Publicatie

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [paged] => 4
            [news-type] => publicatie
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [paged] => 4
            [news-type] => publicatie
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [category_name] => 
            [tag] => 
            [cat] => 
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 10
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [taxonomy] => news-type
            [term] => publicatie
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => news-type
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => wp_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [news-type] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => wp_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 28
            [name] => Publicatie
            [slug] => publicatie
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 28
            [taxonomy] => news-type
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 120
            [filter] => raw
        )

    [queried_object_id] => 28
    [request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  wp_posts.ID FROM wp_posts  LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT  JOIN wp_icl_translations wpml_translations
							ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
								AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type)  WHERE 1=1  AND ( 
  wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (28)
) AND wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft') AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR 0 ) AND wp_posts.post_type  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker' )  ) OR wp_posts.post_type  NOT  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker' )  ) GROUP BY wp_posts.ID ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC LIMIT 30, 10
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 12125
                    [post_author] => 8
                    [post_date] => 2018-05-03 12:04:30
                    [post_date_gmt] => 2018-05-03 10:04:30
                    [post_content] =>  

Een scheiding is een moeilijk proces, niet alleen in emotioneel opzicht. Partners maken zich wellicht zorgen over hun bezit; raakt u dit nu grotendeels kwijt? Het is daarom prettig om snel duidelijkheid te hebben over de zakelijke aspecten van de scheiding. Allereerst zal bekeken moeten worden of u op huwelijkse voorwaarden of in gemeenschap van goederen bent gehuwd.

Financiële afspraken worden bij een scheiding vastgelegd in een zogenoemd scheidingsconvenant. Overeenkomsten over wonen en kinderen staan daar eveneens in. Het opstellen van een convenant is niet verplicht, maar wel aan te raden. Het convenant vormt onderdeel van het verzoekschrift. Dat is het verzoek aan de rechtbank om te scheiden.

Uiteindelijk moet een rechter het convenant bekrachtigen. Het zorgt ervoor dat de gevolgen van een scheiding (snel en goed) geregeld kunnen worden. Daarnaast kunnen ook banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen vragen om het echtscheidingsconvenant. Dit gebeurt bijvoorbeeld als rekeningen op een andere naam moeten worden gezet.

Wat staat er in een echtscheidingsconvenant?
Ieder echtscheidingsconvenant is anders, omdat elke situatie anders is. Er staan afspraken in over de woning (huur of koop), (minderjarige) kinderen en financiële middelen. Het is belangrijk om in elk geval over de volgende punten afspraken te maken:
– De woning: Blijft één van de partners in de echtelijke woning? Hoe worden woonlasten verdeeld?
– De boedel: Waaruit bestaat die? Hoe verdelen de partners deze op een eerlijke manier?
– Financiële middelen: Hoe verdelen partners spaartegoeden, een erfenis of (als die er zijn) de schulden?
– Kinder- en partneralimentatie: Wie betaalt hoeveel en in welke ge vallen mag dat bedrag worden gewijzigd?
– Pensioen: Wat gebeurt er met uw pensioen of dat van uw partner?

Wanneer zijn de afspraken bindend? In sommige gevallen is het moeilijk om het samen eens te worden. In zo’n geval kan een advocaat uitkomst bieden. Een voordeel: een advocaat kan ervoor zorgen dat de gemaakte afspraken afdwingbaar worden bij een rechter. Een advocaat dient het echtscheidingsconvenant tegelijk met het verzoek tot echtscheiding in bij de rechtbank. Het document krijgt dan een executoriale titel. Dat betekent dat de afspraken afdwingbaar zijn.

Het is ook mogelijk om in een mediation afspraken te maken die worden vastgelegd in een convenant. U zult dan wel beiden aan de mediationtafel moeten aanschuiven.

De sectie Familierechtadvocaten van Bogaerts & Groenen advocaten willen u daarbij graag helpen. Zij leveren laagdrempelige en hoogwaardige kwaliteit. Elke donderdagochtend van 09.00 tot 10.30 u is er een gratis spreekuur in Villa Oldenburg te Vught. Ook in Oisterwijk, Tilburg, Boxtel en Son zijn de spreekuren gratis. Voor meer informatie; neem contact op met Liedeke Floris (088-1410800).

Dit artikel is gepubliceerd in 073Magazine, mei 2018
                    [post_title] => Afspraken over financiële gevolgen na een echtscheiding
                    [post_excerpt] => 
                    [post_status] => publish
                    [comment_status] => open
                    [ping_status] => open
                    [post_password] => 
                    [post_name] => afspraken-over-financiele-gevolgen-na-een-echtscheiding
                    [to_ping] => 
                    [pinged] => 
                    [post_modified] => 2020-01-28 08:56:43
                    [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:43
                    [post_content_filtered] => 
                    [post_parent] => 0
                    [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=12125
                    [menu_order] => 0
                    [post_type] => post
                    [post_mime_type] => 
                    [comment_count] => 0
                    [filter] => raw
                )

            [1] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 12094
                    [post_author] => 7
                    [post_date] => 2018-04-19 09:06:49
                    [post_date_gmt] => 2018-04-19 07:06:49
                    [post_content] => Omstreeks 2009 kwamen de eerste Bitcoins in omloop. Aanvankelijk werd deze cryptovaluta gedolven in peer-to-peer verband door op internet blockchains van transacties op te zetten in een open source. Deze blockchains zijn voor elke deelnemer toegankelijk en volledig transparant en toch onttrekt deze handel in valuta zich aan overheidstoezicht. Dat maakt deze onderlinge handel interessant voor criminele activiteiten en zo is op darkweb alles te koop in Bitcoin wat de wet verbiedt. Of het nu gaat om wapens, drugs, gokken of witwassen, sodom en gomorra zijn er heilig bij.

Van 2009 tot 2016 zijn 100 miljoen transacties in Bitcoin geregistreerd, van 2016 tot 2018 is dat aantal al gestegen tot 300 miljoen. Het valt dus niet te ontkennen dat Bitcoin, maar ook andere cryptovaluta’s enorm aan populariteit winnen, niet in de laatste plaats door de enorme waarde-explosie die zich in de afgelopen jaren heeft afgetekend. Die toename van waarde heeft een groot aantal speculanten aangetrokken en niet alleen uit crimineel milieu. Cryptovaluta is populair geworden bij een groter publiek en de gelukkigen zij daarmee zelfs miljonair geworden.

