Publicatie

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [paged] => 4
            [news-type] => publicatie
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [paged] => 4
            [news-type] => publicatie
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [category_name] => 
            [tag] => 
            [cat] => 
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 10
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [taxonomy] => news-type
            [term] => publicatie
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => news-type
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => wp_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [news-type] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => wp_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 28
            [name] => Publicatie
            [slug] => publicatie
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 28
            [taxonomy] => news-type
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 132
            [filter] => raw
        )

    [queried_object_id] => 28
    [request] => 
					SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  wp_posts.ID
					FROM wp_posts  LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT  JOIN wp_icl_translations wpml_translations
							ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
								AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type) 
					WHERE 1=1  AND ( 
  wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (28)
) AND ((wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft'))) AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR (
					wpml_translations.language_code = 'nl'
					AND wp_posts.post_type IN ( 'attachment' )
					AND ( ( 
			( SELECT COUNT(element_id)
			  FROM wp_icl_translations
			  WHERE trid = wpml_translations.trid
			  AND language_code = 'nl'
			) = 0
			 ) OR ( 
			( SELECT COUNT(element_id)
				FROM wp_icl_translations t2
				JOIN wp_posts p ON p.id = t2.element_id
				WHERE t2.trid = wpml_translations.trid
				AND t2.language_code = 'nl'
				AND (
					p.post_status = 'publish' OR 
					p.post_type='attachment' AND p.post_status = 'inherit'
				)
			) = 0 ) ) 
				) ) AND wp_posts.post_type  IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker' )  ) OR wp_posts.post_type  NOT  IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker' )  )
					GROUP BY wp_posts.ID
					ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC
					LIMIT 30, 10
				
