Publicatie

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [paged] => 3
            [news-type] => publicatie
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [paged] => 3
            [news-type] => publicatie
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [category_name] => 
            [tag] => 
            [cat] => 
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 10
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [taxonomy] => news-type
            [term] => publicatie
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => news-type
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => wp_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [news-type] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => wp_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 28
            [name] => Publicatie
            [slug] => publicatie
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 28
            [taxonomy] => news-type
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 121
            [filter] => raw
        )

    [queried_object_id] => 28
    [request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  wp_posts.ID FROM wp_posts  LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT  JOIN wp_icl_translations wpml_translations
							ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
								AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type)  WHERE 1=1  AND ( 
  wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (28)
) AND wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft') AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR 0 ) AND wp_posts.post_type  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar' )  ) OR wp_posts.post_type  NOT  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar' )  ) GROUP BY wp_posts.ID ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC LIMIT 20, 10
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 12857
                    [post_author] => 8
                    [post_date] => 2018-11-01 14:30:58
                    [post_date_gmt] => 2018-11-01 13:30:58
                    [post_content] => In mijn praktijk komt het regelmatig voor dat degene die alimentatie zou moeten betalen aangeeft dat hij of zij wil stoppen met werken, of in ieder geval minder zou willen werken. De ander moet dan meer gaan werken, en heeft ook een verdiencapaciteit is een veelgehoorde kreet. In een mediation kun je middels het bespreken en zien van elkaars belangen en het gezamenlijk belang komen tot een voor beide partijen hanteerbare oplossing.

Bij echtscheidingen op tegenspraak speelt deze kwestie soms ook een rol, en soms nog wat heftiger. Zo had ik ooit een cliënte, die al 40 jaar gehuwd was met dezelfde man. De man bleef op een gegeven moment ineens thuis en dat gaf veel extra problemen. Zij was gewend haar eigen leven te leiden. De communicatie tussen partijen was slecht. Later tijdens de echtscheidingsprocedure bleek dat de man al met de Vut was gegaan en dus vrijwillig minder was gaan werken. Enigszins verbaasd over dit feit, nl de vrouw dacht dat de man in de ziektewet zat, werd in de uiteindelijke beschikking door de rechtbank rekening gehouden met zijn verminderde inkomen. De man mocht gebruik maken van de geldende vut -regeling.

In een ander geval had iemand minder geluk. Het ging om een man die internationale chauffeur was en in het zicht van de echtscheiding zijn baan had verruild voor een baan als nationale chauffeur en dus minder extra vergoedingen ontving. De rechtbank was in dit geval van mening dat er sprake was van verwijtbaar, herstelbaar inkomensverlies en hij zijn oude baan had kunnen behouden. In de uiteindelijke berekeningen ging de rechtbank uit van het hogere salaris bij het vaststellen van de alimentatie.

Een en ander is opnieuw bekrachtigd in een recente beschikking van het Hof Den Bosch. > Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30-08-2018 (pub. 03-10-2018), ECLI:NL:GHSHE:2018:3663
In dit geval had de man had zijn baan opgezegd en woont en werkt nu in Brazilië. Hij was zelfs inmiddels getrouwd met een Braziliaanse. Ook hier besliste het Gerechtshof, het is een eigen keuze van de man. Dat de man thans een aanzienlijk lager salaris verdient, dient volledig voor zijn rekening te komen. Zij hielden dus rekening met het oude hogere salaris.

Dus vrijwillig en verwijtbaar stoppen met werken of minder werken om de alimentatie minder te laten zijn zal in eerste instantie niet gehonoreerd worden. Daarbij is wel van belang of het verlies van het arbeidsinkomen herstelbaar is.

Er zal een doordacht plan moeten zijn of er moet sprake zijn van omstandigheden die buiten jezelf liggen, wil rekening gehouden worden met een vrijwillig en verwijtbaar minder inkomen. De andere kant is dat in de huidige rechtspraak er steeds meer rekening gehouden wordt met de verdiencapaciteit aan de zijde van de alimentatiegerechtigde. Ook die kan en wordt in staat geacht meer te gaan verdienen, waarbij de persoonlijke omstandigheden een rol spelen.

Gepubliceerd in 073Magazine, november 2018


                    [post_title] => Stoppen met of minder werken in verband met alimentatie?
                    [post_excerpt] => 
                    [post_status] => publish
                    [comment_status] => open
                    [ping_status] => open
                    [post_password] => 
                    [post_name] => stoppen-met-of-minder-werken-in-verband-met-alimentatie
                    [to_ping] => 
                    [pinged] => 
                    [post_modified] => 2020-01-28 08:56:09
                    [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:09
                    [post_content_filtered] => 
                    [post_parent] => 0
                    [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12857
                    [menu_order] => 0
                    [post_type] => post
                    [post_mime_type] => 
                    [comment_count] => 0
                    [filter] => raw
                )

            [1] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 17981
                    [post_author] => 18
                    [post_date] => 2018-10-31 16:35:01
                    [post_date_gmt] => 2018-10-31 15:35:01
                    [post_content] => 
Inleiding
In het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1776) draait het om de volgende feiten. Verweerder en eiseres zijn jarenlang bevriend geweest. Op een gegeven moment heeft verweerder aan eiseres verteld over een vriend die een erfenis had gekregen bestaand uit een huis en een stuk grond in Irak. Verweerder heeft daarbij aan eiseres verteld dat hij deze Irakese vriend financieel ondersteunde om de erfenis veilig te stellen en de grond te verkopen.   Op enig moment is eiseres geldbedragen aan verweerder ter beschikking gaan stellen. Verweerder zou deze geldbedragen doorleiden aan zijn Irakese vriend, die met de geldbedragen de erfenis veilig zou stellen en de grond zou verkopen. Eiseres zou de geldbedragen uiteindelijk met winst terugkrijgen.   Op 6 maart 2012 heeft eiseres aangifte gedaan bij de politie jegens verweerder ter zake van oplichting gepleegd in de periode van 1 januari 2011 tot 6 maart 2012. Tevens heeft eiseres bij e-mail van 8 maart 2012 verweerder gesommeerd om het inmiddels voorgeschoten bedrag van € 85.000,- voor 5 april 2012 terug te betalen, bij gebreke waarvan eiseres verdere stappen zou nemen. Gelet op het feit dat zowel verweerder als de Irakese vriend niets aan eiseres heeft terugbetaald, heeft eiseres vervolgens een gerechtelijke procedure gestart waarbij zij een bedrag van € 85.000,- terugvordert van verweerder. Zij stelt daarbij dat verweerder de door haar betaalde bedragen nooit heeft doorgeleid aan de Irakese vriend.  
Rechtbank
De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen partijen de impliciete afspraak heeft bestaan dat eiseres aan verweerder geld zou geven dat bestemd was voor de Irakese vriend en dat verweerder dit geld door zou geven aan de Irakese vriend. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast van zijn stelling dat hij de van eiseres ontvangen gelden inderdaad aan de Irakese vriend heeft afgegeven, zodat het ervoor moet worden gehouden dat verweerder dat laatste niet heeft gedaan, maar de gelden zelf heeft gehouden. De rechtbank heeft vervolgens de vordering van eiseres tot een bedrag van € 61.340,- toegewezen.  
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de vonnissen van de rechtbank vernietigd en heeft, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van eiseres afgewezen. Samengevat heeft het hof daartoe het volgende overwogen. Ook volgens het hof is er tussen partijen een overeenkomst van opdracht ontstaan. Daarbij is niet in geschil dat eiseres geldbedragen aan verweerder heeft gegeven die verweerder vervolgens zou doorleiden aan de Irakese vriend. Indien vast zou komen te staan dat verweerder het geld niet heeft doorgeleid aan de Irakese vriend maar zelf heeft gehouden, zoals door eiseres wordt gesteld, is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht aan de zijde van verweerder. Wanprestatie kan onder bijzondere omstandigheden tevens een onrechtmatige daad opleveren. De bewijslast van de stelling dat verweerder de gelden zelf zou hebben gehouden, rust ingevolge artikel 150 Rv op eiseres. Zij beroept zich immers op de rechtsgevolgen daarvan. Om te kunnen spreken van een onrechtmatige daad, moet sprake zijn van schade aan de zijde van eiseres en een causaal verband tussen het ontstaan van deze schade en het onrechtmatige handelen van verweerder. In dat kader overweegt het hof dat indien vast zou komen te staan dat verweerder het geld dat hij rechtmatig onder zich heeft verkregen, zelf heeft gehouden terwijl dat was bestemd voor de Irakese vriend, niet direct sprake is van schade aan de zijde van eiseres. Het is dan immers in beginsel niet eiseres die schade leidt, maar de Irakese vriend. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat eiseres zelf heeft aangegeven dat zij het geld ter beschikking heeft gesteld terwijl zij wist dat zij dit slechts onder de voorwaarde van verkoop van de grond en woning in Irak terug zou krijgen.   Naar het oordeel van het hof is eiseres niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat verweerder de gelden niet zou hebben doorbetaald aan de Irakese vriend. Bovendien is het hof van mening dat niet gebleken is dat eiseres haar geld uiteindelijk niet terug heeft gekregen door het niet doorleiden van de gelden door verweerder aan de Irakese vriend; niet vast staat dat indien de gelden wel doorgeleid zouden zijn, eiseres de door haar betaalde geldbedragen wel terug zou hebben ontvangen. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat een causaal verband tussen de schade en de onrechtmatige gedraging ontbreekt. Op grond van het voorgaande slaagt ook het beroep van eiseres op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst niet.  
Hoge Raad
Eiseres komt tegen voorgaand oordeel van het hof op in cassatie. Het eerste cassatieonderdeel ziet op feiten die eiseres in de feitelijke instanties niet heeft aangevoerd. Om die reden kan dit eerste onderdeel, bij gebrek aan feitelijke grondslag, niet tot cassatie leiden.   Het tweede cassatieonderdeel richt zich tegen het oordeel van het hof dat gesteld noch gebleken is dat er een causaal verband bestaat tussen het niet doorgeven door verweerder van de geldbedragen aan de Irakese vriend en het niet terugbetalen van deze bedragen door de Irakese vriend of verweerder aan eiseres. Eiseres is van mening dat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt (1) dat van schade voor eiseres niet meteen sprake is indien verweerder de voor de Irakese vriend bestemde gelden zelf heeft gehouden; (2) dat het dan immers in beginsel de Irakese vriend is die schade heeft geleden; en (3) dat dit temeer geldt omdat eiseres zelf heeft gesteld dat zij wist dat zij de gelden slechts onder de voorwaarde van verkoop van de grond en woning in Irak terug zou krijgen.   De Hoge Raad is het met eiseres eens. Hij overweegt dat indien de opdrachtnemer de van de opdrachtgever ter doorbetaling verkregen gelden voor zichzelf heeft behouden, de opdrachtnemer in de uitvoering van de opdracht tekort is geschoten. De opdrachtgever lijdt dan schade ten belope van die geldbedragen, ongeacht de bestemming die de opdrachtgever uiteindelijk aan de geldbedragen had toebedacht. De opdrachtnemer kan zich er in dat geval niet met succes op beroepen dat causaal verband ontbreekt tussen zijn handelen en de schade op grond dat de opdrachtgever de geldbedragen ook niet zou hebben teruggekregen bij correcte uitvoering van de opdracht. De klacht slaagt.   Het derde cassatieonderdeel richt zich tegen het oordeel van het hof dat ingevolge artikel 150 Rv op eiseres de bewijslast rust van haar stelling dat verweerder het geld zelf heeft gehouden.   Ook hier is de Hoge Raad het eens met eiseres. Op grond van artikel 7:403 lid 2 BW heeft de opdrachtnemer de verplichting om verantwoording te doen van de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten en rekening van de bij de uitvoering van de opdracht ten laste van de opdrachtgever uitgegeven gelden of ten behoeve van de opdrachtgever ontvangen gelden. Aangezien eiseres aan verweerder gelden heeft verschaft en verweerder zich er jegens eiseres op beroept dat hij over die gelden heeft beschikt overeenkomstig het doel waarvoor ze aan hem zijn verschaft, zal verweerder dus de door hem gestelde feiten te bewijzen. Ook deze klacht slaagt derhalve.  