Het is evident dat onze samenleving verder digitaliseert en we staan aan de vooravond van de derde stroming automatisering die artificial intelligence heet. Het is dus niet intelligent om cryptovaluta nog langer te demoniseren als “het geld van de onderwereld”. Het zal niet lang meer duren voor crytogeld een geduchte concurrent is van de meer “wereldse” valuta, zonder dat de wereld daar nog banken en overheden voor nodig heeft. In dat licht is het dus ook geen gekke gedachte dat Bitcoins een plaats krijgen in een juridisch landschap om te kunnen bepalen hoe daar in situaties mee om te moeten gaan. Toch is de juridische duiding van Bitcoins niet eenvoudig en nog niet volledig uitgekristalliseerd. Enkele voorbeelden.

Op 31 januari 2012 liet de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2012:BQ9251) zich in een strafzaak uit over de vraag of een virtueel amulet en masker in het spel Runescape aangemerkt kunnen worden als een “goed” in de zin van artikel 310 Sr. De verdachte had zich onder andere verweerd met de stelling dat de “goederen” uit het spel slechts bestaan uit bits en bytes en om die reden niet als zodanig kwalificeren. De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de in het spel opgebouwde bezittingen reële waarde hebben, die kunnen worden afgenomen en door inspanning en tijdsinvestering zijn verworven of zijn te verwerven. Bovendien had de bezitter over deze waarden de feitelijke en exclusieve heerschappij. Deze elementen maakten dat de virtuele waarden volgens de Hoge Raad kwalificeren als “goed” in de zin van artikel 310 Sr. De aangelegde criteria lijken één op één te passen op de bezittingen in Bitcoins die een houder in zijn “wallet” kan hebben.

In de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 22 oktober 2015 (C-264/15; Hedqvist) stond de vraag centraal of de bemiddeling bij het omwisselen van Bitcoins in Zweedse Kronen aangemerkt wordt als een met BTW belaste transactie. Het ging over de uitleg van de artikelen 2, lid 1 en 135, lid 1 van de BTW richtlijn 2006/112/EG. Het oordeel luidde dat het hier ging om het verlenen van een dienst onder bezwarende titel, die een van BTW vrijgestelde handeling vormt.

Dat komt volgens het Hof omdat het verhandelen van Bitcoins geen handel is in een “goed” in de zin van de richtlijn (artikel 2) maar het leveren van een dienst, die bovendien vrijgesteld is van BTW heffing (artikel 135) omdat “…de handelingen betreffende niet traditionele valuta’s, dat wil zeggen andere dan de munten die in een of meerdere landen het wettelijke betaalmiddel vormen, voor zover deze valuta’s door de partijen bij een transactie zijn aanvaard als alternatief betaalmiddel op de wettelijke betaalmiddelen en geen ander doel hebben dan te worden gebruikt als betaalmiddel, financiële handelingen vormen.”  Volgens het Hof zou binnen de context en de doelstelling van artikel 135, lid 1, sub e, deze bepaling worden uitgehold als ze alleen gericht zou zijn op handelingen die betrekking hebben op traditionele valuta’s. Omdat vast staat dat Bitcoins enkel tot doel hebben te dienen als betaalmiddel en door partijen daarbij als zodanig worden geaccepteerd, meent het Hof dat de handel in Bitcoins gelijk gesteld moet worden met de handel in reguliere valuta’s. Rechtvaardigt dit de conclusie dat Bitcoins dus als geld kunnen worden gezien in de zin van artikel 6:112 BW en 6:114 BW?

Deze vraag lag voor bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 mei 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4219). In die zaak hadden koper en verkoper een overeenkomst gesloten voor de levering van een aantal Bitcoins tegen een afgesproken prijs, welke afspraak door verkoper niet werd nagekomen. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat Bitcoins niet kunnen worden gezien als geld in de zin van afdeling 6.1.11 BW, maar kwalificeren als ruilmiddel. Volgens de rechtbank kan de Bitcoin niet dienen ter voldoening van een verplichting tot betaling van een geldsom en dient een vordering met als grondslag artikel 6:125 BW te stranden. De verkoper is slecht schadeplichtig op grond van 6:74 BW wegens niet nakoming. Omdat koper de overeenkomst wegens niet nakoming inmiddels had ontbonden vorderde die in hoger beroep een schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door het alsnog leveren van de resterende Bitcoins. Dit deel wijst het Hof af omdat de schade eenvoudig in geld uit te drukken is. De subsidiaire vordering voor schadevergoeding met een beroep op artikel 6:125 BW wijst het Hof ook af omdat het Hof van mening is dat dit artikel geen betrekking heeft op waarde schommelingen van gekochte maar niet geleverde goederen. Ook als kapstok kan het artikel geen dienst doen omdat het ziet op vertraging in de nakoming van een verplichting tot betaling van een geldsom. Nu het artikel niet kan dienen als grondslag voor de vordering, meent het hof dat om die reden niet onderzocht hoeft te worden of Bitcoins als geld in de zin van artikel 6:112 of 6:114 BW zijn aan te merken. Een gemiste kans.

Uit lagere en meer recente rechtspraak is wellicht een indicatie af te leiden over het antwoord op de vraag of Bitcoins geld zijn.

De rechtbank Midden-Nederland deed uitspraak op 7 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6646) in een zaak waarin eiser levering van een aantal computers met de daarop geminede Ethers (een kleine broer van Bitcoins) eiste. De rechtbank wees die vordering toe en moest oordelen over de vraag of op afgifte van de Ethers een dwangsom kon worden gesteld op grond van artikel 611a Rv. Op de betaling van een geldsom kan immers geen dwangsom gesteld worden, op het leveren van goederen wel. De rechtbank zocht voor de beantwoording van die vraag aansluiting bij de Hedqvist uitspraak van het Europese Hof uit 2015 en concludeerde dat de Ethers niet hoofdzakelijk werden gebruikt als betaalmiddel en met dat doel door sommige marktdeelnemers worden geaccepteerd. Daarom vond de rechtbank de Ethers geen geld in de zin van afdeling 6.1.11 BW en wees de vordering tot het verbeuren van dwangsommen toe.