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 17420
                    [post_author] => 26
                    [post_date] => 2018-12-28 09:36:12
                    [post_date_gmt] => 2018-12-28 08:36:12
                    [post_content] => Met zijn arresten (Nebula en Berzona) heeft de Hoge Raad in de afgelopen jaren antwoorden gegeven, maar ook nieuwe vragen gecreëerd, over de positie van de licentienemer, indien deze in staat van faillissement wordt verklaard. In 2018 staat de positie van de licentienemer opnieuw centraal in twee arresten van de Hoge Raad. In dit artikel wordt teruggekeken naar de positie van de licentienemer in 2018 en de ontwikkelingen die zich in de rechtspraak van de Hoge Raad in 2018 hebben voorgedaan.
Nebula en Berzona
Lange tijd stond op het raakvlak van het insolventierecht en het intellectuele eigendomsrecht de vraag centraal of een curator in faillissement de mogelijkheid zou hebben om een verplichting tot het dulden van een gebruik, bijvoorbeeld bij een huurovereenkomst of licentieovereenkomst, niet na te komen en aldus een wanprestatie te plegen. In zijn arrest van 3 november 2016 (Nebula)1 leek de Hoge Raad op dit punt duidelijkheid te verschaffen. In cassatie bij de Hoge Raad kwam de rechtsvraag aan de orde of een economisch eigenaar van een onroerende zaak deze zaak na het faillissement van de juridisch eigenaar met werking tegen de boedel kan verhuren aan een derde. De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.5 dat bij wederkerige overeenkomsten het uitgangspunt geldt dat deze niet door het faillissement worden beïnvloed. Dit betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat de schuldeiser van een duurovereenkomst wiens wederpartij failliet wordt verklaard, de rechten uit die overeenkomst kan blijven uitoefenen alsof er geen faillissement was. Zou dit wel worden toegelaten, dan zou het beginsel van gelijkheid van schuldeisers op onaanvaardbare wijze worden doorbroken. "Dit geldt", aldus de Hoge Raad, "ook voor gevallen waarin de gefailleerde krachtens de tussen partijen gesloten overeenkomst niet is gehouden een bepaalde prestatie te verrichten, maar het gebruik van een aan hem in eigendom toebehorende zaak te dulden. Indien de wederpartij van de gefailleerde van de curator zou kunnen verlangen dat deze het voortgezet gebruik van de desbetreffende zaak duldt, zou deze wederpartij immers in feite bevoegd zijn het faillissement in zoverre te negeren. Voor dat laatste is echter slechts plaats in uitzonderlijke, in de wet uitdrukkelijk geregelde, gevallen. Bovendien zou door aanvaarding van een zodanige regel een goed beheer ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de tot de boedel behorende zaken ten aanzien waarvan langlopende overeenkomsten bestaan, in ernstige mate worden bemoeilijkt." Aan het oordeel van de Hoge Raad in het Nebula-arrest is in de daaropvolgende jaren veel waarde toegekend. Direct werd de koppeling gemaakt met de binnen het intellectuele eigendomsrecht veel gehanteerde licentieovereenkomsten. De conclusie op basis van Nebula: als de licentiegever failleert, dan mag de curator jegens de licentienemer wanpresteren en hoeft hij het gebruik van het betreffende intellectuele eigendomsrecht niet te dulden. De duidelijkheid die de Hoge Raad in het Nebula-arrest leek te hebben geschapen, bleek echter van niet al te lange duur. Op 11 juli 2014 wees de Hoge Raad arrest in de zogeheten "Berzona"-zaak2. De Hoge Raad zag zich geconfronteerd met de vraag of een vordering tot gebruik van een pand (huur) als steunvordering zou kunnen dienen bij de aanvraag van het faillissement van de verhurende partij. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag negatief. De Hoge Raad overwoog in r.o. 3.6.4. dat de curator in faillissement niet (actief) een bevoegdheid of vordering toekomt, anders dan uit de wet of overeenkomst, zoals het ontruimen of opeisen van het gehuurde als de huurovereenkomst nog loopt. Zou een curator een dergelijke bevoegdheid of vordering wel toekomen, dan zou dit in strijd zijn met het beginsel dat het faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkerige overeenkomsten. De heersende opinie in de literatuur is dat de Hoge Raad in het Berzona-arrest is teruggekomen van zijn Nebula-arrest. De Hoge Raad overweegt immers dat de curator nu juist geen (actieve) bevoegdheid zou hebben het gebruik te kunnen staken, in tegenstelling tot de curator van Nebula B.V. De Hoge Raad voegt echter in r.o. 3.6.5 toe dat in het Nebula-arrest geen ander oordeel besloten ligt. In de literatuur is betoogd dat de Hoge Raad dan met name op het verschil lijkt te wijzen dat in Nebula de economische eigenaar ook na het faillissement nog bevoegd zou zijn het in gebruik gegeven goed te verhuren en dat deze omstandigheid een te grote doorbreking van het uitgangspunt van gelijkheid van schuldeisers zou zijn.3Deze uitleg van voornoemde arresten zou voor de licentienemer betekenen dat de curator van de licentiegever op grond van de wet geen bevoegdheid toekomt om het gebruik te beëindigen. De licentienemer moet zich het faillissement van de licentiegever echter wel aantrekken, in de zin dat zijn handelen niet mag leiden tot een onaanvaardbaar doorbreken van het beginsel van gelijkheid van schuldeisers. Hiervan zou, zoals in het Nebula-arrest, sprake kunnen zijn wanneer de licentienemer na faillissement nieuwe sublicenties aan sublicentienemers zou verschaffen en aldus handelt alsof er geen faillissement bestaat.
Anno 2018
Met de geschiedenis van Nebula en Berzona werd de Hoge Raad in 2018 opnieuw geconfronteerd met vraagstukken die betrekking hebben op het gebruiksrecht bij faillissement. HR Credit Suisse/Jongepier q.q. In zijn arrest van 23 maart 20184 verschaft de Hoge Raad meer duidelijkheid op de vraag of het de curator is toegestaan actief een einde te maken aan een verplichting tot het in gebruik moeten geven. Met verwijzing naar Berzona bevestigt de Hoge Raad dat een faillissementstoestand de curator geen bevoegdheid verschaft om een door de schuldenaar voor het faillissement verrichte prestatie ("actief") ongedaan te maken of een voortdurende prestatie voor zover deze bestaat uit een dulden of nalaten, te beëindigen, zoals door intrekking van een verleende licentie of opeising van een verhuurde zaak. Deze overweging zet de rechtsregel uit het Berzona-arrest kracht bij, te meer nu de Hoge Raad ook expliciet het woord 'licentie' heeft gebruikt. Daarmee luidt de conclusie anno 2018 dat, tenzij uit de wet of overeenkomst anders blijkt, de failliete licentiegever niet de bevoegdheid heeft een voortdurend gebruik (actief) te beëindigen. In een op het moment van schrijven (nog) niet gepubliceerd arrest van de Hoge Raad van 9 november 20185 gaat de Hoge Raad nog een stap verder en sanctioneert hij de curator die een voortdurende prestatie, die bestaat uit een dulden of nalaten, actief beëindigt zelfs. In dit geval had de curator als huurder van een pand, in strijd met de geldende huurovereenkomst en ondanks sommatiebrieven van de verhuurder, het pand onderverhuurd aan de doorstarter, terwijl de verhuurder voor het gebruik geen vergoeding heeft ontvangen. De Hoge Raad oordeelde dat de curator in dit geval zelfs persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor de schade die de wederpartij heeft geleden als gevolg van dit handelen. De vraag is gerechtvaardigd in hoeverre curatoren in het licht van dit arrest met een beroep op Nebula nog zouden overgaan tot het actief beëindigen van het gebruik op grond van een dulden of nalaten, zoals een licentieovereenkomst. HR KAV Autoverhuur Exact een maand voor het arrest Credit Suisse/Jongepier q.q., wees de Hoge Raad een ander arrest dat eveneens voor de licentiepraktijk van belang is. De omstandigheden in dit arrest zijn echter wezenlijk anders dan de omstandigheden in de hiervoor behandelde arresten. In deze casus was er een rechthebbende ("MAN") die een voertuig aan een tussenpersoon ("RTL") in gebruik gaf, die op haar beurt het voertuig weer in gebruik gaf aan de eindgebruiker ("KAV"). Achtereenvolgens beëindigt MAN de leaseovereenkomst met RTL op 3 december 2011 en gaat RTL op 11 december 2012 failliet. KAV heeft vervolgens gedurende enkele maanden nog het gebruik van het geleasete voertuig, alvorens zij op grond van een nieuwe huurovereenkomst het voertuig inlevert. De curator van RTL vordert vervolgens de betaling van de huursom op grond van de onderhuurovereenkomst tussen RTL en KAV. KAV stelt zich daarentegen op het standpunt hier niet toe gehouden te zijn, aangezien RTL na de beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst niet meer bevoegd was het voertuig aan KAV te verhuren. De Hoge Raad stelt de curator in het gelijk en overweegt in r.o. 3.3.3 hiertoe dat RTL zich op grond van de onderhuurovereenkomst jegens KAV verbonden heeft om het voertuig aan haar voor gebruik ter beschikking te stellen. Voor de geldigheid van de huurovereenkomst is niet vereist dat RTL ook daadwerkelijk eigenaar of uit andere hoofden in staat is om het gebruik van de zaak te hebben. Van een tekortkoming van RTL zou pas sprake zijn indien een derde tegenover KAV een beter recht pretendeert te hebben en het bovendien als gevolg daarvan tot een feitelijke stoornis van het gebruik komt. Zolang MAN niet tot opeising van het voertuig overgaat, behoudt KAV het feitelijke gebruik en schiet RTL niet tekort in de nakoming van haar verbintenis. Hoewel dit arrest opnieuw de huur van een goed betreft, lijkt het arrest eveneens van toepassing op een situatie waarin de huur wordt vervangen door licenties. Dit zou betekenen dat in een situatie waarin de overeenkomst tussen de licentiegever/eigenaar en de licentienemer/sublicentiegever eindigt, de sublicentienemer eveneens gebruiksvergoedingen verschuldigd blijft aan de sublicentiegever, zolang de licentiegever/eigenaar zijn eigendom niet opeist en de sublicentiegever feitelijk gebruik kan blijven maken van het in licentie gegeven recht. In tegenstelling tot de situatie waarin een voertuig wordt gehuurd, zoals in het KAV Autoverhuur-arrest, loopt de sublicentienemer bij een voortdurend gebruik echter nog een extra risico, in het niet ondenkbeeldige geval dat de licentie betrekking zou hebben gehad op het gebruik van een intellectueel eigendomsrecht. Immers heeft de licentiegever/eigenaar de mogelijkheid om schadevergoeding en winstafdracht te vorderen en bovendien de sublicentienemer veroordeeld te krijgen in de daadwerkelijke kosten van de procedure(s), zoals volgt uit artikel 1019h Rv, vanwege het onrechtmatige gebruik van het betreffende intellectuele eigendomsrecht. In het ergste geval meldt de licentiegever/eigenaar zich na enkele maanden na het faillissement van de licentienemer/sublicentiegever, namelijk op het moment dat de sublicentienemer gebruiksvergoedingen heeft betaald aan de boedel van de licentienemer/sublicentiegever. Net als voor KAV in voornoemd arrest bestaat voor de sublicentienemer, bij faillissement van de licentienemer/sublicentiegever, ook de mogelijkheid om de sublicentieovereenkomst te ontbinden (artikel 6:80 BW) of zijn betalingsverplichtingen op te schorten (artikel 6:263 BW). Daarmee zijn de potentiële problemen met de licentiegever/eigenaar nog niet opgelost. Het advies voor de sublicentienemer is aldus zo spoedig mogelijk in contact te treden met de licentiegever/eigenaar om een oplossing voor de dreigende inbreuksituatie te vinden. Uiteraard bestaat daarnaast de mogelijkheid om in een voortijdig stadium, bij voorkeur bij het aangaan van de licentie- en sublicentieovereenkomst, contractueel in te spelen op de mogelijkheid dat de licentienemer/sublicentiegever in staat van faillissement komt te verkeren en te voorkomen dat de sublicentienemer onrechtmatig gebruik gaat maken van een intellectueel eigendomsrecht.
Resumerend
Het jaar 2018 heeft de licentienemer die betrokken raakt bij het faillissement van zijn licentiegever meer duidelijkheid verschaft over zijn juridische positie. De rechtsregels uit HR Berzona zijn nogmaals bevestigd in HR Credit Suisse/Jongepier q.q. De curator van de licentiegever is, behoudens de mogelijkheden die de wet of overeenkomst hem bieden, niet bevoegd de licentieovereenkomst te beëindigen. Daarmee lijkt het bereik van HR Nebula tot nagenoeg nihil te zijn geslonken. Zou een curator zelfs actief tot beëindiging van een situatie die hij zou moeten dulden of nalaten overgaan, dan zou de licentienemer de curator zelfs pro se aansprakelijk kunnen houden. Ten slotte leert het KAV Autoverhuur-arrest dat de curator van de failliete sublicentiegever wel aanspraak kan blijven maken op een licentievergoeding van de sublicentienemer wanneer het gebruik op grond van de licentieovereenkomst wordt toegestaan. De sublicentienemer zou hierdoor inbreukmakend kunnen handelen ten opzichte van de eigenaar/rechthebbende. De sublicentienemer doet er aldus verstandig aan dit risico zoveel als mogelijk contractueel af te dekken en in geval van faillissement van de sublicentiegever direct tot actie over te gaan. Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 7 december 2018. [post_title] => De positie van de licentienemer bij faillissement anno 2018 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-positie-van-de-licentienemer-bij-faillissement-anno-2018 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2022-01-03 10:53:10 [post_modified_gmt] => 2022-01-03 09:53:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17420 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 13078 [post_author] => 6 [post_date] => 2018-12-27 16:27:26 [post_date_gmt] => 2018-12-27 15:27:26 [post_content] =>
Inleiding
Consumenten willen meer en meer een gezonde levensstijl en daar hoort ook gezonde voeding bij. Bij het aanprijzen van levensmiddelen wordt daarop ingespeeld. Daarbij wordt veelvuldig gebruik gemaakt van claims; beweringen op etiketten en reclame die aangeven dat een product bepaalde eigenschappen heeft, bepaalde bestanddelen bevat of bepaalde bestanddelen juist niet bevat. E-nummers hebben vaak een negatieve associatie en bij voorkeur worden bestanddelen gebruikt die geen e-nummer hebben. Consumenten (organisaties) vragen aandacht voor misleidende etikettering. Zoals de European Consumer Organisation in haar rapport ‘Food Labels: Tricks of the Trade’ van 14 juni 2018[1]. Op 6 september 2018 heeft Eurocommissaris Andriukaitis hierop gereageerd[2]. De commissaris gaf aan dat de bestaande EU-regelgeving afdoende is om (i) te verzekeren dat de consumenten adequaat worden geïnformeerd over de hoeveelheid van een ingrediënt en (ii) om consumenten te bescherming tegen misleiding. Om deze redenen was de commissaris niet van plan om met verdere EU-regelgeving te komen voor het gebruik van termen zoals ‘natuurlijk’, ‘traditioneel’ of ‘ambachtelijk’ of voor de etikettering van fruitdranken. De commissaris gaf verder aan dat de verantwoordelijkheid om de EU-regelgeving te handhaven ligt bij de Lidstaten. Dit betekent dat de vraag of de etikettering van een levensmiddel misleidend is, in eerste instantie op nationaal niveau zal worden beoordeeld op basis van een case-by-case basis.
Wat is de bestaande EU-regelgeving?
Verordening (EU) nr. 1169/2011[3] (Voedselinformatieverordening). In de considerans van deze verordening wordt overwogen dat ervoor moet worden gezorgd dat consumenten de nodige informatie krijgen over de levensmiddelen die zij consumeren om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de consumenten te bereiken en hun recht op informatie te waarborgen. Consumenten worden bij het maken van hun keuzes onder meer door gezondheids-, economische, milieu-, sociale en ethische overwegingen beïnvloed. Een uitgangspunt is verder dat er bij consumenten belangstelling bestaat voor het verband tussen voeding en gezondheid en voor de keuze van een aan de individuele behoeften aangepast voedingspakket. Consumenten moeten doordachte keuzes kunnen maken. Een adequate voedingswaarde-informatie op levensmiddelen moet er aan bijdragen dat de consument die doordachte keuze kan maken. Daar wordt de regelgeving op ingericht. Concreet betekent dit onder meer: Voedselinformatiewetgeving kan verplichte voedselinformatie voorschrijven. Een van de overwegingen om bepaalde voedselinformatie verplicht voor te schrijven is om consumenten in staat te stellen een doordachte keuze te maken. Daarbij weten we dat consumenten behoefte hebben aan bepaalde informatie waar zij significante waarde aan stellen. Voedselinformatie mag niet misleidend zijn, met name niet[4]:
  • ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel, en vooral niet ten aanzien van de aard, identiteit, eigenschappen, samenstelling, hoeveelheid, houdbaarheid, land van oorsprong of plaats van herkomst en wijze van vervaardiging of productie;
  • door aan het levensmiddel effecten of eigenschappen toe te schrijven die het niet bezit;
  • door te suggereren dat het levensmiddel bijzondere kenmerken vertoont terwijl alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde kenmerken bezitten, met name door nadrukkelijk te wijzen op het ontbreken of aanwezig zijn van bepaalde ingrediënten en/of voedingsstoffen;
  • door via de presentatie, beschrijving of afbeelding de aanwezigheid van een bepaald levensmiddel of ingrediënt te suggereren terwijl het in werkelijkheid een levensmiddel betreft waarin een van nature aanwezig bestanddeel of normaliter gebruikt ingrediënt is vervangen door een ander bestanddeel of een ander ingrediënt.
Voedselinformatie moet vervolgens nauwkeurig, duidelijk en voor de consument gemakkelijk te begrijpen zijn. De eisen ten aanzien van de voedselinformatie gelden ook ten aanzien van de reclame voor levensmiddelen en de wijze van aanbieding van de levensmiddelen (de vorm of het uiterlijk van de levensmiddelen, de verpakking, het gebruikte verpakkingsmateriaal, de wijze waarop de levensmiddelen worden gepresenteerd, alsmede de omgeving waarin zij worden uitgestald). De verordening somt op welke vermeldingen op het etiket voor moeten komen en op welke wijze. Het gaat dan om vermeldingen zoals[5]:
  • de benaming van het levensmiddel;
  • de lijst van ingrediënten;
  • elke stof of technische hulpstof die allergieën of intoleranties veroorzaakt, en die bij de vervaardiging of de bereiding van een levensmiddel wordt gebruikt en nog in het eindproduct aanwezig is, zelfs in een veranderde vorm;
  • de hoeveelheid van bepaalde ingrediënten of categorieën ingrediënten;
  • de netto hoeveelheid van het levensmiddel;
  • de naam of handelsnaam en het adres van de in artikel 8, lid 1 bis, bedoelde exploitant van een levensmiddelenbedrijf;