Conclusie
Bij een overeenkomst van opdracht dient de opdrachtnemer op grond van artikel 7:403 lid 2 BW rekening en verantwoording af te leggen aan de opdrachtgever. Indien de opdrachtgever stelt dat er sprake is van wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad aan de zijde van opdrachtnemer, ligt het op de weg van opdrachtnemer om de door hem gestelde feiten te bewijzen. De bewijslast rust in dat geval dus, in afwijking van het bepaalde in artikel 150 Rv, op de opdrachtnemer. Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch Up to Date, 22 oktober 2018 [post_title] => Tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst van opdracht; wie draagt de bewijslast? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => tekortkoming-in-de-nakoming-van-een-overeenkomst-van-opdracht-wie-draagt-de-bewijslast [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:10 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17981 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 17104 [post_author] => 7 [post_date] => 2018-10-26 15:42:49 [post_date_gmt] => 2018-10-26 13:42:49 [post_content] => Een procespartij in bewijsnood, heeft een doeltreffend middel ter beschikking in de vorm van artikel 843a Rv, om met een beroep daarop inzage te krijgen in bepaalde bescheiden of daarvan zelfs een afschrift of uittreksel te krijgen. Zodoende kan voorzien worden in bewijs dat noodzakelijk geleverd moet worden in een procedure na het betrekken van processuele stellingen. Artikel 843b Rv geeft een procespartij, aan wie bewijs opgedragen is, een soortgelijk instrument voor het geval die procespartij wel over bewijsmiddelen beschikt heeft, maar die verloren is (denk aan een wederkerige overeenkomst die in tweevoud is opgemaakt door de debiteur en de crediteur, waarvan één van beiden die schriftelijke overeenkomst kwijt is, of aan een harde schijf die gecrashed is). Hoewel de tekst van het artikel niet de eis stelt van een rechtmatig belang, wordt er in het algemeen wel vanuit gegaan dat ook de partij die zich op artikel 843b Rv beroept, een rechtmatig belang moet hebben. Artikel 843a Rv duikt met enige regelmaat op in de rechtspraak omdat het vaak onjuist wordt toegepast of omdat het gebruikt wordt als een schot hagel. Fishing expeditions zijn niet toegestaan en een te ruim geformuleerde vordering wordt afgewezen. Een voorbeeld daarvan is Rechtbank Rotterdam, 19-12-2016, [ECLI:NL:RBROT:2016:10190]: r.o. 4.5: Ook het in de bodemprocedure op 21 september 2016 gewezen tussenvonnis is, gelet op het ingenomen standpunt van [eisers], van belang voor de beoordeling in dit kort geding. Tot slot is van belang dat volgens vaste rechtspraak artikel 843a Rv geen grond biedt voor een fishing expeditie. r.o. 4.8: Wat er ook zij van het aanbod van [gedaagden] om vrijwillig stukken af te geven, de vordering van [eisers] dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter, wanneer die gestelde vrijwillige bereidheid buiten beschouwing wordt gelaten, te worden afgewezen, omdat [eisers] onvoldoende rechtmatig belang heeft bij de gevorderde afgifte van stukken en (deels) sprake lijkt te zijn van een fishing expedition. Daarom is het goed dit artikel af en toe in de schijnwerpers te zetten om de lijn in de lagere rechtspraak vast te houden en ontwikkelingen daarin onder ogen te zien. Ook in 2018 zijn enkele uitspraken, zelfs van de Hoge Raad, voorbij gekomen die het bespreken waard zijn. Voor een goed begrip herhaal ik de tekst van het artikel.
Artikel 843a Rv
  1. Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
  2. De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
  3. Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
  4. Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
Wanneer een partij bekend is met de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel maar dit niet in zijn bezit heeft kan hij, wanneer hij deze in een procedure over zou willen leggen, een vordering op grond van artikel 843a Rv instellen. Deze vordering kan zowel in een lopende procedure worden ingesteld (door het opwerpen van een incident) als voorafgaand aan een procedure (bij wijze van voorziening in kort geding). Uit artikel 843a lid 1 Rv blijkt dat de verzoeker moet voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden: 1) de verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, en 3) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de aanvrager partij is. Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Met name dit lid ontbreekt in artikel 843b Rv en dat geeft ook het onderscheid aan. De partij die ooit over het bewijsmiddel beschikte maar het verloren is, mag vorderen dat die in dezelfde positie komt te verkeren als waarin die zich bevond vóór het bewijsmiddel verloren ging. Ook de eis van het partij zijn bij de rechtsbetrekking, waar artikel 843a Rv op ziet, is voor artikel 843b Rv om die reden niet van belang. Ook kan een verzoek op grond van 843a Rv niet worden ingewilligd, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Op deze situatie ziet het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:365). Op grond van artikel 6 EVRM heeft elke procespartij het recht een eigen processtrategie te voeren. De Hoge Raad zag hierin, in navolging van het Hof, reden de ingestelde exhibitievordering af te wijzen. Het Hof had overwogen: “Een aanspraak op inzage in correspondentie die is gewisseld tussen de advocaat van een procespartij en de door die advocaat geraadpleegde deskundige(n), maakt inbreuk op het recht van die partij om haar eigen procespositie te kunnen bepalen. Het gaat hier alleen om een medische analyse van bestaande gegevens, welke analyse niet door de Wet bescherming persoonsgegevens wordt beschermd. [eiseres] staan voldoende andere mogelijkheden ten dienste om zelf een deskundige duiding van die gegevens te verkrijgen. Dit is een afwijzing op grond van artikel 843a lid 4. De klacht dat het Hof niet de toetsingsmaatstaf van artikel 35 WBP gehanteerd had, werd gepasseerd omdat het een vordering betrof tot het verkrijgen van gegevens voor die specifieke procedure, niet om het verkrijgen van medische gegevens waar de WBP betrekking op heeft. Door overlegging van het volledige medisch dossier had de verweerder voldoende gegevens ter beschikking gesteld en was voor toewijzing van een verder strekkende vordering op grond van 843a Rv geen plaats. Hieronder zullen de drie kernpunten kort worden besproken.
(i) Rechtmatig belang
Een verzoeker heeft belang bij het opvragen van stukken als deze relevant zijn voor zijn rechtspositie. Het gaat daarbij in de eerste plaats om een bewijsbelang dat dient te corresponderen met de op hem rustende bewijslast. Het ligt daarbij op de weg van de verzoeker om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt. Het komt er hierbij in beginsel op aan of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt, doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. Betoogd wordt dat de verzoeker bij ieder opgevraagd bescheid een rechtmatig belang dient aan te tonen.
Jurisprudentie
Rechtbank Limburg, 30 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4925: r.o. 4.4: Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel, is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Rechtbank Rotterdam, 13-06-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4716: r.o. 4.4: Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel, is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3151: r.o. 4.2: [eisers 1 t/m 5] hebben hun vordering gebaseerd op het bepaalde in artikel 843a Rv en daaraan ten grondslag gelegd dat zij de informatie uit het dossier nodig hebben om hun vorderingen wegens aansprakelijkheid jegens de notaris en jegens hun zussen te kunnen onderbouwen. r.o. 4.8: Gezien de vorenstaande, uit de rechtspraak voortvloeiende norm is afgifte of inzage van een dossier van een notaris - kort gezegd - slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk. Dat met de afgifte aan dan wel de inzage door [eisers 1 t/m 5] van het dossier van de notaris een maatschappelijk belang gediend is dat zwaarder weegt dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en zo ja, waarin dit maatschappelijke (lees: niet het persoonlijke, alleen de betrokken partijen betreffende) belang in dit concrete geval is gelegen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken of inzichtelijk gemaakt. Reeds om die reden dient het door [eisers 1 t/m 5] gevorderde afgewezen te worden. Rechtbank Zeeland-West-Brabant,18 juli 2018, niet gepubliceerd (E. vs. M.): r.o. 3.52: E. grondt zijn vordering ten eerste op artikel 843a Rv. De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Hierbij gaat het om gevallen waarin de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is maar deze dat stuk niet in haar bezit heeft, terwijl zij het desbetreffende stuk bijvoorbeeld in een procedure zou willen overleggen. In Nederland bestaat geen algemene exhibitieplicht voor partijen, in die zin dat partijen jegens elkaar verplicht kunnen worden tot het verschaffen van informatie en documenten. Met het oog daarop verbindt artikel 843a lid 1 Rv aan de toewijsbaarheid van een vordering als de onderhavige drie cumulatieve voorwaarden. Ten eerste dient de eisende partij een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede moet de vordering 'bepaalde bescheiden' betreffen. Ten derde moet de eiser partij zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. r.o. 3.54: Voorop staat dat het vorderen van 'afgifte' van stukken op grond van dit artikel niet mogelijk is. Subsidiair vordert E. om inzage. Uit het betoog van E. volgt dat hij de gevorderde informatie wenst te verkrijgen omdat hij dan de executie uit hoofde van het arrest van het hof kan voortzetten. Artikel 843a Rv leent zich hier niet voor. De exhibitieplicht van voornoemd artikel dient een bewijsbelang, hetgeen hier ontbreekt. r.o. 3.58: Het recht kent een andere wijze van rechtsbescherming dan zoals E. die zoekt. Artikel 475 g Rv en de daarop volgende bepalingen bevatten diverse mogelijkheden informatie te verkrijgen van de schuldenaar, beslagenen en derden-beslagenen en regelen de gevolgen van niet of ondeugdelijk meewerken.
(ii) Bepaalde bescheiden
Nu er geen sprake is van een algemeen inzagerecht dient de verzoeker de opgevraagde bescheiden met naam en toenaam te benoemen. Deze specificering is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de verzoeker een rechtmatig belang heeft bij inzage. Een verzoek tot inzage in een ‘volledig cliëntendossier’ zal mede op deze grond worden afgewezen. De toelichting bepaalt dat het ook kan gaan om gegevens op andere gegevensdragers dan papier zoals film, foto, cd-rom, dvd, geluidsbanden, computerbestanden, e-mail, USB-stick, tachograafschijf.