Bitcoins duiken ook op in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:869). In januari 2018 is KOINZ veroordeeld tot betaling van de miningopbrengst van een aantal Bitcoins op verbeurte van een dwangsom. Daaraan voldoet KOINZ niet en daarom vraagt eiser het faillissement aan. Voor het aanvragen van het faillissement moet eiser een verifieerbare vordering te hebben. De rechtbank kwalificeert Bitcoins als op zich staande waarde-bestanden, die bij een betaling rechtstreeks door de betaler aan de begunstigde worden geleverd. Hieruit volgt dat een Bitcoin een waarde vertegenwoordigt en overdraagbaar is. De rechtbank meent dat een Bitcoin hiermee kenmerken vertoont van een vermogensrecht en dat een betaling in Bitcoin dus te beschouwen is als een vordering die voor verificatie in aanmerking komt. De vordering van eiser op KOINZ is bovendien een verbintenis die strekt tot betaling in Bitcoins waaraan KOINZ niet heeft voldaan. Van een vorderingsrecht is dus summierlijk gebleken, aldus de rechtbank. Vervolgens constateert de rechtbank dat de term “betalen” niet alleen ziet op het betalen van een geldvordering, maar meer algemeen op voldoening aan een verbintenis. Omdat KOINZ de verbintenis aan eiser niet heeft voldaan en er steunvorderingen zijn, concludeert de rechtbank dat KOINZ verkeert in de toestand dat ze heeft opgehouden te betalen en verklaart KOINZ failliet.

Deze laatste overweging van de rechtbank komt verraderlijk dicht bij het gebruiken van cryptovaluta als betaalmiddel, die met dat doel door marktdeelnemers worden geaccepteerd. Zouden Bitcoins dan toch kunnen kwalificeren als geld? Voorlopig moet de conclusie zijn dat de rechtspraak verdeeld is. En dat kan ook niet anders. De rechtspraak heeft de taak ontwikkelingen in de maatschappij juridisch te duiden en in te passen in rechtsfiguren die voortkomen uit wetten, richtlijnen, verdragen en andere bronnen die recht scheppen. Zo lang die wetten e.d. niet aangepast worden aan maatschappelijke veranderingen, die bovendien ontwikkelen met de snelheid van het licht, dan is het niet zo raar dat die juridische duiding soms mank gaat en achter actualiteiten aan loopt. Afdeling 6.1.11 BW stamt uit 1992, toen de eerste stroming automatisering met de opkomst van de PC nog moest beginnen. En in dat juridische landschap moeten nu Bitcoins ingebed worden, wat bijna onmogelijk is. De enige oplossing is dat de wet aangepast wordt, waarin de maatschappelijke ontwikkeling van cryptovaluta een eigen plaats krijgt. Niet dat de wet aangepast moet worden voor elke internet-gril, maar Bitcoins en andere cryptovaluta zijn dat stadium inmiddels voorbij. Deze betaalmiddelen nemen in rap tempo klassiek betalingsverkeer over, zonder dat banken en overheden daar nog veel van kunnen vinden. Dat is maatschappelijk te belangrijk en het verdient daarom meer rechtszekerheid dan een versnipperde rechtspraak.



 

 

 

 

 

 

 

 

Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 13 april 2018.
                    [post_title] => Zijn Bitcoins geld?
                    [post_excerpt] => 
                    [post_status] => publish
                    [comment_status] => open
                    [ping_status] => open
                    [post_password] => 
                    [post_name] => zijn-bitcoins-geld
                    [to_ping] => 
                    [pinged] => 
                    [post_modified] => 2020-01-28 08:56:44
                    [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:44
                    [post_content_filtered] => 
                    [post_parent] => 0
                    [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=12094
                    [menu_order] => 0
                    [post_type] => post
                    [post_mime_type] => 
                    [comment_count] => 0
                    [filter] => raw
                )

            [2] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 12084
                    [post_author] => 16
                    [post_date] => 2018-04-12 10:37:12
                    [post_date_gmt] => 2018-04-12 08:37:12
                    [post_content] =>  

Tijdens het ontkurken van een fles wijn, die gekocht is in een Nederlandse slijterij, is deze fles uit elkaar gesprongen en liep een vrouw ernstig letsel op. 

Kan zij de letselschade claimen bij de verkoper van de fles wijn?

Toedracht ongeval in 2012

Een vrouw probeerde een fles wijn te ontkurken. Het betrof een champagnekurk vastgeklemd door een ijzeren kapje, op de fles bevestigd met metalen draden. Toen dit niet lukte heeft haar vriend het geprobeerd. Op het moment dat hij probeerde de fles te ontkurken, is deze uit elkaar gesprongen, zodat glassplinters werden verspreid.

Letsel

De vrouw heeft door de glassplinters ernstig letsel opgelopen. De zenuw in haar linkerarm was compleet doorgesneden. Zij heeft uiteindelijk belangrijke beperkingen opgelopen nu zij geen gevoel meer heeft in de linkerhand en tevens coördinatiestoornissen heeft. Zij kan geen kleine voorwerpen meer tillen. Het hanteren van grote of zware voorwerpen is zeer risicovol.

Daarnaast is de vrouw genoodzaakt tot het dragen van een handschoen nu er geen waarschuwingssignalen meer zijn voor hitte e.d. Helaas heeft de vrouw hierdoor al brandwonden opgelopen aan haar vingertoppen. Zij is ook beperkt in haar werk.

Fabricagefout?

Na technisch onderzoek blijkt dat de breuk is veroorzaakt door een snede die is ontstaan tijdens de warme bewerkingsoperatie van de fles. Deze snede heeft als versterker gewerkt van de lichte spanningen die veroorzaakt zijn tijdens het ontkurken. Er is aldus sprake van een fabricagefout.

Wie is aansprakelijk?

Het slachtoffer heeft de volgende partijen aansprakelijk gesteld:

- de [Nederlandse] verkoper van de fles wijn; DGS,

- de [Italiaanse] fabrikant van de fles; Veralia,

- de [Italiaanse] producent van de wijn die de wijn eveneens heeft gebotteld; Colonna Toso.

Het slachtoffer stelt dat de fles een gebrekkig product is waarvoor de producent aansprakelijk is. Zij stelt dat ook de Nederlandse verkoper als producent beschouwd kan worden nu deze de fles heeft ingevoerd dan wel onrechtmatig handelt door een gebrekkig product in het verkeer te brengen.

Uitspraak Rechtbank

De rechtbank oordeelt [op 2 maart 2018] dat de Nederlandse verkoper niet aansprakelijk is. De aansprakelijkheid voor gebrekkige producten [die binnen de EEG geproduceerd zijn] ligt bij de producent. Er is niet aangetoond dat de verkoper onrechtmatig heeft gehandeld. De verkoper heeft geen schuld inzake de oorzaak van het ongeval, deze vraag is overigens ook niet relevant nu de producent bekend is.

De rechtbank oordeelt dat de producenten [zowel Veralia als Colonna Toso] aansprakelijk zijn.

Het staat immers vast dat de fles uit elkaar is gesprongen tijdens het op normale wijze trachten te openen van de fles.