  • het land van oorsprong of de plaats van herkomst overeenkomstig artikel 26;
  • een voedingswaardevermelding.
De verordening bepaalt verder dat de verplichte voedselinformatie op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare letters moet zijn aangebracht[6]. Andere aanduidingen, afbeeldingen of ander materiaal mogen de verplichte informatie niet aan de aandacht onttrekken. De voedselinformatie moet zodanig op de verpakking of op het etiket zijn afgedrukt dat ze duidelijk leesbaar is, met een voorgeschreven lettergrootte. Deze vermeldingen moeten in hetzelfde gezichtsveld staan (niet verspreid over voorkant, achterkant en/of zijkant van de verpakking). Ten aanzien van de lijst van ingrediënten bepaalt de verordening dat deze wordt voorzien van een titel die bestaat uit het woord „ingrediënten” of dat woord omvat. Deze lijst bestaat uit de opsomming van alle ingrediënten van het levensmiddel in dalende volgorde van gewicht waarin zij bij de bereiding van het levensmiddel zijn gebruikt. Soms hoeven ingrediënten niet te worden vermeld zoals bijvoorbeeld levensmiddelenadditieven en voedingsenzymen die worden gebruikt als technische hulpstoffen[7]. De verordening bepaalt dat in een aantal gevallen de hoeveelheid van een bij de vervaardiging of de bereiding van een levensmiddel gebruikt ingrediënt of gebruikte categorie ingrediënten, moet worden vermeld. Dit is onder meer het geval wanneer het desbetreffende ingrediënt voor komt in de benaming van het levensmiddel of door de consument gewoonlijk met die benaming wordt geassocieerd, wanneer het opvallend in woord of beeld of als grafische voorstelling op de etikettering is aangegeven, of wanneer het van wezenlijk belang is om een levensmiddel te karakteriseren en het te onderscheiden van de producten waarmee het wegens zijn benaming of aanblik zou kunnen worden verward[8].
Voedings- en gezondheidsclaims
De Europese Verordening nr. 1924/2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (de Claimsverordening) stelt strenge eisen aan het gebruikmaken van voedings- en gezondheidsclaims. Een voedingsclaim is "een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat een levensmiddel bepaalde heilzame voedingseigenschappen heeft met betrekking tot energetische waarde of nutriënten". Voorbeelden zijn: 'light', 'vezelrijk', 'rijk aan omega-3 vetzuren', 'suikervrij' of 'zoutloos'. Een gezondheidsclaim is "een claim die stelt, de indruk wekt of impliceert dat er een verband bestaat tussen een levensmiddelencategorie, een levensmiddel of een bestanddeel daarvan en de gezondheid". Voorbeelden zijn 'calcium is goed voor de kalkhuishouding', 'vitamine C ondersteunt de afweer van je lichaam' en 'cholesterolverlagend'. Voor een uitgebreidere toelichting op de Claimsverordening verwijs ik naar een eerdere bijdrage van mij in dit tijdschrift[9].
Clean Label
Met een ‘clean label’ wordt ingespeeld op de behoefte van kritische consumenten die met aandacht het etiket van een levensmiddel bekijken. Er wordt dan gelet op de lijst met ingrediënten, de voedingswaarde en de voedings-/gezondheidsclaims. Met een clean label wordt bewust gekeken naar alles op een etiket wat voor een consument van belang is. Er wordt gebruik gemaakt van claims zoals ’natuurlijk’, ‘vrij van additieven’, ‘organisch’, ‘non-GMO’, ‘streekproduct’, etc. Daarnaast staan op een clean label geen of weinig E-nummers of ingrediënten die consumenten niet herkennen. In plaats van het vermelden van een E-nummer wordt ook wel de chemische stofnaam van het E-nummer vermeld. Of het E-nummer wordt vervangen door een meer natuurlijk ingrediënt. Vanuit de levensmiddelenindustrie wordt gevraagd om een heldere, juridische definitie van het begrip ‘clean label’. Met name om bij te dragen aan het herstel van consumentenvertrouwen in de voedselveiligheid[10].
Handhaving
In Nederland is de NVWA belast met het toezicht op naleving van de levensmiddelenregelgeving waaronder de claimverordening. Periodiek verschijnt er een inspectierapport van de NVWA. Het meest recente rapport dateert uit 2014 en ziet op een onderzoek in de periode maart - oktober 2014 naar etiketten van ontbijtproducten op basis van granen. Deze zijn gecontroleerd op correct gebruik van voedings- en gezondheidsclaims. De conclusie van het rapport luidt[11]: “Bijna de helft van de onderzochte producten met claims uit de categorie ontbijtgranen voldeed volledig aan de Claimsverordening. Dit lage nalevingspercentage was voornamelijk te wijten aan het gebruik van algemene, niet-specifieke gezondheidsclaims, die niet vergezeld gingen van een goedgekeurde specifieke gezondheidsclaim waarbij duidelijk is welk nutriënt zorgt voor welk gezondheidseffect. De fabrikanten die de Claimsverordening overtreden moeten hun etiket en/of website aanpassen.” De indruk bestaat niet dat dit onderwerp grote belangstelling heeft bij de NVWA. De EU controleert de lidstaten op hun handhavingsactiviteiten. In een recent rapport[12] van 13 juli 2018 is de EU kritisch over de controle op de productie en de juiste labelling van ‘biologische producten’ in België. De EU constateert veel tekortkomingen en weinig tot geen handhaving. Daardoor bestaat het risico van voedselfraude. Het rapport bevat (enkel) aanbevelingen voor de Belgische overheid. Kortom, (echte) handhaving vindt op andere wijze plaats.
Reclame Code Commissie
De Stichting Reclame Code (SRC) is de instantie op het gebied van zelfregulering van reclame. “De SRC bevordert verantwoord reclame maken met als doel de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van reclame te waarborgen[13]”. De SRC heeft de Nederlandse Reclame Code opgesteld en daarnaast diverse bijzondere reclamecodes zoals de Reclamecode Voor Voedingsmiddelen (RVV) 2015 en de Code Publieksreclame voor Geneesmiddelen (CPG) 2015. Indien een consument of een concurrent van mening is dat een etiket van een levensmiddel misleidend is, dan is het erg eenvoudig om een klacht in te dienen bij de Reclame Code Commissie (RCC). Dit is vormvrij, een advocaat is niet vereist en de kosten zijn beperkt. De beperking van een klacht bij de RCC is dat bij toewijzing van een klacht geen schadevergoeding, bevel tot aanpassing, dwangsom, etc. kan worden opgelegd. Dit neemt niet weg dat een klacht vaak effectief is omdat deze veelal wordt nageleefd en openbaar wordt.
HappyHealthy Groene Thee Extract
Een recente voorbeeld is de zaak ‘HappyHealthy Groene Thee Extract[14]’. Er wordt geklaagd over uitingen op de website www.happyhealthy.nl en op www.facebook.com/happyhealthyfan/ voor zover het gaat om de aanprijzing van het product ‘HappyHealthy Groene Thee Extract’. Het zou gaan om gezondheidsclaims, claims die zinspelen op de mate of snelheid van het gewichtsverlies en een -volgens klager- medische claim. Daarnaast maakt klager bezwaar tegen de aanduiding van het product als “afslanksupplement” en “afslankcapsules”. Meer specifiek gaat het klager om de volgende beweringen:
  • “Verschillende onderzoeken bevestigen het verband tussen groene thee (extract) en gewichtsverlies door thermogenese en verhoogde vetverbranding.”
  • “Een opvallende bevinding is dat uit een meta-analyse (een cluster van onderzoeken) blijkt dat groene thee gunstig kan zijn voor zowel gewichtsverlies als gewichtsbehoud na afvallen.”
  • Uit een studie komt naar voren dat het aminozuur L-theanine, dat voorkomt in groene thee, gunstige effecten heeft op de hersenen. Deze resultaten onderschrijven het verband tussen mentale alertheid en groene thee.”
  • “Ontdek het meest krachtige en wetenschappelijk onderbouwde afslanksupplement met Oscar’s geheime formule… . om gewicht te verliezen en de vetverbranding te verhogen.”
  • “Een grootschalig onderzoek bevestigt het standpunt dat groene thee consumptie beschermende effecten kan hebben tegen hart- en vaatziekten bij ouderen.”
Klager heeft zijn klacht onderbouwd aan de hand van 17 onderzoeken met betrekking tot dit onderwerp, die volgens klager vrijwel allemaal als conclusie hebben dat geen significant effect kan worden aangetoond. Wie de klager is, blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraak. Dat zou een concurrent kunnen zijn. Of een bezorgde, goed geïnformeerde consument. Een klacht kan zelfs anoniem worden ingediend. De mededelingen waar over geklaagd werd, waren inmiddels verwijderd. Voor de commissie was dat niet relevant en weerhield het hen niet om toch tot een beoordeling te komen. De commissie oordeelt als volgt. Niet werd betwist dat de bestreden claims 1 t/m 6 gezondheidsclaims zijn in de zin van Verordening (EG) 1924/2006 (de Claimsverordening). Ook werd niet betwist dat de bestreden claims niet op de lijst van toegestane claims stonden. Volgens de adverteerder waren de claims bij de Europese Commissie gemeld, met het verzoek deze aan de lijst toe te voegen. Op grond van de Claimverordening mogen dergelijke ‘on hold’ claims onder bepaalde voorwaarden toch worden gebruikt. Maar omdat de adverteerder er niet in is geslaagd om het geclaimde effect aannemelijk te maken, moet de uiting om die reden misleidend worden geacht. Ten aanzien van de claims waar wordt verwezen naar wetenschappelijk onderzoek en waar de klager onderzoeksrapporten tegenover had gesteld, is de adverteerder er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de claims gerechtvaardigd zijn. Ten aanzien van de aanduiding “afslanksupplement” en “afslankcapsules” acht de commissie niet aannemelijk gemaakt dat het product stoffen bevat die de claim dat het product een afslankende werking heeft, rechtvaardigt. De adverteerder heeft na ontvangst van de klacht alle bestreden mededelingen in de uitingen verwijderd. Nu zij daarnaast beterschap heeft beloofd, acht de commissie het opleggen van een aanbeveling niet nodig.
Wat betekent dit voor de praktijk:
Om aan te sluiten bij de behoefte van consumenten aan ‘clean and clear labelling’ biedt de EU-regelgeving praktische handvatten om beoordelen of sprake is van misleiding van consumenten. Maar een grijs gebied blijft bestaan. Zeker bij het gebruik van nieuwe productsamenstellingen, nieuwe claims en natuurlijke alternatieven voor chemische stoffen. Degene die het etiket gebruikt moet aannemelijk kunnen maken dat claims gerechtvaardigd zijn. Dat bezien vanuit de consument. [1] Food Labels: tricks of the trade (BEUC-PR-2018-010) [2] E-003659/2018 (ASW) van 6 september 2018 [3] Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten [4] Verordening (EU) nr. 1169/2011, artikel 7 (eerlijke informatiepraktijken) [5] Verordening (EU) nr. 1169/2011, artikel 9 (lijst van verplichte vermeldingen) [6] Verordening (EU) nr. 1169/2011, artikel 13 (presentatie van verplichte vermeldingen) [7] Verordening (EU) nr. 1169/2011, artikel 20 sub b (Weglating van bestanddelen van een levensmiddel uit de lijst van ingrediënten) [8] Verordening (EU) nr. 1169/2011, artikel 22 (Kwantitatieve opgave van de ingrediënten) [9] Hoe kun je voedings-/gezondheidsclaims gebruiken voor levensmiddelen? JutD 2016-0146 [10] Regulation ‘could boost clean label’ and build trust: https://www.foodnavigator.com/Article/2018/03/05/Regulation-could-boost-clean-label-and-build-trust [11] https://www.nvwa.nl/onderwerpen/claims-levensmiddelen/documenten/consument/eten-drinken-roken/overige-voedselveiligheid/publicaties/handhaving-claimsverordening-op-ontbijtgranen-2014 [12] ec.europa.eu/food/audits-analysis/act_getPDF.cfm?PDF_ID=13802 [13] www.reclamecode.nl [14] RCC, 2 oktober 2018, 2018/00562 Dit artikel is gepubliceerd in "Juridisch up to Date", december 2018. [post_title] => Clear and clean etikettering van levensmiddelen [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => clear-and-clean-etikettering-van-levensmiddelen [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:55:57 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:55:57 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=13078 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 13067 [post_author] => 16 [post_date] => 2018-12-27 10:46:05 [post_date_gmt] => 2018-12-27 09:46:05 [post_content] => Diverse speciale bureaus bieden tandartsbehandelingen aan in het buitenland. De behandelingen zijn in het buitenland goedkoper. Het gaat vaak om dure behandelingen zoals totale revisies, kronen, implantaten e.d. Wat echter als het mis gaat? Wie gaat dat betalen? Rechtbank Den Haag heeft kort geleden uitspraak gedaan over een zaak die zijn oorsprong vindt in 2009 [!].
Het gebeuren
Tand Correct biedt behandelingen in Turkije aan. Eiseres reist in 2009 naar Turkije voor een grondige revisie van haar gebit. Deze mislukt volkomen. Zij spreekt Tand Correct aan en eist vergoeding van de schade en tevens smartengeld.
Standpunt Tand Correct
Tand Correct stelt dat zij slechts als tussenpersoon heeft gehandeld tussen eiseres en de Turkse tandartsen. Zij stelt dat zij geen bemoeienis heeft gehad met de tandheelkundige behandeling. De rechtbank gaat zich buigen over de zaak.
Feiten
De feiten die van belang zijn voor het oordeel van de rechter:
  • eiseres ging naar Tand Correct met de vraag of haar gebit voor een voor haar aanvaardbare prijs kon worden gereviseerd,
  • Tand Correct beschikt volgens haar eigen informatie over eigen tandklinieken en eigen tandartsen in Turkije,
  • één van die tandartsen heeft in Nederland het vooronderzoek gedaan,
  • eiseres heeft van Tand Correct een behandelplan en offerte ontvangen,
  • bij de offerte was een bijlage ingesloten met daarin het Nederlands coderingssysteem van behandelingen,
  • het behandelplan is uitgevoerd door dezelfde door Tand Correct ingeschakelde tandarts,
  • Tand Correct verzorgt volgens eigen mededelingen de nazorg en geeft garantie op kronen,
  • na bemiddeling door Tand Correct heeft eiseres nog verschillende herstelbehandelingen in Nederland en Turkije ondergaan.
De rechtbank leidt hieruit af dat Tand Correct wel degelijk bemoeienissen had. Tand Correct is dan ook aansprakelijk voor de door haar ingeschakelde hulppersonen. Zij is dus aansprakelijk voor foutieve handelingen van de tandarts in Turkije.
Fout van tandarts?
Volgens de rechtbank is de door Tand Correct ingeschakelde tandarts ernstig tekortgeschoten op verschillende punten. Dit blijkt uit diverse evaluaties van andere tandartsen en parodontologen. Het o.a. breken van bruggen is geen normale complicatie en moet vergoed worden.
Herstel in Turkije?
De rechter vindt niet dat eiseres opnieuw naar Turkije moet voor het herstel. Dit mede gelet op de omvang van de herstelwerkzaamheden. Dit betekent dat Tand Correct gehouden is de kosten te vergoeden voor behandelingen in Nederland en dus naar Nederlands prijspeil.
Smartengeld
Eiseres heeft recht op smartengeld. Vast staat dat eiseres als gevolg van de fout nog verschillende malen naar Turkije is teruggereisd. Zij heeft nog zes herstelbehandelingen bij Tand Correct in Nederland ondergaan. Ook heeft zij vervolgens talloze malen haar eigen tandarts bezocht. Alleen al uit het overzicht van de behandelingen die eiseres in de periode van juli 2012 tot maart 2013 heeft ondergaan blijkt dat zij kampte met een scala aan pijnlijke klachten. Nog altijd heeft eiseres last van pijn en ongemak. Tand Correct stelt dat eiseres in 2009 al een slecht gebit had. Maar juist daarom wilde eiseres een complete revisie  om van die problemen af te komen. Als de door Tand Correct ingeschakelde tandarts juist zou hebben gehandeld waren de klachten van eiseres verholpen. De Rechtbank wijst daarom smartengeld toe van € 4.000,00. Tevens wijst de rechtbank herstelschade toe en schat dit op € 15.000,00.
Conclusie
Mocht een behandeling in het buitenland [finaal] mislukken dan kan dus het bureau dat de reis en behandeling heeft geregeld aansprakelijk zijn voor de fouten van de tandarts in Turkije. Herstel zal dan in Nederland plaats kunnen vinden tegen Nederlandse prijzen. Dit hangt wel af van de overeenkomst, feiten en omstandigheden. Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling”, december 2018. [post_title] => Tandartsbehandeling in Turkije [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => tandartsbehandeling-in-turkije [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:55:59 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:55:59 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=13067 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 12947 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-12-06 15:29:58 [post_date_gmt] => 2018-12-06 14:29:58 [post_content] => Tijdens de scheiding moet er van alles geregeld worden op financieel en juridisch en emotioneel gebied. Het is daarom raadzaam om de hulp van een derde partij in te schakelen. Een mediator of een eigen advocaat: het is aan de partners welke hulp zij willen inschakelen. Het ligt helemaal af van de omstandigheden waarin u zich bevindt. Welke keuze is het beste?
Mediation: als beide partners dat willen
Mediation of scheidingsbemiddeling is geschikt wanneer beide partners bereid zijn dat traject in te gaan. Een mediator neemt geen beslissingen, maar helpt partners samen om tot besluiten te komen waar ze beiden blij mee zijn. Mediation is een vorm van conflictbemiddeling. De mediator gaat samen met de partners om tafel en streeft naar een goede samenwerking en directe communicatie. Hij of zij is een onafhankelijke, derde partij en gaat samen met u op zoek naar oplossingen waar u zich allebei in kan vinden.
Mediation belangrijk als er kinderen zijn
Een mediator geeft beide partners alle nodige informatie over de juridische en financiële aspecten van de scheiding. Daarnaast besteedt de bemiddelaar aandacht aan de relationele en emotionele kant van de scheiding. Wanneer partners goed uit elkaar willen gaan en een vechtscheiding willen voorkomen, is het inschakelen van een scheidingsmediator zeer aan te raden. Zeker wanneer zij ook ouders zijn en nog in de toekomst met elkaar te maken krijgen. Een scheidingsmediator helpt hen om hun relatie om te buigen van (ex-)partners naar ouders. De mediator streeft altijd naar duurzame afspraken waarvoor draagvlak is bij beide partners; nu én in de toekomst.
Kosten voor scheiding lager door mediation?
Een ander voordeel van mediation is dat de kosten voor een scheiding met een mediator vaak lager uitvallen dan de kosten van een scheiding met ieder een advocaat. Eén van de redenen hiervoor is dat de partners de mediator samen betalen. Als de echtgenoten zich inzetten bij de mediationsessies, kan een scheiding via mediation daarnaast vaak sneller dan een scheiding via advocaten. En hoe sneller de afwikkeling, des te lager de kosten.
Scheiden met eigen advocaat hoeft niet lang te duren