Jurisprudentie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-07-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6544: r.o. 4.5: Uit art 843a Rv volgt dat voor toewijzing van deze vordering vereist is dat [appellante] de betreffende stukken tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. [appellante] heeft gemotiveerd betwist dat zij deze stukken onder zich heeft. Artikel 150 Rv brengt mee dat het aan [Curator] is om bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat [appellante] de beschikking heeft over de stukken waarvan afgifte wordt gevorderd. r.o. 4.9: Het hof komt op grond van hetgeen onder 4.5 - 4.8 is overwogen tot het oordeel dat thans onvoldoende is komen vast te staan dat [appellante] de bedoelde bescheiden tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. In verband met de aard van de procedure in kort geding zal [Curator] niet in de gelegenheid worden gesteld om via het doen horen van getuigen tot bewijs te worden toegelaten. Rechtbank Rotterdam, 13-06-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4716: r.o. 3.2: [gedaagde] vordert voor het geval de rechtbank wil ingaan op het inhoudelijke debat, dat de rechtbank Rabobank gelast het volledige dossier in het geding te brengen, teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen om, des nodig, adequaat verweer te voeren op inhoudelijke gronden. [gedaagde] voert daartoe aan dat sprake is van een onredelijk tijdsverloop en dat hij niet beschikt over het gehele dossier dat Rabobank onder zich heeft. In het bijzonder wenst [gedaagde] de beschikking te krijgen over de correspondentie tussen de advocaat van Rabobank en de deurwaarder die destijds de dagvaarding heeft betekend. r.o. 4.4: Een partij kan slechts bepaalde stukken vorderen. De stukken moeten in ieder geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of de eiser een rechtmatig belang heeft. De bescheiden hoeven niet zeer exact omschreven te worden, maar duidelijk moet wel zijn wat precies gevraagd wordt. De vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is. r.o 4.5: De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [gedaagde] om Rabobank te gelasten het volledige dossier in het geding te brengen moet worden afgewezen omdat de vordering van [gedaagde] niet voldoet aan het vereiste dat de stukken zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of [gedaagde] een rechtmatig belang heeft. [gedaagde] heeft immers geen enkel concreet stuk genoemd.
(iii) Aangaande een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is
Het bovengenoemde recht is enkel toegekend aan een verzoeker met betrekking tot bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Deze rechtsbetrekking kan ook uit onrechtmatige daad ontstaan. Het enkel hebben van een rechtens relevant belang is hierbij niet voldoende.
Jurisprudentie
Hoge Raad, 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834: r.o. 3.6.5: Noch uit de tekst van art. 843a lid 1 Rv zoals deze luidt sinds 1 januari 2002, noch uit zijn totstandkomingsgeschiedenis vloeit voort dat art. 843a lid 1 Rv tevens eist dat degene tegen wie de vordering is gericht, partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden is bevestigd dat de zinsnede in art. 843a lid 1 Rv “van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft” een verplichting schept voor eenieder, ongeacht of hij partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking. r.o. 3.6.6: Gezien het voorgaande kan een vordering op de voet van art. 843a lid 1 Rv worden ingesteld tegen wederpartijen bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking, en tegen derden die bij die rechtsbetrekking geen partij zijn.
Samenloop met artikel 22 Rv
De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Anderzijds kunnen partijen aan artikel 22 Rv geen rechten ontlenen, in de zin zoals artikel 843a Rv bedoeld is. Wat wel voor komt is het verzoek van partijen in de processtukken aan de rechtbank, om in het kader van artikel 22 Rv in het geding brengen van bepaalde stukken te eisen. Het blijft te allen tijde een discretionaire bevoegdheid van de rechter of dit verzoek ingewilligd wordt (Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014;6079).
Jurisprudentie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant,18 juli 2018, niet gepubliceerd (E. vs. M.): r.o. 3.55: E. baseert zijn vordering ten tweede op artikel 22 Rv. Dit artikel bepaalt — voor zover voor deze zaak van belang — dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure een partij kan bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. De stukken die E. op het oog heeft, hebben geen betrekking op de vorderingen die de rechtbank in de huidige zaak dient te beoordelen. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-07-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2997: r.o. 6.5.3.9: [geïntimeerde] heeft betwist dat de van [ex-partner] geleende gelden zich nog op (een van) haar bankrekening(en) bevinden. Zij stelt dat deze gelden “op” zijn, maar zij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Nu het, zoals blijkt uit de vordering in incident, gaat om bankrekeningen die enkel op naam van [geïntimeerde] staan, had het op haar weg gelegen deze stelling nader te onderbouwen aan de hand van bankrekening overzichten. [appellant] q.q. was hiertoe immers niet in staat. Het hof zal gelet op het voorgaande op grond van het bepaalde in art. 22 Rv [geïntimeerde] (ambtshalve) bevelen de volgende bescheiden over te leggen ….. Voor zover [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Vorderen
Artikel 843a Rv gaat in het eerste lid uit van “vorderen” van inzage, afschrift of uittreksel van de bedoelde bescheiden. Dat impliceert dat de bescheiden alleen opgevraagd kunnen worden in een dagvaardingsprocedure. Het is bepleitbaar dat ook in een verzoekschrift procedure de “vordering” ex artikel 843a Rv ingesteld kan worden.
Jurisprudentie
Rechtbank Noord-Holland 30 juni 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:5889: r.o. 3.8: De rechtbank oordeelt dat het bij verzoekschrift ingestelde verzoek ex artikel 843a Rv ontvangen kan worden. Hiertoe is het volgende redengevend. In de literatuur wordt wisselend gedacht over de vraag of een 843a-verzoek alleen bij dagvaarding of ook bij verzoekschrift kan worden ingesteld. Van doorslaggevende betekenis acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Hierin wordt geoordeeld dat artikel 223 Rv analogisch van toepassing is in verzoekschriftprocedures. Net als in de bepaling van artikel 843a Rv, wordt in deze bepaling de term ‘vorderen’ gebezigd. Blijkens het arrest heeft dit enkele feit niet in de weg gestaan aan overeenkomstige toepassing van de bepaling op verzoekschriftprocedures. Daarbij is overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet tegen die toepassing verzetten. De rechtbank oordeelt dat dit laatste eens te meer geldt voor de bepaling van artikel 843a Rv. Waar artikel 223 Rv staat in het deel van Rv dat expliciet handelt over de dagvaardingsprocedure, staat artikel 843a Rv in de afdeling voor “Enige bijzondere rechtsplegingen”, zodat eens te minder reden bestaat aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid uit te sluiten om een vordering ex artikel 843a Rv bij verzoekschrift in te stellen.
Kort geding
Een vordering ex artikel 843a Rv kan als incident in een lopende bodemprocedure ingesteld worden. Een beroep op artikel 223 Rv, wat voorziet in voorlopige voorzieningen tijdens een lopende bodemprocedure, voor het krijgen van inzage, afgifte of uittreksel van bepaalde bescheiden, zal worden afgewezen. Het bevel tot inzage heeft naar haar aard een definitief karakter en kan daarom niet gelden voor alleen de duur van het geding (vgl. Rb Midden-Nederland 17 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6832). Het is wel mogelijk een vordering ex artikel 843a Rv in te stellen in een afzonderlijk kort geding, zelfs als over de hoofdzaak al een bodemprocedure loopt. Natuurlijk spelen ook daar argumenten als onomkeerbaarheid van de vordering, wat zal leiden tot terughoudendheid. Daarom is het in kort geding meer nog dan in een bodemprocedure dat de vordering concreet, voldoende bepaalbaar en toegespitst wordt geformuleerd.
Jurisprudentie
Rechtbank Gelderland, 05-07-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2828: r.o. 3.1: [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter Thermen Bussloo veroordeelt over te gaan tot:
  1. het verstrekken van een afschrift aan [eiseres] van de NAW-gegevens inclusief de geboortedatum, het telefoonnummer en e-mailadres van de vrouwelijke medewerkster die ten tijde van het incident d.d. 21 december 2015 in Thermen Bussloo vrijwel direct ter plaatse kwam;
  2. het verstrekken van afschrift aan eiseres van de hierna sub 3.2 te noemen stukken dan wel dusdanige gegevens/bescheiden over een dusdanige periode als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
r.o 5.1: De rechtbank veroordeelt Thermen Bussloo om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis afschrift te verstrekken aan [eiseres] van: (i) de onderhoudshistorie (inclusief offertes, werkbonnen en facturen) van de whirlpool over de jaren 2015 en 2016; (ii)de geanonimiseerde ongevallenregistratie over de jaren 2015 en 2016. Vordering (gedeeltelijk) toegewezen. Rechtbank Amsterdam, 27-06-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4494: r.o. 3.1: Eiseres vordert: (4) GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij de minimumprijs ex paragraaf 3.7.2 van de aanbestedingsleidraad heeft bepaald; (5) GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij – vanwege de door CAF bij haar inschrijving ingediende motivering – tot de conclusie is gekomen dat CAF haar inschrijving niet abnormaal laag was. r.o. 4.5: GVB heeft ter zitting toegelicht dat het richtbedrag van 134 miljoen euro hoofdzakelijk is bepaald naar aanleiding van informatie verkregen uit de marktconsultatie, die is gehouden voorafgaand aan de onderhavige aanbesteding. Zoals hiervoor is overwogen heeft zij op basis van de door CAF gegeven toelichting voorshands in redelijkheid kunnen concluderen dat geen sprake is van een abnormaal lage prijs. Anders dan Alstom stelt, rust op GVB geen verdergaande (motiverings)verplichting. GVB is ook niet verplicht aan te tonen hoe zij precies tot het richtbedrag van 134 miljoen euro is gekomen. Vordering afgewezen.
Conclusie
Ook in 2018 heeft artikel 843a Rv de gemoederen aardig bezig gehouden, zoals blijkt uit dit beknopte jurisprudentieoverzicht. De conclusie moet zijn dat een vordering het beste in een lopende bodemprocedure kan worden ingesteld en dat die toegespitst geformuleerd wordt, om uit de sfeer van een fishing expedition te blijven. Daarbij dient per inzage, afgifte of uittreksel voldoende concreet en bepaalbaar uitgelegd te worden wat het rechtmatige belang bij het verkrijgen er van is en zal de eiser uit moeten leggen op welke wijze hij/zij partij is bij de rechtsbetrekking waar het over gaat. In alle gevallen zal de rechter beoordelen of het toewijzen van de vordering noodzakelijk is om bewijs te kunnen leveren, of dat daar op andere wijze in kan worden voorzien. Het komt dus vooral aan op zorgvuldig formuleren aan de voorkant, om teleurstelling aan de achterkant te voorkomen.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 5 oktober 2018. [post_title] => De Exhibitieplicht van artikel 843a Rv [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-exhibitieplicht-van-artikel-843a-rv [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:12 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17104 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 12766 [post_author] => 6 [post_date] => 2018-10-09 11:25:26 [post_date_gmt] => 2018-10-09 09:25:26 [post_content] =>
Inleiding
In mei van dit jaar heeft de NVWA de eerste pakketten kunstmatig vlees (hierna: “kweekvlees”), die bedoeld waren om te proeven in een restaurant[1], verzegeld. De NVWA stelt dat deze maatregel noodzakelijk was om te voorkomen dat consumenten van het restaurant het kweekvlees konden proeven terwijl de veiligheid van het product niet is gegarandeerd. De NVWA stelt dat kweekvlees een nieuw voedingsmiddel (hierna mede: “novel food”) is en dat kweekvlees nog niet is toegelaten als novel food[2]. Daarvoor moet het voldoen aan de eisen van de novel food regelgeving.
Wat is novel food?
Per 1 januari 2018 is de nieuwe novel food verordening in werking getreden[3]. De nieuwe verordening vervangt Verordening (EG) nr. 258/97 en Verordening (EG) nr. 1852/2001[4]. De nieuwe verordening heeft ook geleid tot een nieuw Nederlands warenwetbesluit[5]. Volgens de nieuwe regelgeving zijn novel food voedingsmiddelen (of ingrediënten) die binnen de Europese Unie vóór 15 mei 1997 niet in significante mate voor menselijke voeding werden gebruikt. Voorbeelden van novel food zijn:
  • Nieuwe voedingsmiddelen zoals bijvoorbeeld Chondroïtinesulfaat (een suikerverbinding) dat in de handel wordt gebracht als voedselingrediënt voor gebruik in voedingssupplementen[6].
  • Traditionele levensmiddelen die in landen buiten de Europese Unie al wel werden gegeten, maar nog niet binnen de Europese Unie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan chia seeds[7] en bepaalde insecten.