De schade van de vrouw moet dus vergoed worden door de producenten en niet door de verkoper.

Conclusie

In principe is de producent aansprakelijk voor ongevallen veroorzaakt door een gebrekkig product en dus niet de verkoper. Het product moet wel in de EEG zijn geproduceerd en de producent moet bekend zijn.

Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling”, april 2018.
                    [post_title] => Noodlottig ongeval door exploderende fles
                    [post_excerpt] => 
                    [post_status] => publish
                    [comment_status] => open
                    [ping_status] => open
                    [post_password] => 
                    [post_name] => noodlottig-ongeval-exploderende-fles
                    [to_ping] => 
                    [pinged] => 
                    [post_modified] => 2020-01-28 08:56:45
                    [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:45
                    [post_content_filtered] => 
                    [post_parent] => 0
                    [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=12084
                    [menu_order] => 0
                    [post_type] => post
                    [post_mime_type] => 
                    [comment_count] => 0
                    [filter] => raw
                )

            [3] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 12048
                    [post_author] => 16
                    [post_date] => 2018-04-04 10:54:43
                    [post_date_gmt] => 2018-04-04 08:54:43
                    [post_content] => Een man met alcohol op komt ten val over een muurtje in een horecagelegenheid. Hij breekt hierbij zijn schouder en moet worden geopereerd. De man stelt de horeca- eigenaar aansprakelijk en claimt de letselschade. De rechtbank wijst af en de man gaat in hoger beroep bij het hof.
Situatie
Een muurtje van 51 cm hoog was als afscheiding gebouwd tussen de kegelbanen en de barruimte. De man botste tegen het muurtje op en kwam ten val.
Te leveren bewijs
  1. De man moet bewijzen dat hij daadwerkelijk over het muurtje ten val is gekomen.
De man heeft zelf verklaard dat hij in de zaal van de kegelbanen over het muurtje is gevallen. Dit is niet voldoende bewijs, het is namelijk slechts een partijverklaring. De man moet aanvullend bewijzen. En wel dusdanig dat die de zijn verklaring voldoende geloofwaardig maakt. Er zijn geen getuigen die het ongeval zelf hebben gezien. Wel hebben drie getuigen verklaard dat zij van de man hebben gehoord dat hij gevallen is over het muurtje. Zij hebben dit kort na de val gehoord. Ook is er een getuige die de man niet daadwerkelijk heeft zien vallen maar hem wel na zijn val heeft zien opkrabbelen. Het hof vindt de verklaringen van de getuigen voldoende ondersteunend voor de stellingen van de gevallen man en gaat dus uit van een val over het muurtje met letsel als gevolg.
  1. Vervolgens is het de vraag of het muurtje gebrekkig is.
Het muurtje is gebrekkig als het een gevaarlijke situatie oplevert. Het hof vindt dat op grond van de aard en functie van de opstal een hoog veiligheidsniveau van de opstal mag worden verwacht. Het muurtje is 51 cm hoog en heeft geen kleur die gezien de kleurstelling van de zaal opvalt. In de ruimte waar het muurtje staat kan het druk zijn. Dicht bij het muurtje wordt gedanst. De mensen hebben vaak alcohol op en zullen doorgaans in een feestelijke stemming verkeren. De desbetreffende zaal was voor die avond ook ingericht als danszaal. De combinatie van alcoholgebruik en feesttemming is vaak niet bevorderlijk voor de oplettendheid. Wie door de ruimte loopt zal doorgaans niet naar beneden kijken. Daar komt bij dat de zaal waar het muurtje zich bevindt verlicht is met kleurige en in intensiteit wisselende discoverlichting. Het hof vindt dat het muurtje niet goed zichtbaar was in de zaal.
Uitspraak
Het hof vindt dat het muurtje op deze hoogte en op deze plaats in een zaal die gebruikt wordt als danszaal een gevaarlijke situatie oplevert. Ook als er nog nooit iemand over het muurtje is gevallen betekent dat nog niet dat de aanwezigheid van dit muurtje op die plek niet gevaarlijk is voor de veiligheid van de bezoekers van de zaal.
Alcoholgebruik
De horeca eigenaar beroept zich nog op eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer nu deze een behoorlijke hoeveelheid alcohol had gedronken en hierdoor onvoldoende oplettend is geweest. Het hof heeft al in aanmerking genomen dat veel bezoekers vanwege de alcohol en de feeststemming waarin zij zich bevinden minder oplettend zijn dan normaal. Deze omstandigheid levert echter geen eigen schuld op maar is juist een omstandigheid die van een horeca gelegenheid een hoger veiligheidsniveau verlangt. De horeca- eigenaar verweert zich nog met de stelling dat de man zoveel had gedronken dat hij onvast ter been was en toch ook wel ten val zou zijn gekomen wanneer hij niet over het muurtje zou zijn gestruikeld. Echter dit volgt niet uit wat de getuigen hebben verklaard over de hoeveelheid drank die de man zou hebben genuttigd.
Conclusie
De horeca eigenaar is dus aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval en zal de schade van de man moeten voldoen. Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling”, maart 2018. [post_title] => Val tijdens bierfeestje. Is de horeca-eigenaar aansprakelijk? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => val-tijdens-bierfeestje-is-horeca-eigenaar-aansprakelijk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:45 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:45 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=12048 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 11905 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-03-18 10:44:06 [post_date_gmt] => 2018-03-18 09:44:06 [post_content] => Het einde van een huwelijk kan erg pijnlijk zijn. Een echtscheidingsprocedure kan dat verergeren. Je kunt je partner als vijand gaan beschouwen en de echtscheiding zien als een strijd, je kunt je verward of boos voelen en verscheurd worden door gevoelens van verlies en onmacht, je kunt je dan niet voorstellen dat er een einde aan de echtscheiding komt en hoe je na de scheiding aan een toekomst kunt bouwen. Maar het kan anders, een aantal deskundigen op het gebied van echtscheiding heeft gezocht naar een beter alternatief. Dat heeft geleid tot de ontwikkeling van het Collaborative Divorce Model, de Overlegscheiding. Met meerdere deskundigen aan tafel en zonder ruzie met respect voor elkaar je echtscheiding regelen. Een mooi alternatief!
Voordeel van overlegscheiden
