissement en hem daarvan een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.

B. Handelingen tijdens faillissement

De wet sanctioneert ook het handelen van een bestuurder tijdens faillissement. Wanneer de bestuurder in ernstige mate tekort schiet in de nakoming van zijn informatie- of medewerkingsverplichtingen, loopt hij eveneens het risico een bestuursverbod opgelegd te krijgen.

C. Fiscale handelingen

Wanneer de rechtspersoon van de bestuurder ook aan enkele fiscale verplichtingen niet voldoet, loopt hij het risico een bestuursverbod opgelegd te krijgen. Dit heeft betrekking op belastingen die bij wege van aanslag worden geheven. Dit risico doet zich ten eerste voor wanneer de rechtspersoon opzettelijk geen aangifte heeft gedaan of opzettelijk een onjuiste of onvolledige aangifte heeft gedaan. Ten tweede kan een bestuursverbod worden opgelegd als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Ten slotte kan een bestuursverbod opgelegd worden als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald.

Conclusie
Onrechtmatig handelen is van alle tijden. Met het in werking treden van de WCB worden de risico’s voor de bestuurders echter groter. Het valt te hopen dat bestuurders nogmaals nadenken voordat men hiertoe overgaat. Bovendien doen bestuurders er verstandig aan om bij twijfel informatie in te winnen. De toekomst zal echter moeten uitwijzen hoe vaak curatoren of het Openbaar Ministerie een beroep op de nieuwe bevoegdheden zullen doen.