  • Voedingsmiddelen die zijn verkregen uit nieuwe bronnen of die zijn geproduceerd volgens een nieuwe methode. Denk daarbij bijvoorbeeld aan champignons die met UV zijn behandeld waardoor ze (meer) vitamine D hebben[8][9]. Of aan voedingsmiddelen die zijn geïsoleerd of gekweekt uit dierlijk of plantaardig materiaal of uit micro-organismen, schimmels of algen. Of aan levensmiddelen die bestaan uit technisch vervaardigd nanomateriaal (zo is bijvoorbeeld titaniumdioxide (TiO2/E171) als kleurstof goedgekeurd voor gebruik in voedingsproducten[10]).
Bij kweekvlees worden stamcellen van bijvoorbeeld een koe opgekweekt tot kleine stukjes spiervezel. Genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen vallen niet onder deze verordening maar onder Verordening (EG) nr. 1829/2003[11].
Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen
Nieuwe voedingsmiddelen moeten eerst een procedure volgen om toegelaten te worden. Alle toegelaten nieuwe voedingsmiddelen worden geplaatst op een zogenaamde Unielijst. Alleen nieuwe voedingsmiddelen die op de Unielijst zijn opgenomen mogen in de Europese Unie in de handel worden gebracht of in levensmiddelen worden gebruikt. In de Unielijst wordt ook opgenomen of er eventuele toelatingsvoorwaarden bestaan. Zo is in het besluit ten aanzien van Chia vermeld[12]: “Chia-olie (Salvia hispanica) zoals gespecificeerd in bijlage I mag als nieuw voedselingrediënt in de handel worden gebracht voor de toepassingen en bij de maximumconcentraties die in bijlage II zijn vastgesteld. In de etikettering van de voedingsmiddelen die de bij dit besluit toegelaten chia-olie bevatten, wordt dit ingrediënt aangeduid als „Chia-olie (Salvia hispanica)”. Alle levensmiddelen die zijn toegelaten als novel food staan vermeld in een online novel food catalogus van de Europese Unie[13]. Wanneer een novel food daar niet staat vermeld, zoals het geval is met kweekvlees, dan moet eerst om opname op deze Unielijst worden verzocht.
Wat zijn de voorwaarden voor acceptatie?
Wanneer een producent twijfelt of een nieuw voedingsmiddel al is toegelaten, dient hij, volgens de verordening, allereerst de lidstaat waar hij het nieuwe levensmiddel voor het eerst in de handel zou willen brengen te raadplegen. In Nederland dient daarvoor de NVWA te worden geraadpleegd. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op wanneer een nieuw voedingsmiddel zonder de vereiste Europese toestemming op de markt wordt gebracht. De NVWA heeft dit zo bepaald ten aanzien van kweekvlees. Een producent zou ook de raadplegingsprocedure bij de Commissie kunnen volgen om vast te stellen of een voedingsmiddel een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283[14]. De uitkomst van een dergelijke procedure wordt openbaar gemaakt en opgenomen in de novel food catalogus. Daarbij wordt bij iedere stof / product een kenmerk geplaatst:
  • Voedingsmiddelen in deze catalogus met een wit kruis op een rood vlak mogen niet worden verhandeld.
  • Ingrediënten met het label FS in witte letters op een blauw vlak zijn niet 'novel' als ze in voedingssupplementen zitten, maar wel als ze in andere levensmiddelen zijn gebruikt.
  • Ingrediënten met een wit vinkje op een groen vlak zijn niet 'novel'.
              Volgens de novel food verordening wordt novel food alleen geaccepteerd en op de Unielijst geplaatst indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het levensmiddel levert volgens de beschikbare wetenschappelijke bewijzen geen veiligheidsrisico voor de menselijke gezondheid op; b. het beoogde gebruik van het levensmiddel is niet misleidend voor de consument, vooral indien het levensmiddel bedoeld is ter vervanging van een ander levensmiddel en de voedingswaarde ervan een significante verandering ondergaat; c. indien het levensmiddel bedoeld is ter vervanging van een ander levensmiddel, verschilt het daar niet zodanig van dat de normale consumptie ervan uit voedingsoogpunt nadelig voor de consument is.
Hoe verloopt de toelatingsprocedure?
De toelatingsprocedure verloopt Europees. Een aanvraag voor markttoelating in de Europese Unie van een nieuw voedingsmiddel moet elektronisch worden ingediend bij de Europese Commissie. Er zijn twee verschillende aanvraagprocedures:
  • Toelatingsprocedure voor een nieuw voedingsmiddel en het actualiseren van de Unielijst ((EU) 2017/2469[15]), en
  • Procedure voor kennisgeving van een traditioneel levensmiddel uit een derde land en actualiseren van de Unielijst ((EU) 2017/2468[16]).
Wanneer de Commissie een aanvraag ontvangt, dan kan zij de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA) om advies vragen. De EFSA is een Europees agentschap dat onafhankelijke wetenschappelijke adviezen verstrekt over alle aangelegenheden die direct of indirect van invloed zijn op de voedselveiligheid van mens en dier. Een novel food wordt alleen toegelaten wanneer een veiligheidsdossier conform 2017/2468 dan wel 2017/2469 door de EFSA positief is beoordeeld en toelating door de Europese Commissie is goedgekeurd. Bij de beoordeling van de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen onderzoekt de EFSA: a. of het betrokken nieuwe voedingsmiddel even veilig is als levensmiddelen van een vergelijkbare categorie die al in de Unie in de handel zijn gebracht; b. of de samenstelling van het nieuwe voedingsmiddel en de gebruiksvoorwaarden geen veiligheidsrisico voor de menselijke gezondheid in de Unie vormen; c. of een nieuw voedingsmiddel dat bedoeld is ter vervanging van een ander levensmiddel daarvan niet zodanig verschilt dat de normale consumptie ervan uit voedingswaardeoogpunt nadelig voor de consument is. De EFSA moet binnen negen maanden een wetenschappelijk advies uitbrengen. Deze termijn dient om een voortvarende behandeling van aanvragen te waarborgen. Deze termijn kan in bepaalde gevallen worden verlengd (zoals bijvoorbeeld in het geval informatie die nodig is, ontbreekt). Na de publicatie van een (positief) advies van de ESFA beslist de Commissie binnen 7 maanden op de aanvraag. Traditionele levensmiddelen uit derde landen die aan bepaalde vereisten voldoen, kunnen een versnelde toelatingsprocedure doorlopen.
Monitoring na het in de handel brengen
De verordening bepaalt dat de Commissie voorschriften kan opleggen, om redenen van voedselveiligheid en om rekening te houden met het advies van de EFSA, om het novel food te monitoren nadat het in de handel is gebracht. Dit om erop toe te zien dat de door de EFSA in de risicobeoordeling vastgestelde veilige grenzen van gebruik, niet worden overschreden.
Openbaarheid van gegevens
Een aanvraag voor toelating van een novel food is openbaar. Het wetenschappelijk advies van EFSA is ook openbaar. Dat kan betekenen dat concurrentiegevoelige gegevens daardoor openbaar worden. Daarom kan de aanvrager verzoeken om vertrouwelijke behandeling van bepaalde informatie die hij uit hoofde van de aanvraag verstrekt, wanneer openbaarmaking van die informatie zijn concurrentiepositie zou kunnen schaden. De aanvrager moet concreet aangeven voor welke delen van de informatie vertrouwelijkheid wordt gevraagd. De aanvrager moet ook alle (verifieerbare) informatie verstrekken die de Commissie nodig heeft om het verzoek te kunnen beoordelen. De volgende gegeven worden niet vertrouwelijk behandeld: de naam en het adres van de aanvrager, de benaming en een beschrijving van het nieuwe voedingsmiddel, de voorgestelde gebruiksvoorwaarden voor het nieuwe voedingsmiddel, een samenvatting van de door de aanvrager ingediende studies, de resultaten van de studies die zijn uitgevoerd om de veiligheid van het levensmiddel aan te tonen, indien van toepassing, de analysemethode(n) en ieder verbod dat of iedere beperking die door een derde land met betrekking tot het levensmiddel is opgelegd. Wanneer de aanvrager daar gemotiveerd om verzoekt, dan kunnen recentelijk ontwikkelde wetenschappelijke bewijzen of wetenschappelijke gegevens ter ondersteuning van de aanvraag gedurende vijf jaar vanaf de datum van toelating van het nieuwe voedingsmiddel niet zonder toestemming van de oorspronkelijke aanvrager voor een volgende aanvraag gebruikt.
Kansen voor (het profiteren van) innovatie (door een concurrent)
Onder de oude regelgeving vond de beoordeling van een novel food nationaal plaats. In Nederland door het Bureau Nieuwe Voedingsmiddelen van het College ter beoordeling van geneesmiddelen. Wanneer een novel food in een andere lidstaat al op de markt was dan moest een producent onderbouwen dat het ‘substantially equivalent’ was aan het product dat hij op de markt wilde brengen. Dit moest met wetenschappelijk bewijs worden onderbouwd. Onder de nieuwe regelgeving is dit veel eenvoudiger. Wanneer een novel food op de Unielijst staat dan kan eenieder het novel food in de handel brengen. Het idee is dat dit ervoor zorgt dat ook kleine en middelgrote bedrijven novel food op de markt kunnen brengen zonder te hoeven investeren in dure, en tijd consumerende toelatingsprocedures. Dat moet een boost geven aan innovatie in food. Dit gaat dus alleen op wanneer er al toelating is als novel food.
Wat is er gewijzigd sinds 1 januari 2018?
Tot 1 januari 2018 was de oude verordening (EG) 258/97 van toepassing. De belangrijkste veranderingen onder de nieuwe verordening zijn:
  • de toelating als novel food is niet langer per lidstaat geregel, maar vindt Europees plaats.
  • de veiligheidsbeoordeling vindt plaats door de EFSA (in plaats van een nationale instantie).
  • een nieuwe, snellere procedure om traditionele voedingsmiddelen uit niet-EU landen, die in de EU als novel food worden beschouwd, in de handel te kunnen brengen.
  • een verduidelijking van de definitie van een novel food door een verwijzing naar de algemene definitie van levensmiddelen in Verordening (EG) nr.178/2002 (General Food Law).
  • een Unielijst met goedgekeurde novel foods. Zodra een novel food op deze lijst staat mag eenieder het novel food op de markt brengen.