Overlegscheiden kent veel voordelen. Het belangrijkste kenmerk van overlegscheiden (collaborative divorce) is, dat de scheiding in overleg geregeld wordt, dus zonder rechtszaak. Zo is het veel sneller afgerond dan een echtscheidingsprocedure die kan ontaarden in een ‘vechtscheiding’. Het is per saldo ook voordeliger. Overlegscheiden gebeurt in alle rust en openheid, met respect voor elkaar. Dat leidt tot duurzame oplossingen waar je allebei achter staat en waar meer ruimte is voor persoonlijke wensen en belangen.
Meer dan mediation; Ieder een eigen advocaat
Anders dan bij mediation hebben beide partners een eigen advocaat. Iemand die er voor jouw belangen is, maar niet tegen de vader of de moeder van je kinderen strijdt. Er is een derde persoon, een coach die het proces leidt en om ruimte te geven aan de emoties die uiteraard meespelen en eventueel een vierde persoon, een financieel expert voor de zakelijke kant van het geheel. Zo nodig kan er een kindercoach aan het team worden toegevoegd. Op deze manier wordt alle expertise bij elkaar gebracht om een scheiding respectvol, efficiënt en duurzaam af te sluiten.
Hoe werkt het?
Met het team van beide ex-partners, advocaten en deskundigen worden vergaderingen gehouden waarin informatie wordt uitgewisseld en waarin je behoeften en verwachtingen kunt uitspreken. Transparant en in alle redelijkheid. Het is belangrijk dat alle communicatielijnen open blijven. Alleen als alle knelpunten worden besproken, kunnen ze ook worden aangepakt.
Overlegscheiden is interessant voor:
  • mensen die een scheiding overwegen en kinderen hebben;
  • ondernemers die een scheiding overwegen;
  • mensen die uit elkaar willen, maar waarbij tussen hen grote verschillen bestaan in balans, kennis en/of verwerking.
De sectie Familierechtadvocaten van Bogaerts & Groenen advocaten leveren laagdrempelige en hoogwaardige kwaliteit. Nu ook voor uw overlegscheiding. Meer weten? Elke donderdagochtend van 09.00 tot 10.30u is er een gratis spreekuur in Villa Oldenburg te Vught. Ook in Oisterwijk, Tilburg, Boxtel en Son zijn de spreekuren gratis. U kunt natuurlijk ook voor een mediation kiezen. Wat geschikt voor u is bespreken wij graag met u. Voor meer informatie; neem contact op met Liedeke Floris (088 – 1410814). Dit artikel is gepubliceerd in 073Magazine, maart 2018. [post_title] => Scheiden kan ook anders: de overlegscheiding [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => scheiden-ook-anders-overlegscheiding [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:46 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:46 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=11905 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 17416 [post_author] => 21 [post_date] => 2018-01-19 09:13:03 [post_date_gmt] => 2018-01-19 08:13:03 [post_content] => De pleger van de onrechtmatige daad is gehouden de schade te vergoeden die de ander als gevolg van deze daad heeft geleden. Deze schade bestaat uit vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft, aldus artikel 6:95 BW. Een belangrijk nadeel dat door de betrokkene wordt geleden is de schade die de betrokkene heeft geleden over de periode waarop hij/zij op deze vergoeding heeft moeten wachten. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de ontwaarding van de vordering als gevolg van inflatie. De wijze van vaststelling van deze schade vormt op zichzelf al voldoende stof tot discussie. In het belang van de rechtszekerheid is daarom gekozen voor een vastgesteld gefixeerd percentage, de zogeheten wettelijke rente. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste aspecten van de wettelijke rente bij aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Aan bod komen respectievelijk de fixatie van de schade, de opeisbaarheid en de verhouding met de wettelijke handelsrente. De wettelijke rente is neergelegd in artikel 6:119 BW en bestaat uit de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest, aldus lid 1. Onder geldsom wordt verstaan "alle geldschulden, zowel uit overeenkomst of andere rechtshandeling als rechtstreeks uit de wet, daaronder begrepen vorderingen tot schadevergoeding, onverschillig op welke grond de schadevergoeding verschuldigd is", aldus de wetgever.1 Over de hoogte van het rentepercentage bieden de minister van Justitie en de minister van Financiën bij algemene maatregel van bestuur duidelijkheid. Dit is verankerd in artikel 6:120 BW.
Gefixeerde vertragingsschade
De invoering van een gefixeerd percentage zorgt ervoor dat de schuldeiser niet hoeft te bewijzen dat als gevolg van vertraging schade wordt geleden en hoe groot deze schade is geweest. Dit komt de rechtszekerheid ten goede. Aan de andere kant vertegenwoordigt dit bedrag ook alle schade die is opgetreden als gevolg van de vertraging in de betaling van een geldsom. Er kan dan ook naast de wettelijke rente geen aanspraak worden gemaakt op andere vertragingsschade. De wettelijke rente is echter van regelend recht. Lid 3 van artikel 6:119 BW biedt de mogelijkheid dat partijen onderling in plaats van de wettelijke rente een hoger rentepercentage overeenkomen. Deze bedongen rente treedt dan in de plaats van de wettelijke rente. Lid 3 lijkt echter vooral van belang wanneer sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verbintenis. Het zal in de praktijk immers niet vaak voorkomen dat partijen expliciet overeenkomen om een hogere rente te hanteren. Overigens heeft de rechter wel de mogelijkheid om in afwijking van artikel 6:119 lid 1 de werkelijke schade toe te wijzen. Zo bestond in een arrest uit 2015 de vertragingsschade uit het betalen van rente voor een lening, welke afgelost had kunnen worden, indien de betaling van de schuldenaar eerder was gevolgd. De renteverplichtingen uit hoofde van de lening waren echter hoger dan de vergoeding op grond van artikel 6:119 lid 1 BW. Aangezien de schuldenaar geen verweer had gevoerd tegen de betaling van de rente op de lening, werd geacht dat de schuldenaar deze vergoeding aanvaardt in plaats van de wettelijke rente.2 Een uitzondering op het uitgangspunt dat het bedrag aan wettelijke rente alle schade vertegenwoordigt die is opgetreden als gevolg van de vertraging in de betaling van een geldsom is te vinden in artikel 6:125 lid 1 BW: "Artikel 119 laat onverlet het recht van de schuldeiser op vergoeding van de schade die hij heeft geleden, doordat na het intreden van het verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt, zich ten opzichte van die van het geld van een of meer andere landen heeft gewijzigd." Lid 2 van artikel 6:125 BW begrenst het eerste lid: "Het vorige lid is niet van toepassing, indien de verbintenis strekt tot betaling van Nederlands geld, de betaling in Nederland moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis zijn woonplaats in Nederland had." De toepassing van dit artikel zal echter niet snel voorkomen ingeval van een onrechtmatige daad.