Soms willen mensen niet samen naar een mediator. Of wil een van beiden niet. In dat geval heeft u een advocaat nodig om de scheiding in gang te zetten. Een advocaat behartigt de belangen van één partner. De twee partners kunnen met hun twee advocaten om tafel gaan, maar de advocaten kunnen ook sámen tot beslissingen komen. De advocaten van beide partners hebben soms ook alleen contact met elkaar. Er wordt vaak gedacht dat scheiden met allebei een eigen advocaat langdurige en ingewikkelde scheidingen zijn, maar dat is zeker niet altijd het geval. Het is wel van groot belang dat de advocaten gespecialiseerd zijn in het familierecht, zodat zij uw belangen goed kunnen behartigen. Een nadeel van scheiden met ieder een eigen advocaat is, dat de kosten meestal hoger uitvallen. Beide partners hebben immers een eigen advocaat in de arm moeten nemen. Gepubliceerd in 073Magazine, december 2018 [post_title] => Advocaat of mediator [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => advocaat-of-mediator [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:05 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:05 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12947 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 13074 [post_author] => 16 [post_date] => 2018-11-15 11:21:36 [post_date_gmt] => 2018-11-15 10:21:36 [post_content] => Tijdens de gymles raakt een meisje onwel tijdens een stoeispel. Later blijkt dat zij ernstig nekletsel heeft opgelopen. Een operatie blijkt noodzakelijk; een tussenwervel tussen de vierde en vijfde halswervel wordt verwijderd. Gevolg: het meisje is hierdoor voor 80-100% arbeidsongeschikt geworden in de zin van de Wajong. Is de school aansprakelijk voor het ongeval? Tijdens het spel moeten de leerlingen op hun knieën op een mat tegenover elkaar te zitten en elkaar proberen van die mat af te duwen. Men kan zich hierbij voorstellen dat veelvuldig lichaamscontact hierbij plaatsvindt. Er zullen dan ook maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van letsel. Voor de rechter in deze zaak waren de volgende feiten voor de beoordeling van belang:
  • Het was de eerste keer dat de leerlingen het stoeispel zouden gaan doen. Dit is een extra reden om de oefening goed voor te bereiden en te instrueren. Dit was niet voldoende gedaan.
  • Het meisje werd tegenover een jongen gezet die fysiek sterker is en op kickboxen zat.
  • Het stoeien vond op 5 matten tegelijkertijd plaats. De lerares kon onmogelijk elke mat tegelijkertijd voldoende in de gaten houden.
  • Er waren geen duidelijke [veiligheids]instructies vooraf gegeven. Het was niet duidelijk welke stoeihandelingen wel en welke niet toegestaan waren.
De rechter oordeelde in dit geval dat er onvoldoende maatregelen waren getroffen om de kans op letsel zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De gymlerares heeft daarom onrechtmatig gehandeld. De school, als werkgever van de gymlerares, werd aansprakelijk gesteld en diende de schade te vergoeden. Dit artikel is gepubliceerd in "De Uitstraling", november 2018. [post_title] => Ernstig nekletsel tijdens gymongeval. Is de school aansprakelijk? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => ernstig-nekletsel-tijdens-gymongeval-is-de-school-aansprakelijk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:06 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:06 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=13074 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 12868 [post_author] => 39 [post_date] => 2018-11-06 10:47:09 [post_date_gmt] => 2018-11-06 09:47:09 [post_content] =>
Inleiding
Recentelijk heeft de Hoge Raad zich in zijn uitspraak van 15 juni 2018 uitgelaten over de vraag in hoeverre een borgtochtovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW ontbonden kan worden.[1] Het oordeel van de Hoge Raad luidt kort gezegd dat dit niet mogelijk is. In deze bijdrage zal ik ingaan op de onderhavige uitspraak en de betekenis voor de rechtspraktijk.
De casus
Wave had zich bij schriftelijke overeenkomst van 29 juni 2010 jegens Fortis borg gesteld voor een schuld van S3&A. De schuld van S3&A bij Fortis had een looptijd tot 1 november 2010. S3&A voldeed niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen, waarna rechtsopvolger ABN AMRO in de navolgende periode zowel S3&A als Wave aansprak op het betalingsverzuim. Het gebrek aan enige betaling leidde ertoe dat ABN AMRO zich op 26 september 2012 genoodzaakt zag om tot uitwinning van de borgtocht over te gaan. Wave betaalde niet. Vervolgens heeft ABN AMRO in rechte gevorderd Wave te veroordelen tot betaling van de schuld uit hoofde van de borgtochtovereenkomst. Wave voerde het verweer dat ABN AMRO haar pas ruim een jaar na het betalingsverzuim van S3&A op de hoogte had gebracht. Door het handelen van ABN AMRO kon Wave de door haar bedongen zekerheden niet meer uitwinnen. Wave heeft vanwege deze tekortkoming aan de zijde van ABN AMRO in reconventie de ontbinding van de borgtochtovereenkomst gevorderd. In rechte is komen vast te staan dat ABN AMRO in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende zorgvuldigdheidsplicht als schuldeiser. Het hof heeft Wave vervolgens in de gelegenheid gesteld om met bewijs te komen dat zij met het niet in achtnemen van de zorgvuldigheidsplicht door ABN AMRO schade heeft geleden. Wave is niet in deze bewijsopdracht geslaagd, waarna het hof Wave heeft veroordeeld tot de betaling van de schuld. Hieropvolgend heeft Wave cassatieberoep ingesteld en geklaagd over het feit dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de subsidiaire ontbindingsvordering.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt dat de klacht van Wave niet tot cassatie kan leiden wegens een gebrek aan belang. Immers, zo vervolgt de Hoge Raad, is de borgtochtovereenkomst op grond van artikel 7:850 lid 1 BW naar haar aard niet wederkerig, maar eenzijdig. Alleen de borg neemt namelijk een verbintenis op zich, namelijk tot nakoming van de verbintenis van de hoofdschuldenaar. De borgtochtovereenkomst ontbeert het vereiste ‘ruilkarakter’ van een wederkerige overeenkomst. De Hoge Raad overweegt expliciet dat de verplichtingen van de schuldeiser die verband houden met de borgtocht, zoals die van artikel 6:154 BW, maar ook die van artikel 7:855 lid 2 BW en de algemeen in acht te nemen zorgvuldigheidsverplichting, niet tot een andersluidend oordeel leiden. Nu artikel 6:261 lid 1 BW voorschrijft dat er sprake dient te zijn van een wederkerige overeenkomst kan derhalve niet tot ontbinding van de overeenkomst in geval van een tekortkoming aan de zijde van de schuldeiser worden overgegaan.
Commentaar
De regeling omtrent borgtocht is geregeld in Titel 14 van Boek 7 BW. Ingevolge artikel 7:850 lid 1 BW is een overeenkomst van borgtocht een overeenkomst waarbij de ene partij, de borg, aan de andere partij, de schuldeiser, een persoonlijke zekerheid verschaft met het doel een verbintenis tussen de schuldeiser en een derde, de hoofdschuldenaar, mogelijk te maken. Indien de hoofdschuldenaar zijn verplichtingen niet nakomt, dan kan de schuldeiser de borg aanspreken ter voldoening van de contractuele verplichtingen. Bij een borgtochtovereenkomst neemt dus alleen de borg een verbintenis op zich. Een borgtochtovereenkomst is een afhankelijke verbintenis om ten behoeve van de schuldeiser een prestatie te verrichten in geval een ander zijn verplichting jegens dezelfde schuldeiser in de principale overeenkomst niet nakomt. Ondanks enige (zorg)verplichting aan de zijde van de borg, is de overeenkomst van borgtocht eenzijdig. Een eenzijdige overeenkomst kan niet op grond van artikel 6:265 lid 1 BW worden ontbonden. Dit betekent echter niet dat een borgtochtovereenkomst niet onder omstandigheden wederkerig kan zijn. Dit is het geval indien de schuldeiser, anders dan de verplichtingen van artikel 6:154 BW, artikel 7:855 BW en de zorgvuldigheidsverplichtingen, bepaalde verplichtingen op zich heeft genomen waardoor de overeenkomst een ruilkarakter verkrijgt.[2] Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de borg bij het sluiten van de borgtochtovereenkomst van de schuldeiser een tegenprestatie verlangt. In de praktijk ziet men dit niet vaak voorkomen. Het is veelal de hoofdschuldenaar op wiens verzoek de borgtochtovereenkomst wordt aangegaan. Van Schaick betoogt dat er wel degelijk een ontbindingsmogelijkheid bestaat voor borgtochtovereenkomsten als eenzijdige verbintenis en verwijst hiervoor naar artikel 6:261 lid 2 BW en een uitspraak van de Hoge Raad van 14 april 2000.[3] De regeling voor wederkerige overeenkomsten kent overeenkomstige toepassing op andere rechtsbetrekkingen voor zover de aard van die rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. De aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 14 april 2000 bevestigt in zijn algemeenheid dat de regels omtrent ontbinding ook voor andere rechtsbetrekkingen gelden. Ook de Rechtbank Amsterdam gaat hier in haar uitspraak van 23 mei 2007 in mee.[4] Bergervoet deelt dit standpunt niet en is van oordeel dat, behoudens overeenkomsten waarbij de schuldeiser een tegenprestatie is verschuldigd, de aard van de borgtochtovereenkomst zich tegen overeenkomstige toepassing van de regeling omtrent wederkerige overeenkomsten verzet.[5] Artikel 6:261 lid 2 BW bepaalt immers expliciet dat het dient te gaan om rechtsbetrekkingen met een wederzijds karakter. Bij borgtocht ontbreekt een dergelijk karakter. Ook Steneker in zijn noot bij de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 23 mei 2007 volgt dit standpunt.[6] Slechts indien de borgtochtovereenkomst voldoende mate van wederkerigheid heeft dan kan deze overeenkomst op grond van artikel 6:261 lid 2 BW onder het ontbindingsregime van wederkerige overeenkomsten vallen. Hiervan is sprake indien de schuldeiser bepaalde verplichtingen  heeft, maar dat deze verplichtingen niet gericht zijn op het verkrijgen van een prestatie die de borg moet verrichten. Bergervoet noemt als voorbeelden het toezicht op de liquiditeit en solvabiliteit van de hoofdschuldenaar en het daarover periodiek berichten aan de borg of ervoor waken dat de verpande goederen niet onder een bepaalde minimumwaarde zakken.[7] Een dergelijke overeenkomst wordt ook wel onvolmaakt wederkerig genoemd.[8] De Hoge Raad volgt deze leer in zijn uitspraak van 15 juni 2018 en overweegt met verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2011[9]: “Mogelijk is wel dat in verband met de borgtocht (ook) door de schuldeiser verplichtingen zijn aangegaan die in zodanig nauwe samenhang staan tot de verbintenis van de borg, dat sprake is van een rechtsbetrekking die strekt tot het wederzijds verrichten van prestaties in de zin van art. 6:261 lid 2 BW [..]. In zodanig geval zijn ingevolge zojuist genoemde artikellid de bepalingen omtrent wederkerige overeenkomsten van overeenkomstige toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.” De Hoge Raad laat in het midden wanneer de aard van de overeenkomst zich tegen de overeenkomstige toepassing verzet.  A-G Lückers overweegt in zijn conclusie expliciet dat ook de aard van de borgtochtovereenkomst zich verzet tegen overeenkomstige toepassing van het ontbindingsregime van wederkerige overeenkomsten. Hij overweegt dat de verkrijging van zekerheid voor de nakoming van een andere overeenkomst, die de wederpartij van de borg anders niet zou zijn aangegaan, centraal staat en dit is van allesoverheersend belang. Deze aard verzet zich tegen de mogelijkheid om voor elke tekortkoming van een nevenverplichting ontbinding te kunnen inroepen.[10] Deze gevolgtrekking is in mijn optiek goed te volgen. Een ontbindingsmogelijkheid ondermijnt het gegeven belang van een borgtocht, namelijk het verrichten van een tegenprestatie indien de hoofdschuldenaar zijn contractuele verplichtingen niet nakomt. Het is onwenselijk dat een borg onder deze verplichting uit komt nu, zonder borgtochtovereenkomst, de principale overeenkomst nimmer zou zijn aangegaan. Het gebrek aan de mogelijkheid voor ontbinding laat tot slot onverlet dat de borg een vordering tot schadevergoeding kan instellen.
Conclusie
De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 15 juni 2018 geoordeeld dat ontbinding van een borgtochtovereenkomst in beginsel niet mogelijk is. Slechts onder de omstandigheid dat de borgtochtovereenkomst voldoende mate van wederkerigheid heeft kan dit tot een andersluidend oordeel leiden, mits de aard van de overeenkomst zich daartegen niet verzet. Door niet te duiden wanneer de aard van een borgtochtovereenkomst zich tegen overeenkomstige toepassing verzet, laat de uitspraak de nodige ruimte voor interpretatie. Gepubliceerd in Balans, 21 september 2018 [1] Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:915. [2] Vergelijk J.W.H. Blomkwist, Borgtocht (Mon. BW B78), nr. 23. [3] HR 14 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5516. [4] Rb. Amsterdam 23 mei 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1861. [5] G.J.L. Bergervoet, Borgtocht (O&R nr. 84) 2014/7.3.2. [6] Rb. Amsterdam 23 mei 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB1861. [7] G.J.L. Bergervoet, Borgtocht (O&R nr. 84) 2014/7.3.1. [8] Asser/Van Schaick 2012, nr. 69. [9] Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4340, r.o. 3.15. [10] Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:915 (concl. A-G Lückers), r.o. 2.10. [post_title] => Borgtocht en de onmogelijkheid van ontbinding [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => borgtocht-en-de-onmogelijkheid-van-ontbinding [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:07 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:07 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12868 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 12857 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-11-01 14:30:58 [post_date_gmt] => 2018-11-01 13:30:58 [post_content] => In mijn praktijk komt het regelmatig voor dat degene die alimentatie zou moeten betalen aangeeft dat hij of zij wil stoppen met werken, of in ieder geval minder zou willen werken. De ander moet dan meer gaan werken, en heeft ook een verdiencapaciteit is een veelgehoorde kreet. In een mediation kun je middels het bespreken en zien van elkaars belangen en het gezamenlijk belang komen tot een voor beide partijen hanteerbare oplossing. Bij echtscheidingen op tegenspraak speelt deze kwestie soms ook een rol, en soms nog wat heftiger. Zo had ik ooit een cliënte, die al 40 jaar gehuwd was met dezelfde man. De man bleef op een gegeven moment ineens thuis en dat gaf veel extra problemen. Zij was gewend haar eigen leven te leiden. De communicatie tussen partijen was slecht. Later tijdens de echtscheidingsprocedure bleek dat de man al met de Vut was gegaan en dus vrijwillig minder was gaan werken. Enigszins verbaasd over dit feit, nl de vrouw dacht dat de man in de ziektewet zat, werd in de uiteindelijke beschikking door de rechtbank rekening gehouden met zijn verminderde inkomen. De man mocht gebruik maken van de geldende vut -regeling. In een ander geval had iemand minder geluk. Het ging om een man die internationale chauffeur was en in het zicht van de echtscheiding zijn baan had verruild voor een baan als nationale chauffeur en dus minder extra vergoedingen ontving. De rechtbank was in dit geval van mening dat er sprake was van verwijtbaar, herstelbaar inkomensverlies en hij zijn oude baan had kunnen behouden. In de uiteindelijke berekeningen ging de rechtbank uit van het hogere salaris bij het vaststellen van de alimentatie. Een en ander is opnieuw bekrachtigd in een recente beschikking van het Hof Den Bosch. > Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30-08-2018 (pub. 03-10-2018), ECLI:NL:GHSHE:2018:3663 In dit geval had de man had zijn baan opgezegd en woont en werkt nu in Brazilië. Hij was zelfs inmiddels getrouwd met een Braziliaanse. Ook hier besliste het Gerechtshof, het is een eigen keuze van de man. Dat de man thans een aanzienlijk lager salaris verdient, dient volledig voor zijn rekening te komen. Zij hielden dus rekening met het oude hogere salaris. Dus vrijwillig en verwijtbaar stoppen met werken of minder werken om de alimentatie minder te laten zijn zal in eerste instantie niet gehonoreerd worden. Daarbij is wel van belang of het verlies van het arbeidsinkomen herstelbaar is. Er zal een doordacht plan moeten zijn of er moet sprake zijn van omstandigheden die buiten jezelf liggen, wil rekening gehouden worden met een vrijwillig en verwijtbaar minder inkomen. De andere kant is dat in de huidige rechtspraak er steeds meer rekening gehouden wordt met de verdiencapaciteit aan de zijde van de alimentatiegerechtigde. Ook die kan en wordt in staat geacht meer te gaan verdienen, waarbij de persoonlijke omstandigheden een rol spelen. Gepubliceerd in 073Magazine, november 2018 [post_title] => Stoppen met of minder werken in verband met alimentatie? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => stoppen-met-of-minder-werken-in-verband-met-alimentatie [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:09 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:09 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12857 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 17104 [post_author] => 7 [post_date] => 2018-10-26 15:42:49 [post_date_gmt] => 2018-10-26 13:42:49 [post_content] => Een procespartij in bewijsnood, heeft een doeltreffend middel ter beschikking in de vorm van artikel 843a Rv, om met een beroep daarop inzage te krijgen in bepaalde bescheiden of daarvan zelfs een afschrift of uittreksel te krijgen. Zodoende kan voorzien worden in bewijs dat noodzakelijk geleverd moet worden in een procedure na het betrekken van processuele stellingen. Artikel 843b Rv geeft een procespartij, aan wie bewijs opgedragen is, een soortgelijk instrument voor het geval die procespartij wel over bewijsmiddelen beschikt heeft, maar die verloren is (denk aan een wederkerige overeenkomst die in tweevoud is opgemaakt door de debiteur en de crediteur, waarvan één van beiden die schriftelijke overeenkomst kwijt is, of aan een harde schijf die gecrashed is). Hoewel de tekst van het artikel niet de eis stelt van een rechtmatig belang, wordt er in het algemeen wel vanuit gegaan dat ook de partij die zich op artikel 843b Rv beroept, een rechtmatig belang moet hebben. Artikel 843a Rv duikt met enige regelmaat op in de rechtspraak omdat het vaak onjuist wordt toegepast of omdat het gebruikt wordt als een schot hagel. Fishing expeditions zijn niet toegestaan en een te ruim geformuleerde vordering wordt afgewezen. Een voorbeeld daarvan is Rechtbank Rotterdam, 19-12-2016, [ECLI:NL:RBROT:2016:10190]: r.o. 4.5: Ook het in de bodemprocedure op 21 september 2016 gewezen tussenvonnis is, gelet op het ingenomen standpunt van [eisers], van belang voor de beoordeling in dit kort geding. Tot slot is van belang dat volgens vaste rechtspraak artikel 843a Rv geen grond biedt voor een fishing expeditie. r.o. 4.8: Wat er ook zij van het aanbod van [gedaagden] om vrijwillig stukken af te geven, de vordering van [eisers] dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter, wanneer die gestelde vrijwillige bereidheid buiten beschouwing wordt gelaten, te worden afgewezen, omdat [eisers] onvoldoende rechtmatig belang heeft bij de gevorderde afgifte van stukken en (deels) sprake lijkt te zijn van een fishing expedition. Daarom is het goed dit artikel af en toe in de schijnwerpers te zetten om de lijn in de lagere rechtspraak vast te houden en ontwikkelingen daarin onder ogen te zien. Ook in 2018 zijn enkele uitspraken, zelfs van de Hoge Raad, voorbij gekomen die het bespreken waard zijn. Voor een goed begrip herhaal ik de tekst van het artikel.