Conclusie
Naar aanleiding van de handhavingsmaatregelen van de NVWA ten aanzien van het kweekvlees, zijn er Kamervragen gesteld. De Minister heeft op 11 juni 2018[17] geantwoord dat ook voor kweekvlees eerst moet worden vastgesteld dat consumenten het veilig kunnen eten. Tot dat moment mag het ook niet geproefd worden. Op dat moment was er nog geen aanvraag ingediend voor toelating van kweekvlees in het kader van de novel food regelgeving. Inmiddels heeft het Nederlandse bedrijf Mosa Meat via fundraising EUR 7.5 miljoen opgehaald om kweekvlees op de markt te brengen. Het bedrijf moet nu eerst de Europese toelatingsprocedure gaan volgen. Het bedrijf verwacht dat het nog wel anderhalf tot twee jaar duurt voordat kweekvlees als novel food is toegelaten. Men hoopt het kweekvlees in 2021 kweekvlees op de markt brengen. De eerste stappen voor het ontwikkelen van kweekvlees zijn al lang geleden gezet. In 1999 kreeg de grondlegger een octrooi voor een kweektechniek waarmee dierlijke cellen in spierweefsel veranderen. In 2013 presenteerde hoogleraar M. Post de eerste kweekburger. Nu hoopt het bedrijf dat in 2021 de eerste kweekburger op de markt kan worden gebracht. Dit alles betekent dat bedrijven die innovatieve, nieuwe voedingsmiddelen op de markt willen brengen, zich in een vroegtijdig stadium moeten afvragen of sprake is van novel food onder de nieuwe novel food verordening. Wanneer dit het geval is dan zal tijdig de toelatingsprocedure moeten worden gestart om teveel tijdverlies te voorkomen. Daarbij geldt dat de snelheid van afwikkeling van de aanvraag mede wordt bepaald door de kwaliteit en volledigheid van het door de aanvrager ingediende veiligheidsdossier. Daarbij zal met name beoordeeld worden of het voedingsmiddel veiligheidsrisico’s of misleiding voor consumenten oplevert. Verder is het voor ‘meelifters’ nu makkelijker om toegelaten novel food op de markt te brengen. [1] restaurant De Hoop op d’Swarte Walvis bij de Zaanse Schans: https://zaanstad.nieuws.nl/actueel/15946/inwoonster-vraagt-formerende-partijen-om-aandacht-zaans-kweekvlees/ [2] https://www.nvwa.nl/nieuws-en-media/actuele-onderwerpen/eerdere-actuele-onderwerpen/kweekvlees-mag-worden-verhandeld-als-het-veilig-is [3] Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen [4] Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie [5] Besluit van 14 november 2017, houdende regels inzake nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen (Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen) [6] https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/safety/docs/novel-food_authorisation_2017_auth-letter_chondroitin-sulphate_nld_nl.pdf [7] https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/safety/docs/novel-food_authorisation_2017_auth-letter_chia-seeds-ext-steri_en.pdf [8] https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/safety/docs/novel-food_authorisation_2017_auth-letter_uv-mushrooms_en.pdf [9] https://www.cbg-meb.nl/documenten/rapporten/2017/09/20/beoordelingsrapport-uv%E2%80%93behandelde-champignons [10] https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2016.4545 [11] Verordening (EG) Nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders [12] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32013D0050&from=NL [13] https://ec.europa.eu/food/safety/novel_food/catalogue_en [14] Uitvoeringsverordening (EU) 2018/456 van de Commissie van 19 maart 2018 betreffende de procedurele stappen van de raadplegingsprocedure om vast te stellen of een voedingsmiddel een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32018R0456&from=NL [15] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32017R2469&qid=1515763889545&from=en [16] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32017R2468&qid=1515763757973&from=en [17] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/06/11/beantwoording-kamervragen-over-het-artikel-%E2%80%98kweekvlees-is-er-maar-we-mogen-het-niet-proeven%E2%80%99 Gepubliceerd in Juridisch up to Date, nummer 16, 21 september 2018 [post_title] => Kweekvlees moet eerst voldoen aan eisen novel food regelgeving [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => kweekvlees-moet-eerst-voldoen-aan-eisen-novel-food-regelgeving [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:17 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:17 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12766 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 12725 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-09-26 15:56:03 [post_date_gmt] => 2018-09-26 13:56:03 [post_content] => Als een van beide partners een eigen zaak heeft en u gaat scheiden, kan dat heel ingewikkeld zijn. Soms moeten partners de waarde van het bedrijf verdelen. Het ligt eraan wat u bij het trouwen of samenwonen heeft afgesproken.Als u getrouwd bent in gemeenschap van goederen, is een bedrijf altijd gemeenschappelijk eigendom. Bij een scheiding moeten mensen alles gelijk verdelen, dus óók de onderneming. Het maakt niet uit of het om een bv, een eenmanszaak of een vof gaat. Dit kan anders zijn als u op huwelijkse voorwaarden gehuwd bent. Ook dan kan een verrekening van de waarde aan de orde zijn, bv omdat u nooit verrekend heeft, terwijl dat wel had gemoeten.  Voordat mensen tot een verdeling kunnen komen, moet de waarde van het bedrijf bekend worden. Veel factoren spelen een rol bij het bepalen van de waarde van een onderneming. Wat voor soort zaak heeft u? Heeft u een eenmanszaak: deze valt volledig onder gemeenschap van goederen en moet dus in z’n geheel worden verdeeld. Vof met beide partners: Een vennootschap onder firma (vof) is een onderneming van twee of meer personen. Een vof die eigendom is van beide partners, valt volledig onder de gemeenschap van goederen. Blijft na de scheiding slechts één van de partners bij het bedrijf werken, dan moet een notaris de rechtsvorm omzetten naar een eenmansbedrijf. De waarde van de vof moet in z’n geheel worden verdeeld, voordat dit kan worden omgezet. Het bepalen van de waarde van een vof vraagt specialistische kennis en is van meerdere factoren afhankelijk. Zijn er andere partners in de vof ? Dan valt alleen het deel van uw partner in de gemeenschap van goederen. Besloten vennootschap (bv):Een bv bestaat uit aandelen. Die aandelen moeten bij een scheiding gelijk worden verdeeld, maar vaak zijn de aandelen persoonlijk aan de ondernemende partner verbonden. De ondernemende partner moet in dat geval zijn partner ‘uitkopen’. Dit betekent dat hij aan zijn ex-partner de waarde van de aandelen betaalt, waar de ex-partner door de scheiding recht op heeft . Een onafhankelijke accountant bepaalt de waarde van de aandelen. Meerdere factoren spelen bij deze waardebepaling een rol. Bestaansrecht van het bedrijf in de problemen? Het is verstandig als partners elkaar bij een scheiding iets gunnen, hoe lastig dat in praktijk soms ook is. Dit geldt ook wanneer een eigen bedrijf onderdeel vormt van de scheiding. Een gelijke verdeling kan soms niet worden uitgevoerd zonder dat hier problemen uit voortkomen. Een uitgangspunt bij de verdeling -voor de wet- is het bestaansrecht van het bedrijf. Komt het bedrijf door de verdeling in het gedrang, dan kan dat ook gevolgen hebben voor eventuele alimentatie-afspraken. De draagkracht van de ondernemer neemt immers af doordat hij met zijn bedrijf in financiële problemen komt. Hier lijdt uiteindelijk ook de andere partner onder. Gepubliceerd in 073 Magazine, oktober 2018 [post_title] => Scheiden en een eigen zaak [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => scheiden-en-een-eigen-zaak [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:23 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:23 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12725 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 12614 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-09-04 13:54:17 [post_date_gmt] => 2018-09-04 11:54:17 [post_content] =>   Op 14 september a.s. vindt de Dag van de Scheiding plaats. Deze wordt georganiseerd door de Vereniging familierechtadvocaten en scheidingsmediators, de vFAS. Veel advocatenkantoren stellen hun deuren open zodat u hen kunt bezoeken en vragen kunt stellen. Deze dag is er niet om het scheiden te stimuleren, maar om er aandacht voor te vragen dat Scheiden een zorgvuldig proces is waarbij oog moet zijn voor alle aspecten van de echtscheiding, zowel de emotionele als de zakelijke. Het geeft een mogelijkheid om geheel vrijblijvend vragen te stellen aan deskundigen.Op 14 september gaan ook al onze deuren in Vught, Boxtel, Oisterwijk, Tilburg en Son van 09.00 uur tot 14.00 uur open om u te ontvangen. Dit kost niets. Omdat wij advocaten zijn, hebben wij ons te houden aan de regels van de Orde van Advocaten. Wij voldoen aan de gestelde opleidingseisen en handelen conform de normen en gedragsregels van de Orde van advocaten. Daarom zal onze secretaresse eerst uw naam willen weten, zodat er gecheckt kan worden op tegenstrijdig belang. Ook geeft de Dag van de Scheiding de mogelijkheid om kennis te maken met één van onze vFAS-mediators. Indien u van plan bent om te komen, adviseren wij u wel om samen te komen. Het is een mediator niet toegestaan om eerst inhoudelijk met de een te spreken en dan inhoudelijk met de ander. Mediation is een open proces waar iedereen moet weten wat de anderen te zeggen hebben. Op andere dagen kunt u ons kantoor natuurlijk bellen voor een afspraak. Wij staan voor u klaar. Kijk ook eens bij familierecht voor een vaste prijs. Geen verrassingen achteraf, snel en deskundig, zodat je weet waar je aan toe bent. Wij heten u van harte welkom op 14 september van 9.00 tot 14.00 uur. Vught: Sint Michielsgestelseweg 8, 5261 NH, tel: 088-1410800 Boxtel: Parkweg 12, 5282SM, tel: 088-1410800 Tilburg: Ellen Pankhurststraat 1 A, 5032 MD, tel: 088-1410899 (op telefonische afspraak) Oisterwijk: Leerfabriek KVL aan de Almystraat 14, 5061 PA, tel: 088-1410899 Son & Breugel: Ekkersrijt 1412, 5692 AK, tel: 088-1410800 (op telefonische afspraak) Dit artikel is gepubliceerd in 073Magazine, september 2018 [post_title] => 14 september: Dag van de Scheiding Gratis advies en scheidingscheck [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => 14-september-dag-van-de-scheiding-gratis-advies-en-scheidingscheck [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:28 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:28 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12614 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 12611 [post_author] => 16 [post_date] => 2018-08-31 15:55:51 [post_date_gmt] => 2018-08-31 13:55:51 [post_content] =>   Je partner komt ten gevolge van een medische fout te overlijden. Het verdriet dat hieruit voortvloeit is onbeschrijflijk. In Nederland was het niet mogelijk om hiervoor affectieschade te claimen; een vergoeding voor het verdriet om het overlijden van een dierbare of om het ernstig letsel van een dierbare. Vanaf 1 januari 2019 bestaat deze mogelijkheid wel. Wetsvoorstel affectieschade Al in 2010 was er een wetsvoorstel door de tweede kamer aangenomen die smartengeld voor nabestaanden regelt; wetsvoorstel affectieschade. Bepaalde nabestaanden zouden een vast bedrag krijgen. Er was veel kritiek op dit voorstel en het voorstel sneuvelde in de eerste kamer. De redenen waren o.a. dat het verdriet om overlijden van een naaste niet in geld valt uit te drukken. De claimcultuur zou toenemen en verdriet wordt gecommercialiseerd. Wet zorg- en affectieschade Bijna 9 jaar later wordt de wet zorg- en affectieschade toch aangenomen. Hiermee wordt het verdriet van de directe familie van overleden slachtoffers en slachtoffers met ernstig blijvend letsel erkend. De wet voorziet, naast vergoeding voor zorgkosten, in een regeling voor vergoeding voor affectieschade. Vergoeding van affectieschade is een vorm van smartengeld voor nabestaanden. Het komt hiermee tegemoet aan de behoefte van nabestaanden en naasten aan aandacht voor de emotionele gevolgen van een ongeval/medische fout/geweldsmisdrijf. In bijna alle Europese landen is smartengeld voor nabestaanden al langere tijd mogelijk. Op Europees niveau is er dus duidelijk een voorkeur voor toekenning van smartengeld aan nabestaanden. Eindelijk volgt Nederland nu ook. Rechthebbenden De wet geldt voor nabestaanden en naasten. Nabestaanden van overleden slachtoffers en naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel hebben recht op een schadevergoeding. Het betreft de gevolgen van een ongeluk, medische fout of geweldsmisdrijf. Er moet wel een aansprakelijke aan te wijzen zijn en die [of zijn/haar verzekeraar] moet vervolgens de vergoeding betalen. Alleen bepaalde nabestaanden hebben recht op een vergoeding, namelijk: -     echtgenoten, geregistreerde partners en levensgezellen -     minder- en meerderjarige kinderen -     pleegkinderen -     ouders -     stiefouders -     stiefkinderen -     overige personen met nauwe persoonlijke relatie Bedragen Er wordt onderscheid gemaakt in hoogte van het bedrag op basis van: -     ernstig of blijvend letsel -     overlijden -     geweldsmisdrijven [hogere vergoeding bij ernstig of blijvend letsel en overlijden] Het gaat om vaste schadevergoedingsbedragen. De bedragen variëren tussen de € 12.500,= en € 20.000,=. Reactie verzekeraars De verzekeraars zijn blij met de nieuwe wet; “Geen enkele financiële vergoeding kan het leed van nabestaanden van slachtoffers compenseren. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt echter dat compensatie wél een belangrijke rol speelt in de erkenning van datzelfde leed”. Aldus het Verbond van Verzekeraars. Verzekeraars verwachten wel dat de wet Affectieschade zal leiden tot een verhoging van de schadelast voor verzekeraars. Naar schatting komt dat bij de autoverzekeraars (WA) neer op een stijging van minimaal drie procent. De impact voor medische aansprakelijkheidsverzekeraars is mogelijk hoger en wordt geschat op circa 15% van de letselschadelast. Terugwerkende kracht? De wet treedt op 1 januari 2019 in werking. De wet geldt dus pas vanaf 1 januari 2019 en heeft geen terugwerkende kracht. Mogelijk kunnen nabestaanden en naasten nog wel een claim instellen op grond van shockschade. Echter zij moeten dan wel bewijzen dat zij ten gevolge van het gebeuren lijden aan een erkend psychiatrisch ziektebeeld. En ook moeten zij direct geconfronteerd zijn met de gebeurtenis of de gevolgen ervan. Een zware bewijslast dus daar waarvoor een vergoeding van affectieschade alleen een aansprakelijke hoeft te worden aangewezen. Voor veel nabestaanden en naasten komt de wet dus helaas te laat. Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling”, augustus 2018. [post_title] => Smartengeld voor nabestaanden en naasten mogelijk [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => smartengeld-voor-nabestaanden-en-naasten-mogelijk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:29 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:29 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12611 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 12380 [post_author] => 16 [post_date] => 2018-07-03 11:55:11 [post_date_gmt] => 2018-07-03 09:55:11 [post_content] => Organisaties kunnen ook aansprakelijk zijn voor de gevolgen van ongevallen die hun vrijwilligers tijdens het vrijwilligerswerk overkomen. Deze lijn was er al maar de Hoge Raad heeft het onlangs aangescherpt. Dit heeft gevolgen voor verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen die veelal met vrijwilligers werken.