Opeisbaarheid en rente op rente
Artikel 6:119 BW zegt dat de wettelijke rente verschuldigd is over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening in verzuim is geweest. De wet lijkt duidelijk te zijn over de vraag wanneer het verzuim intreedt ingeval van een onrechtmatige daad. Artikel 6:83 BW aanhef en onder b bepaalt: "Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad..." In veel gevallen is echter denkbaar dat de schade ten tijde van de daad nog niet vaststaat. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest uit 2017: "het feit dat de omvang van een vordering voorshands nog niet vaststaat, brengt niet mee dat die vordering nog niet opeisbaar is. Ook indien de omvang van een vordering tot schadevergoeding pas in een later stadium komt vast te staan - bijvoorbeeld na bewijslevering, dan wel in een afzonderlijke procedure zoals een schadestaat, een procedure voor een buitenlandse rechter of een arbitraal geding - is die vordering opeisbaar vanaf het moment dat de schade is geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan." In de Parlementaire Geschiedenis wordt hieraan toegevoegd: "maar wordt de schade vastgesteld op bepaalde in concreto gemaakte kosten (bijv. in geval van letselschade, ziekenhuiskosten), dan zal men kunnen aannemen dat de opeisbaarheid pas ontstaat, doordat de benadeelde deze kosten opeisbaar verschuldigd wordt. Zo zal het ook bij schade die van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhangt, verschil maken of deze schade bij voorbaat wordt vastgesteld op een bedrag ineens, dan wel aan de aansprakelijke persoon een uitkering wordt opgelegd waarvan de termijnen pas in de toekomst telkens opeisbaar zullen worden." De veelvoorkomende omstandigheid dat het langere tijd zal duren voordat de aansprakelijkheid of de omvang van de vordering vaststaat, heeft ook tot gevolg dat de rentevordering op haar beurt ook weer verhoogd kan worden met rente, de zogenaamde rente op rente. Artikel 6:119 lid 2 BW zegt dat "telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd wordt met de over dat jaar verschuldigde rente." Dit betekent dat van rechtswege na een jaar de rente op haar beurt ook weer met rente wordt belast. Wanneer met toepassing van lid 2 van artikel 6:119 BW partijen echter een hogere rente hebben bedongen of in het geval de rechter de werkelijke schade uit hoofde van de vertraging van toepassing verklaart, wordt lid 2 eveneens van toepassing geacht.3
Wettelijke rente versus wettelijke handelsrente
Naast de wettelijke rente is als gevolg van de inwerkingtreding van Richtlijn 2000/35/EG, inmiddels opgevolgd door Richtlijn 2011/7/EU van 16 februari 2011, artikel 6:119a BW ingevoerd, waarin de wettelijke handelsrente is verankerd. Deze Richtlijn had ten doel om betalingsachterstanden bij handelstransacties te voorkomen en gaf een regeling voor alle handelstransacties tussen ondernemingen en onderneming en overheidsinstanties, wanneer de transactie betrekking had op het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen een vergoeding. Een onderdeel van het wijzigingspakket om betalingsachterstanden zoveel mogelijk te voorkomen, was de toepasselijkheid van een hoger rentetarief om ondernemingen te stimuleren tijdig te betalen. Hoewel de casus geen betrekking had op een schadevergoeding uit onrechtmatige daad, heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in het arrest van 10 oktober 2017 meer duidelijkheid verschaft over de toepasselijkheid van de wettelijke handelsrente. Het Gerechtshof verwijst naar een eerdere uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 december 2016. In dat arrest wordt het begrip 'handelstransactie' gedefinieerd als iedere transactie tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties die leidt tot het leveren van goederen of het verrichten van diensten tegen vergoeding. Onder onderneming wordt in dat kader volgens het Hof van Justitie verstaan: elke organisatie die handelt in het kader van haar zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit, ook wanneer deze door slechts één persoon wordt uitgeoefend. Om te bepalen of een persoon in die hoedanigheid, in het kader van een gestructureerde en duurzame zelfstandige economische of beroepsmatige activiteit handelt en of bijgevolg de door hem gesloten transacties handelstransacties in de zin van die bepaling zijn, moeten dan ook alle betrokken omstandigheden in de beschouwing worden betrokken. Als voorbeelden van dergelijke omstandigheden worden genoemd: het feit dat de betrokken persoon onder zijn handelsnaam of beroepsnaam handelt en dat voor de gesloten transactie een factuur wordt uitgereikt.4 Voor toepassing van de wettelijke handelsrente is het van belang dat de vordering haar grondslag blijft vinden in de vertraging tot nakoming. Wanneer de schuldeiser besluit gebruik te maken van de mogelijkheid tot ontbinding ingevolge artikel 6:265 BW ontstaat een hieruit voortvloeiende schadevergoeding. In een arrest uit 2016 kwam de Hoge Raad tot de overweging dat deze schadevergoeding geen vertraagde vordering tot nakoming betreft en dan ook niet onder de werking van artikel 6:119a BW valt.5 Ondanks het feit dat de wettelijke handelsrente in de praktijk met enige regelmaat onder de noemer "wie niet waagt, wie niet wint" wordt gevorderd als schade uit een onrechtmatige daad, wordt deze vordering in de regel terecht afgewezen. De verwerende partij dient hier evenwel alert op te zijn en verweer te voeren.
Conclusie