Artikel 843a Rv
  1. Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
  2. De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
  3. Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
  4. Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
Wanneer een partij bekend is met de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel maar dit niet in zijn bezit heeft kan hij, wanneer hij deze in een procedure over zou willen leggen, een vordering op grond van artikel 843a Rv instellen. Deze vordering kan zowel in een lopende procedure worden ingesteld (door het opwerpen van een incident) als voorafgaand aan een procedure (bij wijze van voorziening in kort geding). Uit artikel 843a lid 1 Rv blijkt dat de verzoeker moet voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden: 1) de verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, en 3) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de aanvrager partij is. Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Met name dit lid ontbreekt in artikel 843b Rv en dat geeft ook het onderscheid aan. De partij die ooit over het bewijsmiddel beschikte maar het verloren is, mag vorderen dat die in dezelfde positie komt te verkeren als waarin die zich bevond vóór het bewijsmiddel verloren ging. Ook de eis van het partij zijn bij de rechtsbetrekking, waar artikel 843a Rv op ziet, is voor artikel 843b Rv om die reden niet van belang. Ook kan een verzoek op grond van 843a Rv niet worden ingewilligd, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Op deze situatie ziet het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:365). Op grond van artikel 6 EVRM heeft elke procespartij het recht een eigen processtrategie te voeren. De Hoge Raad zag hierin, in navolging van het Hof, reden de ingestelde exhibitievordering af te wijzen. Het Hof had overwogen: “Een aanspraak op inzage in correspondentie die is gewisseld tussen de advocaat van een procespartij en de door die advocaat geraadpleegde deskundige(n), maakt inbreuk op het recht van die partij om haar eigen procespositie te kunnen bepalen. Het gaat hier alleen om een medische analyse van bestaande gegevens, welke analyse niet door de Wet bescherming persoonsgegevens wordt beschermd. [eiseres] staan voldoende andere mogelijkheden ten dienste om zelf een deskundige duiding van die gegevens te verkrijgen. Dit is een afwijzing op grond van artikel 843a lid 4. De klacht dat het Hof niet de toetsingsmaatstaf van artikel 35 WBP gehanteerd had, werd gepasseerd omdat het een vordering betrof tot het verkrijgen van gegevens voor die specifieke procedure, niet om het verkrijgen van medische gegevens waar de WBP betrekking op heeft. Door overlegging van het volledige medisch dossier had de verweerder voldoende gegevens ter beschikking gesteld en was voor toewijzing van een verder strekkende vordering op grond van 843a Rv geen plaats. Hieronder zullen de drie kernpunten kort worden besproken.
(i) Rechtmatig belang
Een verzoeker heeft belang bij het opvragen van stukken als deze relevant zijn voor zijn rechtspositie. Het gaat daarbij in de eerste plaats om een bewijsbelang dat dient te corresponderen met de op hem rustende bewijslast. Het ligt daarbij op de weg van de verzoeker om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt. Het komt er hierbij in beginsel op aan of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt, doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. Betoogd wordt dat de verzoeker bij ieder opgevraagd bescheid een rechtmatig belang dient aan te tonen.
Jurisprudentie
Rechtbank Limburg, 30 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4925: r.o. 4.4: Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel, is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Rechtbank Rotterdam, 13-06-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4716: r.o. 4.4: Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel, is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3151: r.o. 4.2: [eisers 1 t/m 5] hebben hun vordering gebaseerd op het bepaalde in artikel 843a Rv en daaraan ten grondslag gelegd dat zij de informatie uit het dossier nodig hebben om hun vorderingen wegens aansprakelijkheid jegens de notaris en jegens hun zussen te kunnen onderbouwen. r.o. 4.8: Gezien de vorenstaande, uit de rechtspraak voortvloeiende norm is afgifte of inzage van een dossier van een notaris - kort gezegd - slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk. Dat met de afgifte aan dan wel de inzage door [eisers 1 t/m 5] van het dossier van de notaris een maatschappelijk belang gediend is dat zwaarder weegt dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en zo ja, waarin dit maatschappelijke (lees: niet het persoonlijke, alleen de betrokken partijen betreffende) belang in dit concrete geval is gelegen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken of inzichtelijk gemaakt. Reeds om die reden dient het door [eisers 1 t/m 5] gevorderde afgewezen te worden. Rechtbank Zeeland-West-Brabant,18 juli 2018, niet gepubliceerd (E. vs. M.): r.o. 3.52: E. grondt zijn vordering ten eerste op artikel 843a Rv. De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Hierbij gaat het om gevallen waarin de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is maar deze dat stuk niet in haar bezit heeft, terwijl zij het desbetreffende stuk bijvoorbeeld in een procedure zou willen overleggen. In Nederland bestaat geen algemene exhibitieplicht voor partijen, in die zin dat partijen jegens elkaar verplicht kunnen worden tot het verschaffen van informatie en documenten. Met het oog daarop verbindt artikel 843a lid 1 Rv aan de toewijsbaarheid van een vordering als de onderhavige drie cumulatieve voorwaarden. Ten eerste dient de eisende partij een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede moet de vordering 'bepaalde bescheiden' betreffen. Ten derde moet de eiser partij zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. r.o. 3.54: Voorop staat dat het vorderen van 'afgifte' van stukken op grond van dit artikel niet mogelijk is. Subsidiair vordert E. om inzage. Uit het betoog van E. volgt dat hij de gevorderde informatie wenst te verkrijgen omdat hij dan de executie uit hoofde van het arrest van het hof kan voortzetten. Artikel 843a Rv leent zich hier niet voor. De exhibitieplicht van voornoemd artikel dient een bewijsbelang, hetgeen hier ontbreekt. r.o. 3.58: Het recht kent een andere wijze van rechtsbescherming dan zoals E. die zoekt. Artikel 475 g Rv en de daarop volgende bepalingen bevatten diverse mogelijkheden informatie te verkrijgen van de schuldenaar, beslagenen en derden-beslagenen en regelen de gevolgen van niet of ondeugdelijk meewerken.
(ii) Bepaalde bescheiden
Nu er geen sprake is van een algemeen inzagerecht dient de verzoeker de opgevraagde bescheiden met naam en toenaam te benoemen. Deze specificering is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de verzoeker een rechtmatig belang heeft bij inzage. Een verzoek tot inzage in een ‘volledig cliëntendossier’ zal mede op deze grond worden afgewezen. De toelichting bepaalt dat het ook kan gaan om gegevens op andere gegevensdragers dan papier zoals film, foto, cd-rom, dvd, geluidsbanden, computerbestanden, e-mail, USB-stick, tachograafschijf.
Jurisprudentie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-07-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6544: r.o. 4.5: Uit art 843a Rv volgt dat voor toewijzing van deze vordering vereist is dat [appellante] de betreffende stukken tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. [appellante] heeft gemotiveerd betwist dat zij deze stukken onder zich heeft. Artikel 150 Rv brengt mee dat het aan [Curator] is om bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat [appellante] de beschikking heeft over de stukken waarvan afgifte wordt gevorderd. r.o. 4.9: Het hof komt op grond van hetgeen onder 4.5 - 4.8 is overwogen tot het oordeel dat thans onvoldoende is komen vast te staan dat [appellante] de bedoelde bescheiden tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. In verband met de aard van de procedure in kort geding zal [Curator] niet in de gelegenheid worden gesteld om via het doen horen van getuigen tot bewijs te worden toegelaten. Rechtbank Rotterdam, 13-06-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4716: r.o. 3.2: [gedaagde] vordert voor het geval de rechtbank wil ingaan op het inhoudelijke debat, dat de rechtbank Rabobank gelast het volledige dossier in het geding te brengen, teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen om, des nodig, adequaat verweer te voeren op inhoudelijke gronden. [gedaagde] voert daartoe aan dat sprake is van een onredelijk tijdsverloop en dat hij niet beschikt over het gehele dossier dat Rabobank onder zich heeft. In het bijzonder wenst [gedaagde] de beschikking te krijgen over de correspondentie tussen de advocaat van Rabobank en de deurwaarder die destijds de dagvaarding heeft betekend. r.o. 4.4: Een partij kan slechts bepaalde stukken vorderen. De stukken moeten in ieder geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of de eiser een rechtmatig belang heeft. De bescheiden hoeven niet zeer exact omschreven te worden, maar duidelijk moet wel zijn wat precies gevraagd wordt. De vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is. r.o 4.5: De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [gedaagde] om Rabobank te gelasten het volledige dossier in het geding te brengen moet worden afgewezen omdat de vordering van [gedaagde] niet voldoet aan het vereiste dat de stukken zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of [gedaagde] een rechtmatig belang heeft. [gedaagde] heeft immers geen enkel concreet stuk genoemd.
(iii) Aangaande een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is
Het bovengenoemde recht is enkel toegekend aan een verzoeker met betrekking tot bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Deze rechtsbetrekking kan ook uit onrechtmatige daad ontstaan. Het enkel hebben van een rechtens relevant belang is hierbij niet voldoende.
Jurisprudentie
Hoge Raad, 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834: r.o. 3.6.5: Noch uit de tekst van art. 843a lid 1 Rv zoals deze luidt sinds 1 januari 2002, noch uit zijn totstandkomingsgeschiedenis vloeit voort dat art. 843a lid 1 Rv tevens eist dat degene tegen wie de vordering is gericht, partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden is bevestigd dat de zinsnede in art. 843a lid 1 Rv “van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft” een verplichting schept voor eenieder, ongeacht of hij partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking. r.o. 3.6.6: Gezien het voorgaande kan een vordering op de voet van art. 843a lid 1 Rv worden ingesteld tegen wederpartijen bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking, en tegen derden die bij die rechtsbetrekking geen partij zijn.
Samenloop met artikel 22 Rv
De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Anderzijds kunnen partijen aan artikel 22 Rv geen rechten ontlenen, in de zin zoals artikel 843a Rv bedoeld is. Wat wel voor komt is het verzoek van partijen in de processtukken aan de rechtbank, om in het kader van artikel 22 Rv in het geding brengen van bepaalde stukken te eisen. Het blijft te allen tijde een discretionaire bevoegdheid van de rechter of dit verzoek ingewilligd wordt (Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014;6079).
Jurisprudentie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant,18 juli 2018, niet gepubliceerd (E. vs. M.): r.o. 3.55: E. baseert zijn vordering ten tweede op artikel 22 Rv. Dit artikel bepaalt — voor zover voor deze zaak van belang — dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure een partij kan bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. De stukken die E. op het oog heeft, hebben geen betrekking op de vorderingen die de rechtbank in de huidige zaak dient te beoordelen. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-07-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2997: r.o. 6.5.3.9: [geïntimeerde] heeft betwist dat de van [ex-partner] geleende gelden zich nog op (een van) haar bankrekening(en) bevinden. Zij stelt dat deze gelden “op” zijn, maar zij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Nu het, zoals blijkt uit de vordering in incident, gaat om bankrekeningen die enkel op naam van [geïntimeerde] staan, had het op haar weg gelegen deze stelling nader te onderbouwen aan de hand van bankrekening overzichten. [appellant] q.q. was hiertoe immers niet in staat. Het hof zal gelet op het voorgaande op grond van het bepaalde in art. 22 Rv [geïntimeerde] (ambtshalve) bevelen de volgende bescheiden over te leggen ….. Voor zover [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Vorderen
Artikel 843a Rv gaat in het eerste lid uit van “vorderen” van inzage, afschrift of uittreksel van de bedoelde bescheiden. Dat impliceert dat de bescheiden alleen opgevraagd kunnen worden in een dagvaardingsprocedure. Het is bepleitbaar dat ook in een verzoekschrift procedure de “vordering” ex artikel 843a Rv ingesteld kan worden.
Jurisprudentie
Rechtbank Noord-Holland 30 juni 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:5889: r.o. 3.8: De rechtbank oordeelt dat het bij verzoekschrift ingestelde verzoek ex artikel 843a Rv ontvangen kan worden. Hiertoe is het volgende redengevend. In de literatuur wordt wisselend gedacht over de vraag of een 843a-verzoek alleen bij dagvaarding of ook bij verzoekschrift kan worden ingesteld. Van doorslaggevende betekenis acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Hierin wordt geoordeeld dat artikel 223 Rv analogisch van toepassing is in verzoekschriftprocedures. Net als in de bepaling van artikel 843a Rv, wordt in deze bepaling de term ‘vorderen’ gebezigd. Blijkens het arrest heeft dit enkele feit niet in de weg gestaan aan overeenkomstige toepassing van de bepaling op verzoekschriftprocedures. Daarbij is overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet tegen die toepassing verzetten. De rechtbank oordeelt dat dit laatste eens te meer geldt voor de bepaling van artikel 843a Rv. Waar artikel 223 Rv staat in het deel van Rv dat expliciet handelt over de dagvaardingsprocedure, staat artikel 843a Rv in de afdeling voor “Enige bijzondere rechtsplegingen”, zodat eens te minder reden bestaat aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid uit te sluiten om een vordering ex artikel 843a Rv bij verzoekschrift in te stellen.
Kort geding
Een vordering ex artikel 843a Rv kan als incident in een lopende bodemprocedure ingesteld worden. Een beroep op artikel 223 Rv, wat voorziet in voorlopige voorzieningen tijdens een lopende bodemprocedure, voor het krijgen van inzage, afgifte of uittreksel van bepaalde bescheiden, zal worden afgewezen. Het bevel tot inzage heeft naar haar aard een definitief karakter en kan daarom niet gelden voor alleen de duur van het geding (vgl. Rb Midden-Nederland 17 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6832). Het is wel mogelijk een vordering ex artikel 843a Rv in te stellen in een afzonderlijk kort geding, zelfs als over de hoofdzaak al een bodemprocedure loopt. Natuurlijk spelen ook daar argumenten als onomkeerbaarheid van de vordering, wat zal leiden tot terughoudendheid. Daarom is het in kort geding meer nog dan in een bodemprocedure dat de vordering concreet, voldoende bepaalbaar en toegespitst wordt geformuleerd.
Jurisprudentie
Rechtbank Gelderland, 05-07-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2828: r.o. 3.1: [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter Thermen Bussloo veroordeelt over te gaan tot:
  1. het verstrekken van een afschrift aan [eiseres] van de NAW-gegevens inclusief de geboortedatum, het telefoonnummer en e-mailadres van de vrouwelijke medewerkster die ten tijde van het incident d.d. 21 december 2015 in Thermen Bussloo vrijwel direct ter plaatse kwam;
  2. het verstrekken van afschrift aan eiseres van de hierna sub 3.2 te noemen stukken dan wel dusdanige gegevens/bescheiden over een dusdanige periode als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
r.o 5.1: De rechtbank veroordeelt Thermen Bussloo om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis afschrift te verstrekken aan [eiseres] van: (i) de onderhoudshistorie (inclusief offertes, werkbonnen en facturen) van de whirlpool over de jaren 2015 en 2016; (ii)de geanonimiseerde ongevallenregistratie over de jaren 2015 en 2016. Vordering (gedeeltelijk) toegewezen. Rechtbank Amsterdam, 27-06-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4494: r.o. 3.1: Eiseres vordert: (4) GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij de minimumprijs ex paragraaf 3.7.2 van de aanbestedingsleidraad heeft bepaald; (5) GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij – vanwege de door CAF bij haar inschrijving ingediende motivering – tot de conclusie is gekomen dat CAF haar inschrijving niet abnormaal laag was. r.o. 4.5: GVB heeft ter zitting toegelicht dat het richtbedrag van 134 miljoen euro hoofdzakelijk is bepaald naar aanleiding van informatie verkregen uit de marktconsultatie, die is gehouden voorafgaand aan de onderhavige aanbesteding. Zoals hiervoor is overwogen heeft zij op basis van de door CAF gegeven toelichting voorshands in redelijkheid kunnen concluderen dat geen sprake is van een abnormaal lage prijs. Anders dan Alstom stelt, rust op GVB geen verdergaande (motiverings)verplichting. GVB is ook niet verplicht aan te tonen hoe zij precies tot het richtbedrag van 134 miljoen euro is gekomen. Vordering afgewezen.