Casus
Een 65-jarig lid van de vrijwillige klusgroep van de Parochie H.H. Vier Evangelisten plaatste verlichting op het dak van de kerk. Helaas is deze man bij het uitvoeren van de klus van het dak gevallen en liep ernstig letsel op. De man stelde de Parochie aansprakelijk voor zijn letselschade op basis van werkgeversaansprakelijkheid.
Werkgeversaansprakelijkheid / Zorgplicht werkgever
Op basis van de wet heeft een werkgever een zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. De werkgever is aansprakelijk voor schade die een werknemer lijdt tijdens zijn werk, tenzij de werkgever kan bewijzen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om een ongeval en schade te voorkomen.
Vrijwilligers
Alhoewel er geen arbeidsovereenkomst is tussen een vrijwilliger en de werkgever biedt de wet onder bepaalde voorwaarden toch bescherming aan vrijwilligers [maar ook aan bijvoorbeeld ZZP’ers]. Een van de voorwaarden voor een beroep door een vrijwilliger op werkgeversaansprakelijkheid is dat het moet gaan om werkzaamheden in de uitoefening van beroep of bedrijf. Het klassieke voorbeeld hiervan is dat een onderneming haar kantoorgebouw laat schilderen door een schilder. Dit zijn geen werkzaamheden die behoren tot de uitoefening van de onderneming, dus geen werkgeveraansprakelijkheid voor de ingehuurde [of vrijwillige] schilder.
Uitspraak kantonrechter in de ‘Parochie zaak’.
De kantonrechter wees de vordering af. De kantonrechter oordeelde dat het hier niet ging om werkzaamheden in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Immers zij oordeelde dat het plaatsen van verlichting op het dak van de kerk niet tevens door werknemers van de parochie had kunnen worden verricht. Het slachtoffer gaat in beroep bij het Hof.
Uitspraak Hof
Het Hof wijst de vordering toe. Het Hof oordeelt dat in dit geval de vrijwilliger binnen het bereik van het beschermingsartikel voor werknemers valt. Het ophangen van de verlichting op het dak van de parochie wordt gezien als werkzaamheden in de uitoefening van het bedrijf. De parochie had de werkzaamheden ook door eigen werknemers kunnen laten verrichten.
Hoge Raad
De Hoge Raad bevestigt de uitspraak van het Hof. Ook het feit dat de werkzaamheden die de man als vrijwillige klusser uitvoerde nog nooit door werknemers van de Parochie zijn uitgevoerd is niet van belang. De Hoge Raad benadrukt dat op dit punt enkel van belang is of de werkzaamheden hadden kunnen worden uitgeoefend door eigen werknemers.
Conclusie
Door de uitspraak is de reikwijdte van de werkgeversaansprakelijkheid voor vrijwilligers verruimd. Je zou je echter af kunnen vragen wie in casu de werknemers van de parochie zijn die de werkzaamheden ook hadden kunnen doen. De pastoor, koster, medewerkers huishoudelijke dienst? In het algemeen ontberen zij technische kennis en klusvaardigheden. Kan je deze werknemers het dak opsturen? Het Hof [en dus ook de Hoge Raad] stapt hier eenvoudig overheen; “….of werknemers in de parochie zijn aan te wijzen die dezelfde werkzaamheden verrichten, is dan minder van belang.” Voor verenigingen en stichtingen, die veel gebruik maken van vrijwilligers, is het zaak een goede verzekering [die dekking verleent voor werkgeversaansprakelijkheid] af te sluiten. Ook de verzekeringsmaatschappijen zullen met deze verruiming van de aansprakelijkheid wellicht voorwaarden en premies aan gaan passen. Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling”, juli 2018. [post_title] => Werkgever aansprakelijk voor vrijwilliger [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => werkgever-aansprakelijk-voor-vrijwilliger [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:39 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:39 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12380 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 17114 [post_author] => 7 [post_date] => 2018-06-15 16:15:27 [post_date_gmt] => 2018-06-15 14:15:27 [post_content] => In veel contracten komt een boeteclausule voor. Deze “stok achter de deur” is vaak nodig om de nakoming van een prestatie of het nalaten van een gedraging kracht bij te kunnen zetten. Kennelijk is het nodig een dergelijk dwangmiddel achter de hand te hebben als het vertrouwen ontbreekt als contractpartners zich vrijwillig aan de verplichtingen uit een overeenkomst zullen houden. Er moet een bepaalde dreiging uit gaan van een boetebeding en dat punitieve karakter maakt dat men wel twee keer nadenkt voor een contractuele verplichting wordt geschonden. In de praktijk wordt nog wel eens de denkfout gemaakt dat op contractschending überhaupt een boete staat, ook zonder contractueel beding. Dat is onjuist, omdat in een dergelijk geval grosso modo alleen de vordering tot nakoming of ontbinding met schadevergoeding open staat. De contractuele boete moet ook duidelijk onderscheiden worden van de dwangsom die door een rechter opgelegd wordt in een vonnis, strekkende tot nakoming van dat vonnis. In de kern hebben beide instrumenten dezelfde werking, zij het dat de contractuele boete lichter van variant is dan de dwangsom. Dat is ook niet voor niets, omdat het schenden van een rechterlijk vonnis ernstiger verondersteld wordt dan het schenden van een afspraak tussen private partijen. Daarom biedt de wettelijke regeling van de dwangsom (artikelen 611a t/m 611i Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) minder speelruimte dan de wettelijke regeling van de boete (artikelen 6:91 t/m 6:94 Burgerlijk Wetboek (BW)). Een belangrijk verschil komt tot uitdrukking in de mogelijkheid van matiging achteraf, waar ik verder in dit artikel nader op in zal gaan. De dwangsom is direct executabel, mits opgelegd in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Dat is een boete niet, voor de executie daarvan zal eerst een titel verkregen moet worden. Een dwangsom kan niet worden opgelegd voor een vordering tot betaling van een geldsom, terwijl de niet nakoming van een verplichting tot betaling van een geldsom wel met een boete verzwaard kan worden. Dwangsommen die eenmaal verbeurd zijn, kunnen in een faillissement van de debiteur niet als vordering worden ingediend (artikel 611 e lid 2 Rv), terwijl de regeling van de contractuele boete daarin niet voorziet. Ook kan een dwangsom pas verbeurd worden nadat het vonnis waarin de dwangsom is opgelegd, betekend is aan de veroordeelde (artikel 611a lid 3 Rv) terwijl een boete verbeurd kan worden zonder betekening. Een eenmaal verbeurde dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop ze verbeurd is (artikel 611g lid 1 Rv), terwijl de verjaring van de boete onderhevig is aan de algemene verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de dag volgend op de dag waarmee de benadeelde zowel met de opeisbaarheid van de boete als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW). Dit zijn enkele in het oog springende verschillen tussen een dwangsom en een boete, hoewel beide figuren hetzelfde karakter hebben en dezelfde werking beogen. Dwangsommen zullen over het algemeen redelijk geacht kunnen worden, omdat aan het opleggen ervan een rechterlijke toets vooraf is gegaan. Toch kan onder omstandigheden ook een door een rechter beoordeelde dwangsom onredelijk uitpakken. De wet biedt de mogelijkheid een opgelegde dwangsom te laten opheffen, opschorten of verminderen, vóór het moment dat de dwangsom verbeurd is door de rechter die haar opgelegd heeft (artikel 611d lid 1 Rv). Dat kan bijvoorbeeld indien een veroordeelde tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert aan de veroordeling te voldoen. Als een dwangsom eenmaal verbeurd is, kan de rechter niet meer vanwege die onmogelijkheid de dwangsom alsnog opheffen of verminderen (artikel 611d lid 2 Rv). Een eenmaal verbeurde dwangsom komt ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft en die kan de dwangsom executeren (artikel 611c Rv). Hoogstens kan de veroordeelde proberen in een kort geding tot schorsing van de executie de rechter te overtuigen dat door de executie van de dwangsommen misbruik van recht gemaakt wordt, maar daarmee gaan voorzieningenrechters terughoudend om. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen laat niet toe dat een pseudo rechtsmiddel ontstaat door lichtvaardig met een executiegeschil tegen (de werking van) een veroordelend vonnis op te komen. Anders dan bij een dwangsom kan een verbeurde boete wel achteraf door een rechter worden gematigd. Omdat dit een van de belangrijkste verschillen is tussen een verbeurde dwangsom en een verbeurde boete, is het zinvol verderop in dit artikel in te gaan op de mogelijkheid van de rechterlijke matigingsbevoegdheid, voorafgegaan door een bredere uitwerking van de wettelijke regeling van de contractuele boete. Naast de functie van de boete als straf op het niet nakomen van contractuele verplichtingen, kan een boete ook gedefinieerd worden als een fixatie van schadevergoeding, in de vorm van een vast bedrag of afhankelijk van andere parameters. Boetebepalingen komen in veel contracten voor, te denken valt aan handelscontracten, huur- en onroerend goed contracten, managementovereenkomsten en arbeidscontracten. In beginsel is het overeenkomen van een boeteclausule vormvrij en dat zou in het uiterste geval zelfs mondeling kunnen, behoudens een wettelijk schriftelijkheidsvereiste, zoals bij arbeidsovereenkomsten (artikel 7:650 BW). Veel vaker wordt een boetebeding opgenomen in algemene voorwaarden. Dat is mogelijk omdat het boetebeding als zodanig niet verboden is op grond van de artikelen 6:236/237 BW. Een boetebeding in algemene voorwaarden sneuvelt alleen als het door een rechter als onredelijk bezwarend beoordeeld wordt op grond