Hoewel de wet veel duidelijkheid verschaft over de wettelijke rente ingeval van een onrechtmatige daad is deze niet in beton gegoten. Ondanks verwoede pogingen om de wettelijke handelsrente toegepast te krijgen ingeval van onrechtmatige daad, lijkt de deur inmiddels definitief te zijn gesloten. Het rentepercentage is echter niet geheel gefixeerd. Naast de mogelijkheid die de wet aan partijen biedt om een hoger rentepercentage overeen te komen, kan de benadeelde partij zich ook gemotiveerd in een procedure op het standpunt stellen dat een ander percentage zou moeten worden gehanteerd. De rechter heeft de mogelijkheid de daadwerkelijke schade toe te wijzen. Wanneer de wederpartij vervolgens ook nalaat het bedrag te betwisten, loopt deze een vergroot risico dat alsnog een hoger rentebedrag zal worden toegewezen.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 31 december 2017. [post_title] => De wettelijke rente bij aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-wettelijke-rente-bij-aansprakelijkheid-uit-onrechtmatige-daad [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:49 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:49 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17416 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 11789 [post_author] => 8 [post_date] => 2017-12-20 10:49:40 [post_date_gmt] => 2017-12-20 09:49:40 [post_content] => Jaren geleden heb ik mij zeer druk gemaakt als advocaat voor een vader met twee kinderen waarvan de moeder naar Amerika wilde verhuizen. De vader zag de kinderen twee dagen door de week en om de week het gehele weekend. De moeder had een nieuwe vriend in Amerika en wilde daar naartoe verhuizen met de kinderen. De vader was het daar niet mee eens, omdat het ondraaglijk voor hem was om de kinderen niet elke week bij zich te hebben. Een rechtszaak en een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming kwamen eraan te pas om te voorkomen dat moeder zou verhuizen en dat de vader het contact met zijn kinderen zou verliezen. In die tijd hadden we nog geen WhatsApp of facetime, zodat slechts per telefoon contact mogelijk was. Toch besliste de rechtbank destijds dat moeder met de kinderen mocht vertrekken. Een zware klap voor cliënt. Inmiddels zijn er heel wat jaren verstreken en is de rechtspraak op dit punt volop in beweging. Zo had ik jaren later een cliënt waarvan de ex-vrouw met 5 jarig kind was vertrokken naar haar nieuwe vriend in Emmen. De inzet van die procedure was dat het kind bij vader in de gewone woonplaats van het kind zou moeten verblijven en dus terugkeren uit Emmen. Daarin gaf de rechtbank mijn cliënt gelijk, met name omdat het in het belang van het kind is in de eigen thuissituatie op te groeien. LET OP! Als partijen gezamenlijk gezag hebben, heb je toestemming van de andere ouder nodig om te verhuizen. Ook al is dat maar een paar kilometer verderop. Wat nu als de ander geen toestemming geeft ? Dan kan er in een procedure vervangende toestemming worden gevraagd bij de rechtbank. De belangen van beide partijen en het kind worden afgewogen door de rechtbank en de uitslag daarvan is niet op voorhand te zeggen. Als je niet met een goed onderbouwd verhaal komt, is de kans groot dat de verhuisdozen weer uitgepakt kunnen worden. Verhuizen zonder toestemming kan een ouder duur komen te staan: de rechter kan dan beslissen dat een ouder moet terugverhuizen of dat de kinderen bij de andere ouder gaan wonen. Mochten partijen in een zodanige probleemsituatie zitten, kan je er ook voor kiezen om een mediationtraject te volgen. Aan de mediationtafel worden dan alle onderliggende belangen besproken en wellicht kan er dan alsnog een voor beide partijen draaglijke oplossing worden gevonden. Dat is zeker in het belang van de kinderen die het betreft, en uiteraard ook voor de ouders. De vfasadvocaten en mediators van Bogaerts en Groenen advocaten staan u graag bij. Zij leveren laagdrempelige en hoogwaardige kwaliteit. Elke donderdagochtend van 09.00 tot 10.30 u is er een gratis spreekuur in Villa Oldenburg te Vught. Ook in Oisterwijk, Tilburg, Boxtel en Son is er een gratis spreekuur. Dit artikel is gepubliceerd in 073Magazine, december 2017 [post_title] => Na een echtscheiding verhuizen met je kinderen? Let op! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => echtscheiding-verhuizen-kinderen-let-op [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:51 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:51 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=11789 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 11780 [post_author] => 16 [post_date] => 2017-12-18 10:31:22 [post_date_gmt] => 2017-12-18 09:31:22 [post_content] =>   Het is weer volop in het nieuws. Met name aanrijdingen met wild. Op de Veluwe lopen momenteel een record aantal wilde zwijnen rond. Het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen op de Veluwe is het afgelopen jaar dan ook flink gestegen, maar ook in andere natuurgebieden in Nederland. Als een aanrijding plaats vindt dekt de verzekering dan de schade? Wat als je remt voor een dier en de auto achter je rijdt achterop? Wie is er aansprakelijk? Aanrijding dier en verzekering In geval van botsing met een dier heb je alleen dekking voor de autoschade als je beperkt casco of volledig casco bent verzekerd. Dus bij alleen een WA dekking draai jezelf voor de schade op. Heb je onverhoopt letselschade opgelopen dan is deze letselschade gedekt als je een schade verzekering inzittende hebt afgesloten [SVI]. Heb je een aanrijding met een huisdier en ben je alleen WA verzekerd dan kan je de schade verhalen op de eigenaar [indien bekend] van het dier. Achterop aanrijding door remmen voorste partij voor dieren Twee rechtsregels zijn hierbij van belang:
  • Je mag niet remmen zonder verkeersnoodzaak
  • Je moet voldoende afstand houden om je voertuig tot stilstand te kunnen brengen
In het zgn ‘Eendjesarrest” wordt over een dergelijke zaak maar liefst 17 jaar geprocedeerd tot aan de Hoge Raad toe. Het Eendjesarrest Op een provinciale weg remt A omdat hij zag dat een eend vanaf de andere weghelft zijn weghelft opkwam. De achteropkomende B botste op de auto van A. A stelt B aansprakelijk nu B onvoldoende afstand zou hebben gehouden. De verzekeraar van B erkent geen aansprakelijkheid. B had overigens op zijn schadeaangifteformulier wel aangegeven dat hij te weinig afstand had gehouden. De zaak komt voor de rechter[s]. Tijdens de procedure heeft de verzekeraar van B nog gesteld dat A kort voor de aanrijding plotseling en onnodig hard heeft geremd, bewijs hiervoor is niet geleverd. De rechter gaat hier dus niet in mee. A heeft namelijk al eerder aangegeven dat zijn snelheid was gezakt naar 50 km en pas daarna is gaan remmen. Hij heeft hiermee rekening gehouden met andere wegebruikers. In deze situatie is achterop aanrijder B aansprakelijk; Het is immers van algemene bekendheid, met name op provinciale wegen, een aanrijding als deze kan gebeuren en dit is niet zo uitzonderlijk dat bestuurder A en B daar bij hun rijgedrag geen rekening hoefde te houden. Voor bestuurder A betekent dit dat hij wel mocht remmen maar rekening moest houden met zijn achterop aanrijder. Voor bestuurder B betekent dit dat hij een afstand tot voertuig A moest aanhouden dat hij in staat was zijn auto tot stilstand te brengen zonder deze te raken, ook in een geval als dit waarin bestuurder A voor de op de weg lopende eend remde. Het hangt dus geheel af van de situatie wie aansprakelijk is. Ook is van belang wie wat kan bewijzen. De achterop aanrijder is niet zo maar aansprakelijk maar ook de remmende partij niet. Het is dus noodzakelijk om gegevens te noteren van getuigen, als die er zijn. Aanrijding voorkomen Het is vaak moeilijk een aanrijding met wild te voorkomen. Enkele tips;