Conclusie
Ook in 2018 heeft artikel 843a Rv de gemoederen aardig bezig gehouden, zoals blijkt uit dit beknopte jurisprudentieoverzicht. De conclusie moet zijn dat een vordering het beste in een lopende bodemprocedure kan worden ingesteld en dat die toegespitst geformuleerd wordt, om uit de sfeer van een fishing expedition te blijven. Daarbij dient per inzage, afgifte of uittreksel voldoende concreet en bepaalbaar uitgelegd te worden wat het rechtmatige belang bij het verkrijgen er van is en zal de eiser uit moeten leggen op welke wijze hij/zij partij is bij de rechtsbetrekking waar het over gaat. In alle gevallen zal de rechter beoordelen of het toewijzen van de vordering noodzakelijk is om bewijs te kunnen leveren, of dat daar op andere wijze in kan worden voorzien. Het komt dus vooral aan op zorgvuldig formuleren aan de voorkant, om teleurstelling aan de achterkant te voorkomen.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 5 oktober 2018. [post_title] => De Exhibitieplicht van artikel 843a Rv [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-exhibitieplicht-van-artikel-843a-rv [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:12 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17104 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 12766 [post_author] => 6 [post_date] => 2018-10-09 11:25:26 [post_date_gmt] => 2018-10-09 09:25:26 [post_content] =>
Inleiding
In mei van dit jaar heeft de NVWA de eerste pakketten kunstmatig vlees (hierna: “kweekvlees”), die bedoeld waren om te proeven in een restaurant[1], verzegeld. De NVWA stelt dat deze maatregel noodzakelijk was om te voorkomen dat consumenten van het restaurant het kweekvlees konden proeven terwijl de veiligheid van het product niet is gegarandeerd. De NVWA stelt dat kweekvlees een nieuw voedingsmiddel (hierna mede: “novel food”) is en dat kweekvlees nog niet is toegelaten als novel food[2]. Daarvoor moet het voldoen aan de eisen van de novel food regelgeving.
Wat is novel food?
Per 1 januari 2018 is de nieuwe novel food verordening in werking getreden[3]. De nieuwe verordening vervangt Verordening (EG) nr. 258/97 en Verordening (EG) nr. 1852/2001[4]. De nieuwe verordening heeft ook geleid tot een nieuw Nederlands warenwetbesluit[5]. Volgens de nieuwe regelgeving zijn novel food voedingsmiddelen (of ingrediënten) die binnen de Europese Unie vóór 15 mei 1997 niet in significante mate voor menselijke voeding werden gebruikt. Voorbeelden van novel food zijn:
  • Nieuwe voedingsmiddelen zoals bijvoorbeeld Chondroïtinesulfaat (een suikerverbinding) dat in de handel wordt gebracht als voedselingrediënt voor gebruik in voedingssupplementen[6].
  • Traditionele levensmiddelen die in landen buiten de Europese Unie al wel werden gegeten, maar nog niet binnen de Europese Unie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan chia seeds[7] en bepaalde insecten.
  • Voedingsmiddelen die zijn verkregen uit nieuwe bronnen of die zijn geproduceerd volgens een nieuwe methode. Denk daarbij bijvoorbeeld aan champignons die met UV zijn behandeld waardoor ze (meer) vitamine D hebben[8][9]. Of aan voedingsmiddelen die zijn geïsoleerd of gekweekt uit dierlijk of plantaardig materiaal of uit micro-organismen, schimmels of algen. Of aan levensmiddelen die bestaan uit technisch vervaardigd nanomateriaal (zo is bijvoorbeeld titaniumdioxide (TiO2/E171) als kleurstof goedgekeurd voor gebruik in voedingsproducten[10]).
Bij kweekvlees worden stamcellen van bijvoorbeeld een koe opgekweekt tot kleine stukjes spiervezel. Genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen vallen niet onder deze verordening maar onder Verordening (EG) nr. 1829/2003[11].
Unielijst van toegelaten nieuwe voedingsmiddelen
Nieuwe voedingsmiddelen moeten eerst een procedure volgen om toegelaten te worden. Alle toegelaten nieuwe voedingsmiddelen worden geplaatst op een zogenaamde Unielijst. Alleen nieuwe voedingsmiddelen die op de Unielijst zijn opgenomen mogen in de Europese Unie in de handel worden gebracht of in levensmiddelen worden gebruikt. In de Unielijst wordt ook opgenomen of er eventuele toelatingsvoorwaarden bestaan. Zo is in het besluit ten aanzien van Chia vermeld[12]: “Chia-olie (Salvia hispanica) zoals gespecificeerd in bijlage I mag als nieuw voedselingrediënt in de handel worden gebracht voor de toepassingen en bij de maximumconcentraties die in bijlage II zijn vastgesteld. In de etikettering van de voedingsmiddelen die de bij dit besluit toegelaten chia-olie bevatten, wordt dit ingrediënt aangeduid als „Chia-olie (Salvia hispanica)”. Alle levensmiddelen die zijn toegelaten als novel food staan vermeld in een online novel food catalogus van de Europese Unie[13]. Wanneer een novel food daar niet staat vermeld, zoals het geval is met kweekvlees, dan moet eerst om opname op deze Unielijst worden verzocht.
Wat zijn de voorwaarden voor acceptatie?
Wanneer een producent twijfelt of een nieuw voedingsmiddel al is toegelaten, dient hij, volgens de verordening, allereerst de lidstaat waar hij het nieuwe levensmiddel voor het eerst in de handel zou willen brengen te raadplegen. In Nederland dient daarvoor de NVWA te worden geraadpleegd. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving en treedt op wanneer een nieuw voedingsmiddel zonder de vereiste Europese toestemming op de markt wordt gebracht. De NVWA heeft dit zo bepaald ten aanzien van kweekvlees. Een producent zou ook de raadplegingsprocedure bij de Commissie kunnen volgen om vast te stellen of een voedingsmiddel een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283[14]. De uitkomst van een dergelijke procedure wordt openbaar gemaakt en opgenomen in de novel food catalogus. Daarbij wordt bij iedere stof / product een kenmerk geplaatst:
  • Voedingsmiddelen in deze catalogus met een wit kruis op een rood vlak mogen niet worden verhandeld.
  • Ingrediënten met het label FS in witte letters op een blauw vlak zijn niet 'novel' als ze in voedingssupplementen zitten, maar wel als ze in andere levensmiddelen zijn gebruikt.
  • Ingrediënten met een wit vinkje op een groen vlak zijn niet 'novel'.
              Volgens de novel food verordening wordt novel food alleen geaccepteerd en op de Unielijst geplaatst indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. het levensmiddel levert volgens de beschikbare wetenschappelijke bewijzen geen veiligheidsrisico voor de menselijke gezondheid op; b. het beoogde gebruik van het levensmiddel is niet misleidend voor de consument, vooral indien het levensmiddel bedoeld is ter vervanging van een ander levensmiddel en de voedingswaarde ervan een significante verandering ondergaat; c. indien het levensmiddel bedoeld is ter vervanging van een ander levensmiddel, verschilt het daar niet zodanig van dat de normale consumptie ervan uit voedingsoogpunt nadelig voor de consument is.
Hoe verloopt de toelatingsprocedure?
De toelatingsprocedure verloopt Europees. Een aanvraag voor markttoelating in de Europese Unie van een nieuw voedingsmiddel moet elektronisch worden ingediend bij de Europese Commissie. Er zijn twee verschillende aanvraagprocedures:
  • Toelatingsprocedure voor een nieuw voedingsmiddel en het actualiseren van de Unielijst ((EU) 2017/2469[15]), en
  • Procedure voor kennisgeving van een traditioneel levensmiddel uit een derde land en actualiseren van de Unielijst ((EU) 2017/2468[16]).
Wanneer de Commissie een aanvraag ontvangt, dan kan zij de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (European Food Safety Authority, EFSA) om advies vragen. De EFSA is een Europees agentschap dat onafhankelijke wetenschappelijke adviezen verstrekt over alle aangelegenheden die direct of indirect van invloed zijn op de voedselveiligheid van mens en dier. Een novel food wordt alleen toegelaten wanneer een veiligheidsdossier conform 2017/2468 dan wel 2017/2469 door de EFSA positief is beoordeeld en toelating door de Europese Commissie is goedgekeurd. Bij de beoordeling van de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen onderzoekt de EFSA: a. of het betrokken nieuwe voedingsmiddel even veilig is als levensmiddelen van een vergelijkbare categorie die al in de Unie in de handel zijn gebracht; b. of de samenstelling van het nieuwe voedingsmiddel en de gebruiksvoorwaarden geen veiligheidsrisico voor de menselijke gezondheid in de Unie vormen; c. of een nieuw voedingsmiddel dat bedoeld is ter vervanging van een ander levensmiddel daarvan niet zodanig verschilt dat de normale consumptie ervan uit voedingswaardeoogpunt nadelig voor de consument is. De EFSA moet binnen negen maanden een wetenschappelijk advies uitbrengen. Deze termijn dient om een voortvarende behandeling van aanvragen te waarborgen. Deze termijn kan in bepaalde gevallen worden verlengd (zoals bijvoorbeeld in het geval informatie die nodig is, ontbreekt). Na de publicatie van een (positief) advies van de ESFA beslist de Commissie binnen 7 maanden op de aanvraag. Traditionele levensmiddelen uit derde landen die aan bepaalde vereisten voldoen, kunnen een versnelde toelatingsprocedure doorlopen.
Monitoring na het in de handel brengen
De verordening bepaalt dat de Commissie voorschriften kan opleggen, om redenen van voedselveiligheid en om rekening te houden met het advies van de EFSA, om het novel food te monitoren nadat het in de handel is gebracht. Dit om erop toe te zien dat de door de EFSA in de risicobeoordeling vastgestelde veilige grenzen van gebruik, niet worden overschreden.
Openbaarheid van gegevens
Een aanvraag voor toelating van een novel food is openbaar. Het wetenschappelijk advies van EFSA is ook openbaar. Dat kan betekenen dat concurrentiegevoelige gegevens daardoor openbaar worden. Daarom kan de aanvrager verzoeken om vertrouwelijke behandeling van bepaalde informatie die hij uit hoofde van de aanvraag verstrekt, wanneer openbaarmaking van die informatie zijn concurrentiepositie zou kunnen schaden. De aanvrager moet concreet aangeven voor welke delen van de informatie vertrouwelijkheid wordt gevraagd. De aanvrager moet ook alle (verifieerbare) informatie verstrekken die de Commissie nodig heeft om het verzoek te kunnen beoordelen. De volgende gegeven worden niet vertrouwelijk behandeld: de naam en het adres van de aanvrager, de benaming en een beschrijving van het nieuwe voedingsmiddel, de voorgestelde gebruiksvoorwaarden voor het nieuwe voedingsmiddel, een samenvatting van de door de aanvrager ingediende studies, de resultaten van de studies die zijn uitgevoerd om de veiligheid van het levensmiddel aan te tonen, indien van toepassing, de analysemethode(n) en ieder verbod dat of iedere beperking die door een derde land met betrekking tot het levensmiddel is opgelegd. Wanneer de aanvrager daar gemotiveerd om verzoekt, dan kunnen recentelijk ontwikkelde wetenschappelijke bewijzen of wetenschappelijke gegevens ter ondersteuning van de aanvraag gedurende vijf jaar vanaf de datum van toelating van het nieuwe voedingsmiddel niet zonder toestemming van de oorspronkelijke aanvrager voor een volgende aanvraag gebruikt.
Kansen voor (het profiteren van) innovatie (door een concurrent)
Onder de oude regelgeving vond de beoordeling van een novel food nationaal plaats. In Nederland door het Bureau Nieuwe Voedingsmiddelen van het College ter beoordeling van geneesmiddelen. Wanneer een novel food in een andere lidstaat al op de markt was dan moest een producent onderbouwen dat het ‘substantially equivalent’ was aan het product dat hij op de markt wilde brengen. Dit moest met wetenschappelijk bewijs worden onderbouwd. Onder de nieuwe regelgeving is dit veel eenvoudiger. Wanneer een novel food op de Unielijst staat dan kan eenieder het novel food in de handel brengen. Het idee is dat dit ervoor zorgt dat ook kleine en middelgrote bedrijven novel food op de markt kunnen brengen zonder te hoeven investeren in dure, en tijd consumerende toelatingsprocedures. Dat moet een boost geven aan innovatie in food. Dit gaat dus alleen op wanneer er al toelating is als novel food.
Wat is er gewijzigd sinds 1 januari 2018?
Tot 1 januari 2018 was de oude verordening (EG) 258/97 van toepassing. De belangrijkste veranderingen onder de nieuwe verordening zijn:
  • de toelating als novel food is niet langer per lidstaat geregel, maar vindt Europees plaats.
  • de veiligheidsbeoordeling vindt plaats door de EFSA (in plaats van een nationale instantie).
  • een nieuwe, snellere procedure om traditionele voedingsmiddelen uit niet-EU landen, die in de EU als novel food worden beschouwd, in de handel te kunnen brengen.
  • een verduidelijking van de definitie van een novel food door een verwijzing naar de algemene definitie van levensmiddelen in Verordening (EG) nr.178/2002 (General Food Law).
  • een Unielijst met goedgekeurde novel foods. Zodra een novel food op deze lijst staat mag eenieder het novel food op de markt brengen.
Conclusie
Naar aanleiding van de handhavingsmaatregelen van de NVWA ten aanzien van het kweekvlees, zijn er Kamervragen gesteld. De Minister heeft op 11 juni 2018[17] geantwoord dat ook voor kweekvlees eerst moet worden vastgesteld dat consumenten het veilig kunnen eten. Tot dat moment mag het ook niet geproefd worden. Op dat moment was er nog geen aanvraag ingediend voor toelating van kweekvlees in het kader van de novel food regelgeving. Inmiddels heeft het Nederlandse bedrijf Mosa Meat via fundraising EUR 7.5 miljoen opgehaald om kweekvlees op de markt te brengen. Het bedrijf moet nu eerst de Europese toelatingsprocedure gaan volgen. Het bedrijf verwacht dat het nog wel anderhalf tot twee jaar duurt voordat kweekvlees als novel food is toegelaten. Men hoopt het kweekvlees in 2021 kweekvlees op de markt brengen. De eerste stappen voor het ontwikkelen van kweekvlees zijn al lang geleden gezet. In 1999 kreeg de grondlegger een octrooi voor een kweektechniek waarmee dierlijke cellen in spierweefsel veranderen. In 2013 presenteerde hoogleraar M. Post de eerste kweekburger. Nu hoopt het bedrijf dat in 2021 de eerste kweekburger op de markt kan worden gebracht. Dit alles betekent dat bedrijven die innovatieve, nieuwe voedingsmiddelen op de markt willen brengen, zich in een vroegtijdig stadium moeten afvragen of sprake is van novel food onder de nieuwe novel food verordening. Wanneer dit het geval is dan zal tijdig de toelatingsprocedure moeten worden gestart om teveel tijdverlies te voorkomen. Daarbij geldt dat de snelheid van afwikkeling van de aanvraag mede wordt bepaald door de kwaliteit en volledigheid van het door de aanvrager ingediende veiligheidsdossier. Daarbij zal met name beoordeeld worden of het voedingsmiddel veiligheidsrisico’s of misleiding voor consumenten oplevert. Verder is het voor ‘meelifters’ nu makkelijker om toegelaten novel food op de markt te brengen. [1] restaurant De Hoop op d’Swarte Walvis bij de Zaanse Schans: https://zaanstad.nieuws.nl/actueel/15946/inwoonster-vraagt-formerende-partijen-om-aandacht-zaans-kweekvlees/ [2] https://www.nvwa.nl/nieuws-en-media/actuele-onderwerpen/eerdere-actuele-onderwerpen/kweekvlees-mag-worden-verhandeld-als-het-veilig-is [3] Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende nieuwe voedingsmiddelen [4] Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie [5] Besluit van 14 november 2017, houdende regels inzake nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen (Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen en genetisch gemodificeerde levensmiddelen) [6] https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/safety/docs/novel-food_authorisation_2017_auth-letter_chondroitin-sulphate_nld_nl.pdf [7] https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/safety/docs/novel-food_authorisation_2017_auth-letter_chia-seeds-ext-steri_en.pdf [8] https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/safety/docs/novel-food_authorisation_2017_auth-letter_uv-mushrooms_en.pdf [9] https://www.cbg-meb.nl/documenten/rapporten/2017/09/20/beoordelingsrapport-uv%E2%80%93behandelde-champignons [10] https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2016.4545 [11] Verordening (EG) Nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders [12] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32013D0050&from=NL [13] https://ec.europa.eu/food/safety/novel_food/catalogue_en [14] Uitvoeringsverordening (EU) 2018/456 van de Commissie van 19 maart 2018 betreffende de procedurele stappen van de raadplegingsprocedure om vast te stellen of een voedingsmiddel een nieuw voedingsmiddel is in de zin van Verordening (EU) 2015/2283 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32018R0456&from=NL [15] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32017R2469&qid=1515763889545&from=en [16] https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32017R2468&qid=1515763757973&from=en [17] https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2018/06/11/beantwoording-kamervragen-over-het-artikel-%E2%80%98kweekvlees-is-er-maar-we-mogen-het-niet-proeven%E2%80%99 Gepubliceerd in Juridisch up to Date, nummer 16, 21 september 2018 [post_title] => Kweekvlees moet eerst voldoen aan eisen novel food regelgeving [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => kweekvlees-moet-eerst-voldoen-aan-eisen-novel-food-regelgeving [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:17 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:17 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12766 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 12725 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-09-26 15:56:03 [post_date_gmt] => 2018-09-26 13:56:03 [post_content] => Als een van beide partners een eigen zaak heeft en u gaat scheiden, kan dat heel ingewikkeld zijn. Soms moeten partners de waarde van het bedrijf verdelen. Het ligt eraan wat u bij het trouwen of samenwonen heeft afgesproken.Als u getrouwd bent in gemeenschap van goederen, is een bedrijf altijd gemeenschappelijk eigendom. Bij een scheiding moeten mensen alles gelijk verdelen, dus óók de onderneming. Het maakt niet uit of het om een bv, een eenmanszaak of een vof gaat. Dit kan anders zijn als u op huwelijkse voorwaarden gehuwd bent. Ook dan kan een verrekening van de waarde aan de orde zijn, bv omdat u nooit verrekend heeft, terwijl dat wel had gemoeten.  