van artikel 6:233 sub a BW. Hier is een onderscheid te maken tussen zakelijke transacties en consumententransacties. In zakelijke transacties kan een rechter een onredelijk bezwarend beding matigen, in consumententransacties vervalt een onredelijk bezwarend boetebeding in het geheel als het onredelijk bezwarend is (HvJ 14-6-2012, ECLI:EU:C:2012:349 en HvJ 30-5-2013, ECLI:EU:C:2013:341). Op 8 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2275) besliste de Hoge Raad over de vraag of twee naast elkaar in een overeenkomst opgenomen sancties ieder apart of gezamenlijk de toets van de richtlijn moeten kunnen doorstaan. In een huurovereenkomst had de verhuurder een verbod van onderverhuur opgenomen, verzwaard met een boete en het terugbetalen van de met de illegale onderverhuur genoten winst. Deze cumulatieve sanctie werd door de kantonrechter richtlijn conform getoetst aan artikel 6:233a BW, die de combinatie onredelijk bezwarend oordeelde. Het hof vernietigde. In cassatie kwam de vraag aan de orde of elk van de sancties apart moet worden beoordeeld, of dat de combinatie van sancties moet worden beoordeeld. Met verwijzing naar het Radlinger arrest van het Europese hof (HvJEU 21-4-2016, C-377/14) oordeelde de Hoge Raad dat gekeken moet worden naar het gezamenlijke effect van de opgelegde maatregelen en dat de rechter dus moet beoordelen of dit gezamenlijke effect onredelijk bezwarend is in de zin van de richtlijn. De wettelijke regeling van het boetebeding ligt vast in de artikelen 6:91 t/m 94 BW. Deze artikelen zijn van regelend recht, wat inhoudt dat partijen daar in een overeenkomst van af mogen wijken. De enige uitzondering hierop is de rechterlijke matigingsbevoegdheid van artikel 6:94 lid 1. Voordat een boete kan worden opgeëist is een voorafgaande ingebrekestelling noodzakelijk (artikel 6:93 BW). In beginsel is boete alleen verschuldigd bij toerekenbare niet-nakoming, tenzij partijen ook andere omstandigheden overeen gekomen zijn waarin een boete verbeurd wordt. Hoewel de wet een voorafgaande ingebrekestelling verplicht stelt, komt in veel contracten de toevoeging voor: “…. verbeurt de nalatige partij een direct opeisbare boete, zonder dat daarvoor een voorafgaande ingebrekestelling nodig is”. Dit is een rechtsgeldige afwijking van de wettelijke regel. Aanmaning of in gebreke stelling kan überhaupt achterwege blijven als de nakoming van de hoofdverbintenis blijvend onmogelijk geworden is (HR 22-7-2007, NJ 2007-343), maar voor het vorderen van wettelijke rente over de boete is weer wel een aanmaning vereist (HR 5-9-2008, NJ 2010-272). Artikel 6:92 lid 1 BW regelt dat geen nakoming van zowel het boetebeding gevorderd kan worden als nakoming van de hoofdverbintenis waaraan het boetebeding verbonden is. Dit is anders als de boete enkel op vertraging in de nakoming van verbintenissen gesteld is. Dit komt vaak voor in bouwcontracten met een uiterste opleverdatum of in handelscontracten met een uiterste leveringsdatum. De boete wordt dan verbeurd bij het enkele overschrijden van die fatale termijn, ook al wordt daarna de hoofdverbintenis alsnog perfect uitgevoerd. Lid 2 van artikel 92 regelt dat boete in beginsel de wettelijke schadevergoeding vervangt. Hiervan wordt in vrijwel alle contracten afgeweken door een aanvulling op te nemen: “… kan de schuldeiser een boete vorderen, onverminderd het recht volledige schadevergoeding te vorderen op grond van de wet of uit welke andere hoofde dan ook”. Deze kunnen in dat geval naast elkaar gevorderd worden (artikel 6:94 lid 2 BW). Mits juist geformuleerd kan op grond van het boetebeding dus boete gevorderd worden, met behoud van alle overige vorderingen die een schuldeiser op grond van het contract en de wet heeft, zoals nakoming van de hoofdverbintenis en ontbinding van de overeenkomst. Dat een juiste formulering vereist is, blijkt wel uit het arrest X/Goed Vast Goed (HR 7-2-2014, ECLI:NL:HR:2014:259). De Hoge Raad sanctioneerde in dit arrest de onzorgvuldige formulering van Goed Vast Goed, dat zij recht heeft op schadevergoeding voor zover haar schade de contractuele boete te boven zou gaan. In met name oudere contracten komt nog wel eens de toevoeging voor: “… een niet voor rechterlijke matiging vatbare boete …”. Deze bepaling is nietig op grond van artikel 6:94 lid 3 BW en dus zinloos om op te nemen in een contract. Dit is het enige deel van de regeling dat dwingendrechtelijk is voorgeschreven. De rechter kan te allen tijde een boetebeding, maar ook achteraf een eenmaal verbeurde boete matigen “indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist” (artikel 6:94 lid 1 BW). Onder omstandigheden kan in het algemeen het vorderen van een overeengekomen boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (HR 17-12-2004, NJ 2005-271) maar artikel 6:94 lid 1 geeft een eigen matigingsmogelijkheid. Die kan overigens niet ambtshalve toegepast worden, partijen moeten daar een beroep op doen. De uitleg daarvan leidt soms tot interpretatieproblemen, zoals ook in het arrest X/Stichting Trudo (HR 26-2-2016, ECLI:NL:HR:2016:340). Hierin had een huurder illegaal onderverhuurd en een boete verbeurd tegen de verhuurder Trudo. De verhuurder vorderde schadevergoeding en aanvullende boete. De kantonrechter toetste of het boetebeding in strijd was met Richtlijn 93/13/EEG, de Richtlijn oneerlijke bedingen. Daarop was door de huurder geen beroep gedaan. De kantonrechter oordeelde dat de richtlijn van toepassing was en veroordeelde de huurder tot betaling van schadevergoeding en de boete. In appel vorderde de huurder vernietiging van het vonnis en deed alsnog een beroep op matiging, zonder grief tegen het oordeel dat het boetebeding niet onredelijk bezwarend was in de zin van de richtlijn. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter omdat Trudo zelf de boete al aanzienlijk gematigd had. In cassatie klaagt de huurder dat het hof niet ambtshalve de onredelijkheid van het boetebeding getoetst heeft aan de richtlijn, hoewel daar geen grief tegen gericht was. De Hoge Raad oordeelt dat de bepalingen van de richtlijn van openbare orde zijn en dat het hof ze dus ook buiten het “door de grieven ontsloten gebied” moet toepassen, met dien verstande dat hij de “grenzen van de rechtsstrijd” dient te respecteren. Omdat de huurder vernietiging van het vonnis gevorderd had viel de discussie over de boete weliswaar buiten het door de grieven ontsloten gebied, maar wel binnen de grenzen van de rechtsstrijd en dus had het hof ambtshalve moeten toetsen. Het criterium “indien de billijkheid dat klaarblijkelijk eist” uit artikel 6:94 lid 1 BW duidt op terughoudendheid van de rechter bij het toepassen van de matigingsbevoegdheid. Niet voor niets zijn partijen een boete overeengekomen en de contractsvrijheid is een krachtig beginsel: Pacta Sunt Servanda. Natuurlijk zijn er voorbeelden denkbaar dat het vorderen van een boete tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt, wat noopt tot rechterlijk ingrijpen (HR 27-4-2007, NJ 2007-272: Intrahof/Bart Smit). Alle omstandigheden van het concrete geval zullen door de rechter in ogenschouw worden genomen bij het nemen van een dergelijke beslissing. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen, aldus de Hoge Raad. Onlangs, op 16 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:207, ook aangehaald door Van Rossum in JutD 2018-0052) oordeelde de Hoge Raad opnieuw over het criterium van artikel 6:94 BW, in de kwestie van Turan tegen Easystaff (voorheen Cardan Payroll), een uitspraak die vraagt om een nadere uitwerking omdat daarin de criteria uit het standaard arrest Intrahof/Bart Smit tegen het licht worden gehouden, maar ook omdat de Hoge Raad hier het oordeel van de A-G Hartlief niet gevolgd heeft. Het ging in deze kwestie om twee professionele partijen, die geacht worden de strekking van het boetebeding te begrijpen. Turan is een uitzendbureau en Easystaff is een payrollingbedijf. In de samenwerkingsovereenkomst is een exclusiviteitsclausule met een boetebeding opgenomen. Turan meent op enig moment dat Easystaff dat beding geschonden heeft en dat ze boetes verbeurd heeft tot een bedrag van € 1.230.000,-. In de procedure die daarover volgde matigde de rechtbank dat bedrag tot € 26.500,- en het hof tot € 21.150,-. In cassatie klaagde Turan over de toepassing door het hof van de tot terughoudendheid nopende maatstaf van artikel 6:94 en over de motivering van de beslissing van het hof. In r.o. 3.4.3 oordeelt de Hoge Raad dat het hof de maatstaf van artikel 6:94 niet heeft miskend, onder verwijzing naar het in r.o 3.4.2. overwogene. Voor het overige toetst de Hoge Raad het oordeel van het hof niet, “verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard”. De Hoge Raad volgt dus het hof en verwerpt het cassatieberoep, op de gronden waarop het hof geoordeeld had dat zich geen situatie had voorgedaan die leidde tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Het hof had belang gehecht aan de volgende omstandigheden:
  • Turan (voorheen Protec) had zelf de overeenkomst opgesteld, had de hoogte van de boetes bepaald en daarover was niet onderhandeld;
  • Turan had niet aangegeven op grond waarvan zij de wel erg hoge boetes had bepaald;
  • De verbeurde boetes zijn buitensporig hoog in verhouding tot de werkelijk geleden schade;
  • De overtredingen door Easystaff betreffen slechts enkele incidenten die in het begin van de contractperiode hebben plaats gevonden en sindsdien hebben geen nieuwe overtredingen plaats gevonden;
  • De bedoeling van de overeenkomst is om Turan te beschermen tegen concurrentie en dat de beboete handelingen niet tot verlies van klanten hebben geleid.