Voordat mensen tot een verdeling kunnen komen, moet de waarde van het bedrijf bekend worden. Veel factoren spelen een rol bij het bepalen van de waarde van een onderneming. Wat voor soort zaak heeft u? Heeft u een eenmanszaak: deze valt volledig onder gemeenschap van goederen en moet dus in z’n geheel worden verdeeld. Vof met beide partners: Een vennootschap onder firma (vof) is een onderneming van twee of meer personen. Een vof die eigendom is van beide partners, valt volledig onder de gemeenschap van goederen. Blijft na de scheiding slechts één van de partners bij het bedrijf werken, dan moet een notaris de rechtsvorm omzetten naar een eenmansbedrijf. De waarde van de vof moet in z’n geheel worden verdeeld, voordat dit kan worden omgezet. Het bepalen van de waarde van een vof vraagt specialistische kennis en is van meerdere factoren afhankelijk. Zijn er andere partners in de vof ? Dan valt alleen het deel van uw partner in de gemeenschap van goederen. Besloten vennootschap (bv):Een bv bestaat uit aandelen. Die aandelen moeten bij een scheiding gelijk worden verdeeld, maar vaak zijn de aandelen persoonlijk aan de ondernemende partner verbonden. De ondernemende partner moet in dat geval zijn partner ‘uitkopen’. Dit betekent dat hij aan zijn ex-partner de waarde van de aandelen betaalt, waar de ex-partner door de scheiding recht op heeft . Een onafhankelijke accountant bepaalt de waarde van de aandelen. Meerdere factoren spelen bij deze waardebepaling een rol. Bestaansrecht van het bedrijf in de problemen? Het is verstandig als partners elkaar bij een scheiding iets gunnen, hoe lastig dat in praktijk soms ook is. Dit geldt ook wanneer een eigen bedrijf onderdeel vormt van de scheiding. Een gelijke verdeling kan soms niet worden uitgevoerd zonder dat hier problemen uit voortkomen. Een uitgangspunt bij de verdeling -voor de wet- is het bestaansrecht van het bedrijf. Komt het bedrijf door de verdeling in het gedrang, dan kan dat ook gevolgen hebben voor eventuele alimentatie-afspraken. De draagkracht van de ondernemer neemt immers af doordat hij met zijn bedrijf in financiële problemen komt. Hier lijdt uiteindelijk ook de andere partner onder. Gepubliceerd in 073 Magazine, oktober 2018 [post_title] => Scheiden en een eigen zaak [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => scheiden-en-een-eigen-zaak [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:23 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:23 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl/?p=12725 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 10 [current_post] => -1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 17420 [post_author] => 26 [post_date] => 2018-12-28 09:36:12 [post_date_gmt] => 2018-12-28 08:36:12 [post_content] => Met zijn arresten (Nebula en Berzona) heeft de Hoge Raad in de afgelopen jaren antwoorden gegeven, maar ook nieuwe vragen gecreëerd, over de positie van de licentienemer, indien deze in staat van faillissement wordt verklaard. In 2018 staat de positie van de licentienemer opnieuw centraal in twee arresten van de Hoge Raad. In dit artikel wordt teruggekeken naar de positie van de licentienemer in 2018 en de ontwikkelingen die zich in de rechtspraak van de Hoge Raad in 2018 hebben voorgedaan.
Nebula en Berzona
Lange tijd stond op het raakvlak van het insolventierecht en het intellectuele eigendomsrecht de vraag centraal of een curator in faillissement de mogelijkheid zou hebben om een verplichting tot het dulden van een gebruik, bijvoorbeeld bij een huurovereenkomst of licentieovereenkomst, niet na te komen en aldus een wanprestatie te plegen. In zijn arrest van 3 november 2016 (Nebula)1 leek de Hoge Raad op dit punt duidelijkheid te verschaffen. In cassatie bij de Hoge Raad kwam de rechtsvraag aan de orde of een economisch eigenaar van een onroerende zaak deze zaak na het faillissement van de juridisch eigenaar met werking tegen de boedel kan verhuren aan een derde. De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.5 dat bij wederkerige overeenkomsten het uitgangspunt geldt dat deze niet door het faillissement worden beïnvloed. Dit betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat de schuldeiser van een duurovereenkomst wiens wederpartij failliet wordt verklaard, de rechten uit die overeenkomst kan blijven uitoefenen alsof er geen faillissement was. Zou dit wel worden toegelaten, dan zou het beginsel van gelijkheid van schuldeisers op onaanvaardbare wijze worden doorbroken. "Dit geldt", aldus de Hoge Raad, "ook voor gevallen waarin de gefailleerde krachtens de tussen partijen gesloten overeenkomst niet is gehouden een bepaalde prestatie te verrichten, maar het gebruik van een aan hem in eigendom toebehorende zaak te dulden. Indien de wederpartij van de gefailleerde van de curator zou kunnen verlangen dat deze het voortgezet gebruik van de desbetreffende zaak duldt, zou deze wederpartij immers in feite bevoegd zijn het faillissement in zoverre te negeren. Voor dat laatste is echter slechts plaats in uitzonderlijke, in de wet uitdrukkelijk geregelde, gevallen. Bovendien zou door aanvaarding van een zodanige regel een goed beheer ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de tot de boedel behorende zaken ten aanzien waarvan langlopende overeenkomsten bestaan, in ernstige mate worden bemoeilijkt." Aan het oordeel van de Hoge Raad in het Nebula-arrest is in de daaropvolgende jaren veel waarde toegekend. Direct werd de koppeling gemaakt met de binnen het intellectuele eigendomsrecht veel gehanteerde licentieovereenkomsten. De conclusie op basis van Nebula: als de licentiegever failleert, dan mag de curator jegens de licentienemer wanpresteren en hoeft hij het gebruik van het betreffende intellectuele eigendomsrecht niet te dulden. De duidelijkheid die de Hoge Raad in het Nebula-arrest leek te hebben geschapen, bleek echter van niet al te lange duur. Op 11 juli 2014 wees de Hoge Raad arrest in de zogeheten "Berzona"-zaak2. De Hoge Raad zag zich geconfronteerd met de vraag of een vordering tot gebruik van een pand (huur) als steunvordering zou kunnen dienen bij de aanvraag van het faillissement van de verhurende partij. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag negatief. De Hoge Raad overwoog in r.o. 3.6.4. dat de curator in faillissement niet (actief) een bevoegdheid of vordering toekomt, anders dan uit de wet of overeenkomst, zoals het ontruimen of opeisen van het gehuurde als de huurovereenkomst nog loopt. Zou een curator een dergelijke bevoegdheid of vordering wel toekomen, dan zou dit in strijd zijn met het beginsel dat het faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkerige overeenkomsten. De heersende opinie in de literatuur is dat de Hoge Raad in het Berzona-arrest is teruggekomen van zijn Nebula-arrest. De Hoge Raad overweegt immers dat de curator nu juist geen (actieve) bevoegdheid zou hebben het gebruik te kunnen staken, in tegenstelling tot de curator van Nebula B.V. De Hoge Raad voegt echter in r.o. 3.6.5 toe dat in het Nebula-arrest geen ander oordeel besloten ligt. In de literatuur is betoogd dat de Hoge Raad dan met name op het verschil lijkt te wijzen dat in Nebula de economische eigenaar ook na het faillissement nog bevoegd zou zijn het in gebruik gegeven goed te verhuren en dat deze omstandigheid een te grote doorbreking van het uitgangspunt van gelijkheid van schuldeisers zou zijn.3Deze uitleg van voornoemde arresten zou voor de licentienemer betekenen dat de curator van de licentiegever op grond van de wet geen bevoegdheid toekomt om het gebruik te beëindigen. De licentienemer moet zich het faillissement van de licentiegever echter wel aantrekken, in de zin dat zijn handelen niet mag leiden tot een onaanvaardbaar doorbreken van het beginsel van gelijkheid van schuldeisers. Hiervan zou, zoals in het Nebula-arrest, sprake kunnen zijn wanneer de licentienemer na faillissement nieuwe sublicenties aan sublicentienemers zou verschaffen en aldus handelt alsof er geen faillissement bestaat.
Anno 2018
Met de geschiedenis van Nebula en Berzona werd de Hoge Raad in 2018 opnieuw geconfronteerd met vraagstukken die betrekking hebben op het gebruiksrecht bij faillissement. HR Credit Suisse/Jongepier q.q. In zijn arrest van 23 maart 20184 verschaft de Hoge Raad meer duidelijkheid op de vraag of het de curator is toegestaan actief een einde te maken aan een verplichting tot het in gebruik moeten geven. Met verwijzing naar Berzona bevestigt de Hoge Raad dat een faillissementstoestand de curator geen bevoegdheid verschaft om een door de schuldenaar voor het faillissement verrichte prestatie ("actief") ongedaan te maken of een voortdurende prestatie voor zover deze bestaat uit een dulden of nalaten, te beëindigen, zoals door intrekking van een verleende licentie of opeising van een verhuurde zaak. Deze overweging zet de rechtsregel uit het Berzona-arrest kracht bij, te meer nu de Hoge Raad ook expliciet het woord 'licentie' heeft gebruikt. Daarmee luidt de conclusie anno 2018 dat, tenzij uit de wet of overeenkomst anders blijkt, de failliete licentiegever niet de bevoegdheid heeft een voortdurend gebruik (actief) te beëindigen. In een op het moment van schrijven (nog) niet gepubliceerd arrest van de Hoge Raad van 9 november 20185 gaat de Hoge Raad nog een stap verder en sanctioneert hij de curator die een voortdurende prestatie, die bestaat uit een dulden of nalaten, actief beëindigt zelfs. In dit geval had de curator als huurder van een pand, in strijd met de geldende huurovereenkomst en ondanks sommatiebrieven van de verhuurder, het pand onderverhuurd aan de doorstarter, terwijl de verhuurder voor het gebruik geen vergoeding heeft ontvangen. De Hoge Raad oordeelde dat de curator in dit geval zelfs persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor de schade die de wederpartij heeft geleden als gevolg van dit handelen. De vraag is gerechtvaardigd in hoeverre curatoren in het licht van dit arrest met een beroep op Nebula nog zouden overgaan tot het actief beëindigen van het gebruik op grond van een dulden of nalaten, zoals een licentieovereenkomst. HR KAV Autoverhuur Exact een maand voor het arrest Credit Suisse/Jongepier q.q., wees de Hoge Raad een ander arrest dat eveneens voor de licentiepraktijk van belang is. De omstandigheden in dit arrest zijn echter wezenlijk anders dan de omstandigheden in de hiervoor behandelde arresten. In deze casus was er een rechthebbende ("MAN") die een voertuig aan een tussenpersoon ("RTL") in gebruik gaf, die op haar beurt het voertuig weer in gebruik gaf aan de eindgebruiker ("KAV"). Achtereenvolgens beëindigt MAN de leaseovereenkomst met RTL op 3 december 2011 en gaat RTL op 11 december 2012 failliet. KAV heeft vervolgens gedurende enkele maanden nog het gebruik van het geleasete voertuig, alvorens zij op grond van een nieuwe huurovereenkomst het voertuig inlevert. De curator van RTL vordert vervolgens de betaling van de huursom op grond van de onderhuurovereenkomst tussen RTL en KAV. KAV stelt zich daarentegen op het standpunt hier niet toe gehouden te zijn, aangezien RTL na de beëindiging van de hoofdhuurovereenkomst niet meer bevoegd was het voertuig aan KAV te verhuren. De Hoge Raad stelt de curator in het gelijk en overweegt in r.o. 3.3.3 hiertoe dat RTL zich op grond van de onderhuurovereenkomst jegens KAV verbonden heeft om het voertuig aan haar voor gebruik ter beschikking te stellen. Voor de geldigheid van de huurovereenkomst is niet vereist dat RTL ook daadwerkelijk eigenaar of uit andere hoofden in staat is om het gebruik van de zaak te hebben. Van een tekortkoming van RTL zou pas sprake zijn indien een derde tegenover KAV een beter recht pretendeert te hebben en het bovendien als gevolg daarvan tot een feitelijke stoornis van het gebruik komt. Zolang MAN niet tot opeising van het voertuig overgaat, behoudt KAV het feitelijke gebruik en schiet RTL niet tekort in de nakoming van haar verbintenis. Hoewel dit arrest opnieuw de huur van een goed betreft, lijkt het arrest eveneens van toepassing op een situatie waarin de huur wordt vervangen door licenties. Dit zou betekenen dat in een situatie waarin de overeenkomst tussen de licentiegever/eigenaar en de licentienemer/sublicentiegever eindigt, de sublicentienemer eveneens gebruiksvergoedingen verschuldigd blijft aan de sublicentiegever, zolang de licentiegever/eigenaar zijn eigendom niet opeist en de sublicentiegever feitelijk gebruik kan blijven maken van het in licentie gegeven recht. In tegenstelling tot de situatie waarin een voertuig wordt gehuurd, zoals in het KAV Autoverhuur-arrest, loopt de sublicentienemer bij een voortdurend gebruik echter nog een extra risico, in het niet ondenkbeeldige geval dat de licentie betrekking zou hebben gehad op het gebruik van een intellectueel eigendomsrecht. Immers heeft de licentiegever/eigenaar de mogelijkheid om schadevergoeding en winstafdracht te vorderen en bovendien de sublicentienemer veroordeeld te krijgen in de daadwerkelijke kosten van de procedure(s), zoals volgt uit artikel 1019h Rv, vanwege het onrechtmatige gebruik van het betreffende intellectuele eigendomsrecht. In het ergste geval meldt de licentiegever/eigenaar zich na enkele maanden na het faillissement van de licentienemer/sublicentiegever, namelijk op het moment dat de sublicentienemer gebruiksvergoedingen heeft betaald aan de boedel van de licentienemer/sublicentiegever. Net als voor KAV in voornoemd arrest bestaat voor de sublicentienemer, bij faillissement van de licentienemer/sublicentiegever, ook de mogelijkheid om de sublicentieovereenkomst te ontbinden (artikel 6:80 BW) of zijn betalingsverplichtingen op te schorten (artikel 6:263 BW). Daarmee zijn de potentiële problemen met de licentiegever/eigenaar nog niet opgelost. Het advies voor de sublicentienemer is aldus zo spoedig mogelijk in contact te treden met de licentiegever/eigenaar om een oplossing voor de dreigende inbreuksituatie te vinden. Uiteraard bestaat daarnaast de mogelijkheid om in een voortijdig stadium, bij voorkeur bij het aangaan van de licentie- en sublicentieovereenkomst, contractueel in te spelen op de mogelijkheid dat de licentienemer/sublicentiegever in staat van faillissement komt te verkeren en te voorkomen dat de sublicentienemer onrechtmatig gebruik gaat maken van een intellectueel eigendomsrecht.
Resumerend
Het jaar 2018 heeft de licentienemer die betrokken raakt bij het faillissement van zijn licentiegever meer duidelijkheid verschaft over zijn juridische positie. De rechtsregels uit HR Berzona zijn nogmaals bevestigd in HR Credit Suisse/Jongepier q.q. De curator van de licentiegever is, behoudens de mogelijkheden die de wet of overeenkomst hem bieden, niet bevoegd de licentieovereenkomst te beëindigen. Daarmee lijkt het bereik van HR Nebula tot nagenoeg nihil te zijn geslonken. Zou een curator zelfs actief tot beëindiging van een situatie die hij zou moeten dulden of nalaten overgaan, dan zou de licentienemer de curator zelfs pro se aansprakelijk kunnen houden. Ten slotte leert het KAV Autoverhuur-arrest dat de curator van de failliete sublicentiegever wel aanspraak kan blijven maken op een licentievergoeding van de sublicentienemer wanneer het gebruik op grond van de licentieovereenkomst wordt toegestaan. De sublicentienemer zou hierdoor inbreukmakend kunnen handelen ten opzichte van de eigenaar/rechthebbende. De sublicentienemer doet er aldus verstandig aan dit risico zoveel als mogelijk contractueel af te dekken en in geval van faillissement van de sublicentiegever direct tot actie over te gaan. Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 7 december 2018. [post_title] => De positie van de licentienemer bij faillissement anno 2018 [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-positie-van-de-licentienemer-bij-faillissement-anno-2018 [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2022-01-03 10:53:10 [post_modified_gmt] => 2022-01-03 09:53:10 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17420 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 132 [max_num_pages] => 14 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => [is_tag] => [is_tax] => 1 [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => 1 [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_favicon] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => 6f8678c06003d8881f8d02ae6fe5f639 [query_vars_changed:WP_Query:private] => [thumbnails_cached] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) [tribe_controller] => Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller Object ( [filtering_query:Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller:private] => WP_Query Object *RECURSION* ) )
Met zijn arresten (Nebula en Berzona) heeft de Hoge Raad in de afgelopen jaren antwoorden gegeven, maar ook nieuwe vragen gecreëerd, over de positie van de licentienemer, indien deze in...
Lees meer
Inleiding Consumenten willen meer en meer een gezonde levensstijl en daar hoort ook gezonde voeding bij. Bij het aanprijzen van levensmiddelen wordt daarop ingespeeld. Daarbij wordt veelvuldig gebruik gemaakt van...
Lees meer
Diverse speciale bureaus bieden tandartsbehandelingen aan in het buitenland. De behandelingen zijn in het buitenland goedkoper. Het gaat vaak om dure behandelingen zoals totale revisies, kronen, implantaten e.d. Wat echter...
Lees meer
Tijdens de scheiding moet er van alles geregeld worden op financieel en juridisch en emotioneel gebied. Het is daarom raadzaam om de hulp van een derde partij in te schakelen....
Lees meer
Tijdens de gymles raakt een meisje onwel tijdens een stoeispel. Later blijkt dat zij ernstig nekletsel heeft opgelopen. Een operatie blijkt noodzakelijk; een tussenwervel tussen de vierde en vijfde halswervel...
Lees meer
Inleiding Recentelijk heeft de Hoge Raad zich in zijn uitspraak van 15 juni 2018 uitgelaten over de vraag in hoeverre een borgtochtovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW ontbonden kan...
Lees meer
In mijn praktijk komt het regelmatig voor dat degene die alimentatie zou moeten betalen aangeeft dat hij of zij wil stoppen met werken, of in ieder geval minder zou willen...
Lees meer
Een procespartij in bewijsnood, heeft een doeltreffend middel ter beschikking in de vorm van artikel 843a Rv, om met een beroep daarop inzage te krijgen in bepaalde bescheiden of daarvan...
Lees meer
Inleiding In mei van dit jaar heeft de NVWA de eerste pakketten kunstmatig vlees (hierna: “kweekvlees”), die bedoeld waren om te proeven in een restaurant[1], verzegeld. De NVWA stelt dat...
Lees meer
Als een van beide partners een eigen zaak heeft en u gaat scheiden, kan dat heel ingewikkeld zijn. Soms moeten partners de waarde van het bedrijf verdelen. Het ligt eraan...
Lees meer
  • Workshop over IP en Mededinging

    Lees meer
  • Seminar Food Recall - 22 maart 2017

    Lees meer
  • Ontbijtbijeenkomst: “E-commerce – do’s en dont’s bij internetverkopen”

    Lees meer
  • Food and Future - What's happening in 2025?

    Lees meer
  • 18 mei 2017: Actualiteiten arbeidsrecht onder de WWZ

    Lees meer
  • Food Safety Day 2017

    Lees meer
  • Event: How to succeed with grants like Horizon 2020 and Eurostars

    Lees meer
  • Seminar: De laatste kans, wat u echt nog moet veranderen aan uw privacybeleid voor 25 mei 2018!

    Lees meer
  • Event Workshop: Grenzen Reclame

    Lees meer
  • Event Seminar: ‘De praktische toepassingen van Blockchain in de AgriFood’

    Lees meer
  • Seminar: gevolgen inwerkingtreding WAB

    Lees meer
  • Event Seminar: Investeren 2.0 Nieuwe vormen van financieren en investeren

    Lees meer
  • Openingsbijeenkomst voor relaties Bogaerts & Groenen advocaten

    Lees meer
  • Briskr workshop IP/Geheimhouding

    Lees meer
  • Lunchbijeenkomst op Pivot Park: bescherming bedrijfsgeheimen

    Lees meer
  • Lunchbijeenkomst op Pivot Park: pay for delay afspraken

    Lees meer
  • Seminar: samen innoveren

    Lees meer
  • Den Bosch Data Week: Praktijkervaringen Blockchain and food

    Lees meer
  • BG.legal op AgriFoodTech Brabanthallen: Laat legal geen spelbreker zijn bij samenwerking

    Lees meer
  • Webinar voor ondernemers: gevolgen Coronacrisis (vervolg)

    Lees meer
  • Webinar data

    Lees meer
  • ON LIFE SCIENCES & DATA PRIVACY

    Lees meer
  • Webinar: Ondersteuning bij de gevolgen van de coronacrisis voor ondernemers

    Lees meer
  • 8 mei 2020 Webinar Pivot Park: gevolgen Coronacrisis voor ondernemers

    Lees meer
  • Gratis webinar: ‘Een mislukt automatiseringsproject, en nu?’

    Lees meer
  • Gratis webinar: ‘Merken, handelsnamen en reclame: wat mag wanneer?’

    Lees meer
  • WEBINAR arbeidsrecht: Help, ik moet reorganiseren!

    Lees meer
  • WEBINAR AI, HEALTHCARE AND LAW op 22 september a.s.

    Lees meer
  • Webinar AI in de zorg

    Lees meer
  • Webinar Fashion & Law deel 1

    Lees meer
  • Webinar NDA, secrecy and cooperation

    Lees meer
  • Webinar beschermingsmogelijkheden van AI

    Lees meer
  • Webinar legal voor AI startups/scale-ups

    Lees meer
  • Webinar Actualiteiten Arbeidsrecht

    Lees meer
  • WEBINAR Praktijkvoorbeelden van AI, E-Health en contractering in de zorg 

    Lees meer
  • Webinar 'De adviseur in de echtscheiding'

    Lees meer
  • Webinar Fashion & Law deel 2

    Lees meer
  • Dag van het Erfrecht

    Lees meer
  • Webinar actualiteiten arbeidsrecht

    Lees meer
  • Webinar Mensgerichte Artificiële Intelligentie

    Lees meer
  • Webinar Huisvesting arbeidsmigranten

    Lees meer
  • WEBINAR 30% TAX RULE – TAX AND LABOUR LAW ISSUES

    Lees meer
  • DVC - SI Tafelgesprek

    Lees meer
  • Webinar grensoverschrijdend (seksueel) gedrag op de werkvloer

    Lees meer
  • Webinar Algemene Voorwaarden B2B

    Lees meer
  • AI Regulatory Sandbox

    Lees meer
  • Webinar Mensgerichte Artificiële Intelligentie

    Lees meer
  • Startup Meetup: AI

    Lees meer
  • Actualiteiten arbeidsrecht

    Lees meer
  • Seminar Cybersecurity

    Lees meer