De A-G Hartlief had in een uitgebreide conclusie[1] betoogd dat het arrest van het hof onvoldoende blijk had gegeven van een weging van het geheel van de relevante omstandigheden, in onderling verband beschouwd. Hij meent dat gezien de ratio van de hoge eisen die aan de motivering van een matiging van een boete kunnen worden gesteld, een degelijke weging van alle omstandigheden wel kan worden verlangd. Ook meent de A-G dat de motivering van het oordeel van hof de toets der kritiek niet kan doorstaan en dat om die reden een van de daartegen gerichte klachten terecht is voorgesteld. Zo niet de Hoge Raad die tot een ander oordeel kwam. Alles overziende kan de conclusie geen andere zijn dan dat het in contracten zaak is aandacht te besteden aan de formulering van het boetebeding en de plaats en functie die het in een contract heeft. Over het algemeen zullen partijen een punitief karakter beogen en het is wrang als door onzorgvuldigheid een wederpartij aan een boete kan ontkomen. Wat altijd in ogenschouw moet worden genomen is de matigingsbevoegdheid van de rechter. Een boete is opeisbaar als die verbeurd is, en voor de executie ervan kan een titel van de rechter gekregen worden. Natuurlijk doet een beklaagde er verstandig aan niet alleen de verschuldigdheid van de boete, maar ook de hoogte ervan te betwisten. In dat geval komt het er op aan dat de beklaagde feiten en omstandigheden aandraagt en die ook bewijst, waarop de rechter het oordeel kan baseren dat de boete zoals die gevorderd wordt, leidt tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Alleen dan kan bepleit worden dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete gematigd wordt. Welke feiten en omstandigheden dat zijn is niet in één zin te vangen. De jurisprudentie daarover is casuïstisch. Gezond verstand en een goed ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid kunnen helpen. [1] De conclusie van de A-G is alleen al het lezen waard omdat deze vol staat van verwijzingen die een uitstekende aanvulling zijn op de inhoud van dit artikel.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 25 mei 2018. [post_title] => Boete [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => boete [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:39 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:39 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17114 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 12265 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-06-13 16:22:10 [post_date_gmt] => 2018-06-13 14:22:10 [post_content] => Samenlevers met kinderen opgelet! Regel ook het gezamenlijk gezag over je kind! Wat moet je toch veel regelen als je kind geboren wordt en je niet getrouwd bent. Meer dan als je wel getrouwd bent of een geregistreerd partnerschap hebt. Als je niet bent getrouwd, is de biologische vader namelijk niet automatisch de officiële vader van het kind. Hij moet het kind daarom erkennen. Dit kan bij de Burgerlijke Stand van de gemeente waar je woont. Als je getrouwd bent hoeft dat niet, dan ben je automatisch de officiële vader van het kind. Ook tijdens de zwangerschap kun je het kind al erkennen. Dit heet erkenning van de ongeboren vrucht. Je kunt in elke gemeente van Nederland het kind erkennen. Als de (aanstaande) moeder niet meekomt, moet zij schriftelijke toestemming voor erkenning geven. Je  kunt je kind erkennen als je de  aangifte van de geboorte doet. Je doet aangifte in de gemeente waar het kind is geboren. Als de moeder niet meekomt, moet zij voor de erkenning schriftelijke toestemming geven. Wil je ook samen het ouderlijk gezag regelen over je kind, zul je nog een extra verzoek moeten indienen bij de rechtbank. Dat moet voor elk kind opnieuw. Dit kan heel gemakkelijk digitaal met je digid op de website www.rechtspraak.nl. Je doet dan een verzoek tot het gezamenlijk uitoefenen van het gezag over een minderjarige tevens houdende verzoek tot aantekening in het gezagsregister (art. 1:252 Burgerlijk Wetboek) Te vaak komt het in mijn praktijk voor dat achteraf blijkt dat dit verzoek  niet is ingediend. Veelal omdat men het gewoon vergeten is om het  in te dienen. Of het komt voor dat het verzoek alleen voor het eerste kind is ingediend en bij de latere kinderen wordt vergeten.  Veelal komt men daar dan pas achter bij het beëindigen van de relatie. Dan komt men er pas achter dat de moeder alleen het gezag heeft over het kind en ontstaan er problemen in een toch al emotionele situatie. Men kan dit op zich snel oplossen door alsnog aan te geven bij de rechtbank dat je gezamenlijk gezag wenst. Als je het samen eens bent is dat zo opgelost. Je dient gezamenlijk het verzoek in. Gelukkig staat in de wet dat zelfs als de moeder dan niet meewerkt aan het gezamenlijk ouderlijk gezag over je kind, er daartoe een verzoek kan worden gedaan bij de rechtbank. Zo’n verzoek wordt meestal toegewezen, tenzij er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem en verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Niemand zit te wachten op zo’n rechtszaak want dat brengt veel spanningen met zich mee, ook voor de kinderen. Dus samenlevers, kijk het nu goed na. En vul anders vandaag nog samen het verzoek in bij de rechtbank. Dit voorkomt problemen in de toekomst! Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling”, juni 2018. [post_title] => Samenlevers met kinderen opgelet [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => samenlevers-met-kinderen-opgelet [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:41 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:41 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=12265 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 10 [current_post] => -1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 12857 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-11-01 14:30:58 [post_date_gmt] => 2018-11-01 13:30:58 [post_content] => In mijn praktijk komt het regelmatig voor dat degene die alimentatie zou moeten betalen aangeeft dat hij of zij wil stoppen met werken, of in ieder geval minder zou willen werken. De ander moet dan meer gaan werken, en heeft ook een verdiencapaciteit is een veelgehoorde kreet. In een mediation kun je middels het bespreken en zien van elkaars belangen en het gezamenlijk belang komen tot een voor beide partijen hanteerbare oplossing. Bij echtscheidingen op tegenspraak speelt deze kwestie soms ook een rol, en soms nog wat heftiger. Zo had ik ooit een cliënte, die al 40 jaar gehuwd was met dezelfde man. De man bleef op een gegeven moment ineens thuis en dat gaf veel extra problemen. Zij was gewend haar eigen leven te leiden. De communicatie tussen partijen was slecht. Later tijdens de echtscheidingsprocedure bleek dat de man al met de Vut was gegaan en dus vrijwillig minder was gaan werken. Enigszins verbaasd over dit feit, nl de vrouw dacht dat de man in de ziektewet zat, werd in de uiteindelijke beschikking door de rechtbank rekening gehouden met zijn verminderde inkomen. De man mocht gebruik maken van de geldende vut -regeling. In een ander geval had iemand minder geluk. Het ging om een man die internationale chauffeur was en in het zicht van de echtscheiding zijn baan had verruild voor een baan als nationale chauffeur en dus minder extra vergoedingen ontving. De rechtbank was in dit geval van mening dat er sprake was van verwijtbaar, herstelbaar inkomensverlies en hij zijn oude baan had kunnen behouden. In de uiteindelijke berekeningen ging de rechtbank uit van het hogere salaris bij het vaststellen van de alimentatie. Een en ander is opnieuw bekrachtigd in een recente beschikking van het Hof Den Bosch. > Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30-08-2018 (pub. 03-10-2018), ECLI:NL:GHSHE:2018:3663 In dit geval had de man had zijn baan opgezegd en woont en werkt nu in Brazilië. Hij was zelfs inmiddels getrouwd met een Braziliaanse. Ook hier besliste het Gerechtshof, het is een eigen keuze van de man. Dat de man thans een aanzienlijk lager salaris verdient, dient volledig voor zijn rekening te komen. Zij hielden dus rekening met het oude hogere salaris. Dus vrijwillig en verwijtbaar stoppen met werken of minder werken om de alimentatie minder te laten zijn zal in eerste instantie niet gehonoreerd worden. Daarbij is wel van belang of het verlies van het arbeidsinkomen herstelbaar is. Er zal een doordacht plan moeten zijn of er moet sprake zijn van omstandigheden die buiten jezelf liggen, wil rekening gehouden worden met een vrijwillig en verwijtbaar minder inkomen. De andere kant is dat in de huidige rechtspraak er steeds meer rekening gehouden wordt met de verdiencapaciteit aan de zijde van de alimentatiegerechtigde. Ook die kan en wordt in staat geacht meer te gaan verdienen, waarbij de persoonlijke omstandigheden een rol spelen. Gepubliceerd in 073Magazine, november 2018 [post_title] => Stoppen met of minder werken in verband met alimentatie? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => stoppen-met-of-minder-werken-in-verband-met-alimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:09 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:09 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12857 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 121 [max_num_pages] => 13 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => [is_tag] => [is_tax] => 1 [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => 1 [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => 041274a80e0ade557290c5570eeda302 [query_vars_changed:WP_Query:private] => [thumbnails_cached] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) [tribe_is_event] => [tribe_is_multi_posttype] => [tribe_is_event_category] => [tribe_is_event_venue] => [tribe_is_event_organizer] => [tribe_is_event_query] => [tribe_is_past] => )
In mijn praktijk komt het regelmatig voor dat degene die alimentatie zou moeten betalen aangeeft dat hij of zij wil stoppen met werken, of in ieder geval minder zou willen werken. De ander moet dan meer gaan werken, en heeft ook een verdiencapaciteit is een veelgehoorde kreet. In een mediation kun je middels het bespreken...
Lees meer
Inleiding In het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1776) draait het om de volgende feiten. Verweerder en eiseres zijn jarenlang bevriend geweest. Op een gegeven moment heeft verweerder aan eiseres verteld over een vriend die een erfenis had gekregen bestaand uit een huis en een stuk grond in Irak. Verweerder heeft...
Lees meer
Een procespartij in bewijsnood, heeft een doeltreffend middel ter beschikking in de vorm van artikel 843a Rv, om met een beroep daarop inzage te krijgen in bepaalde bescheiden of daarvan zelfs een afschrift of uittreksel te krijgen. Zodoende kan voorzien worden in bewijs dat noodzakelijk geleverd moet worden in een procedure na het betrekken van...
Lees meer
Inleiding In mei van dit jaar heeft de NVWA de eerste pakketten kunstmatig vlees (hierna: “kweekvlees”), die bedoeld waren om te proeven in een restaurant[1], verzegeld. De NVWA stelt dat deze maatregel noodzakelijk was om te voorkomen dat consumenten van het restaurant het kweekvlees konden proeven terwijl de veiligheid van het product niet is gegarandeerd....
Lees meer
Als een van beide partners een eigen zaak heeft en u gaat scheiden, kan dat heel ingewikkeld zijn. Soms moeten partners de waarde van het bedrijf verdelen. Het ligt eraan wat u bij het trouwen of samenwonen heeft afgesproken.Als u getrouwd bent in gemeenschap van goederen, is een bedrijf altijd gemeenschappelijk eigendom. Bij een scheiding...
Lees meer
  Op 14 september a.s. vindt de Dag van de Scheiding plaats. Deze wordt georganiseerd door de Vereniging familierechtadvocaten en scheidingsmediators, de vFAS. Veel advocatenkantoren stellen hun deuren open zodat u hen kunt bezoeken en vragen kunt stellen. Deze dag is er niet om het scheiden te stimuleren, maar om er aandacht voor te vragen...
Lees meer
  Je partner komt ten gevolge van een medische fout te overlijden. Het verdriet dat hieruit voortvloeit is onbeschrijflijk. In Nederland was het niet mogelijk om hiervoor affectieschade te claimen; een vergoeding voor het verdriet om het overlijden van een dierbare of om het ernstig letsel van een dierbare. Vanaf 1 januari 2019 bestaat deze...
Lees meer
Organisaties kunnen ook aansprakelijk zijn voor de gevolgen van ongevallen die hun vrijwilligers tijdens het vrijwilligerswerk overkomen. Deze lijn was er al maar de Hoge Raad heeft het onlangs aangescherpt. Dit heeft gevolgen voor verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen die veelal met vrijwilligers werken. Casus Een 65-jarig lid van de vrijwillige klusgroep van de Parochie H.H....
Lees meer
15 jun 2018
In veel contracten komt een boeteclausule voor. Deze “stok achter de deur” is vaak nodig om de nakoming van een prestatie of het nalaten van een gedraging kracht bij te kunnen zetten. Kennelijk is het nodig een dergelijk dwangmiddel achter de hand te hebben als het vertrouwen ontbreekt als contractpartners zich vrijwillig aan de verplichtingen...
Lees meer
Samenlevers met kinderen opgelet! Regel ook het gezamenlijk gezag over je kind! Wat moet je toch veel regelen als je kind geboren wordt en je niet getrouwd bent. Meer dan als je wel getrouwd bent of een geregistreerd partnerschap hebt. Als je niet bent getrouwd, is de biologische vader namelijk niet automatisch de officiële vader...
Lees meer