  • Pas je snelheid aan in bosrijk gebied
  • Let op wildsignaleringsborden
  • Hou de wegbermen in de gaten op aanwezigheid van dieren
Mocht je toch een aanrijding met dieren krijgen bel dan de politie. De meldkamer brengt het onder de aandacht van de faunabeheerder. Die zorgt voor het vervoer van het dode dier of behandeling van het gewonde dier. Zwaar gewonde dieren kunnen dan ook tijdig uit hun lijden worden verlost. Overigens is het meenemen van aangereden dieren verboden en het doorrijden na een aanrijding met dieren is ook strafbaar. Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling” December 2017. [post_title] => Aanrijding met overstekende dieren [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => aanrijding-overstekende-dieren [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:51 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:51 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=11780 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 11755 [post_author] => 8 [post_date] => 2017-11-27 15:47:39 [post_date_gmt] => 2017-11-27 14:47:39 [post_content] =>   Het echtscheidingsrecht blijft in beweging. Het leek er even op dat bij eenvoudige scheidingen zonder kinderen de ambtenaar van de burgerlijke stand een scheiding zou mogen gaan afhandelen. Dit was een voorstel van het vorige kabinet. Inmiddels heeft het nieuwe kabinet besloten om dit wetsvoorstel in te trekken. Ook de Raad van State had zich eerder al kritisch uitgelaten over het wetsvoorstel. De idee achter het wetsvoorstel was dat echtscheidingen eenvoudiger en goedkoper moeten kunnen. De politiek vindt het nu een beter idee dat de rechter nodig blijft voor het uitspreken van een echtscheiding. Zeker als er kinderen bij betrokken zijn en als er onenigheid is over de verdeling van bezittingen. Maar hoe zit het nu met de kosten als er een rechter bij te pas komt ? Wij als vFAS- advocaten-mediators begrijpen natuurlijk als geen ander dat de kosten in de hand moeten worden gehouden. Daarom is een mediation een goed alternatief. Dan zit je met beide personen samen aan tafel om onder begeleiding van een mediator gezamenlijk tot oplossingen te komen. Ieder betaalt dan de helft van de kosten of je maakt daar afspraken over. Vaste prijs Bogaerts & Groenen advocaten biedt daarnaast ook nog familierecht aan voor een vaste prijs. Daarvoor wordt verwezen naar de website. Na het beantwoorden van 5 vragen weet je hoeveel de echtscheiding of mediation of wijziging partner/ kinderalimentatie kost. Uiteraard zal nader overleg moeten plaatsvinden om te zien of de zaak voor een vaste prijs kan worden gedaan. Er kunnen omstandigheden zijn die nader overleg noodzakelijk maken. Mediation In een mediation wordt getracht in onderling overleg tot overeenstemming te komen, waarna er een echtscheidingsconvenant kan worden opgesteld. Nadat dit is opgesteld, en iedereen het met de inhoud daarvan eens is, kan het convenant aan de rechtbank worden gezonden met een verzoekschrift echtscheiding. De rechter zal de onderlinge afspraken bevestigen en zal de eventuele kinderen uitnodigen voor een gesprek. De griffierechten om een echtscheidingsverzoek in te dienen bij de rechtbank zijn op dit moment € 287,= per verzoekschrift. Daarna zal de rechter tot afgifte van de beschikking overgaan. Zodra die beschikking met een door beide partijen ondertekende akte van berusting wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ben je officieel gescheiden. De sectie Familierechtadvocaten van Bogaerts & Groenen advocaten leveren laagdrempelige en hoogwaardige kwaliteit. Onze vFas – mediators staan voor u klaar. Zo houden zij elke donderdagochtend van 09.00 tot 10.30u een gratis spreekuur in Villa Oldenburg te Vught. Ook in Oisterwijk, Tilburg, Boxtel en Son zijn de spreekuren gratis. Voor meer informatie: zie gratis spreekuur. Dit artikel is gepubliceerd in “073 Magazine” November 2017. [post_title] => Bij echtscheiding blijft de rechter nodig [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => echtscheiding-blijft-rechter-nodig [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:53 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:53 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=11755 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 11676 [post_author] => 7 [post_date] => 2017-10-23 14:50:10 [post_date_gmt] => 2017-10-23 12:50:10 [post_content] =>
De term "burenrecht" roept onwillekeurig een associatie op met De Rijdende Rechter en elkaar om futiliteiten in het haar vliegende particulieren. Toch is die conclusie niet geheel terecht. Ook voor ondernemers kan hinder van buren serieuze proporties aannemen en tot hoge schade leiden. Het burenrecht staat dan ineens in een ander daglicht en naarmate de financiële belangen oplopen, neemt ook het besef toe dat deze osmose tussen zakenrecht en verbintenissenrecht serieus genomen moet worden. In deze bijdrage zal ik een recente uitspraak van de Hoge Raad centraal stellen, waarin is uitgemaakt dat het verkeren in een rechtmatige situatie, toch kan leiden tot het onrechtmatig toebrengen van hinder. Ik zal ter adstructie van de grote belangen twee voorbeelden van dergelijke situaties bespreken. Het onderwerp zal ik inbedden in een beschouwing over de jurisprudentie op dit gebied en de ontwikkelingen daarin. De conclusie zal zijn dat niet elke vorm van overlast als hinder aan te merken valt en dat niet elke vorm van hinder onrechtmatig is. De omstandigheden van elk concreet geval zijn bepalend voor deze afweging. Op 16 juni 2017 wees de Hoge Raad arrest in een kwestie waarin stankoverlast werd toegebracht door een pluimveebedrijf aan een nabij gelegen park met recreatiewoningen.1 In Groesbeek werd door appellanten een pluimveebedrijf geëxploiteerd tussen 2002 en 2008. De gemeente verleende bij herhaling vergunningen, die telkens werden vernietigd maar de gemeente gedoogde gedurende zeker periodes het bedrijf. In dezelfde periode lag in de buurt van het pluimveebedrijf het villapark "De Zeven Heuvelen". De eigenaren van de recreatiewoningen hadden al die jaren hinder ondervonden van de stank van het pluimveebedrijf en vorderden in een procedure een verklaring voor recht dat al die jaren de hinder onrechtmatig was en dat ze recht hebben op schadevergoeding, die bestond uit de verminderde huurwaarde van de recreatiewoningen tussen 2002 en 2008. De rechtbank wees de vorderingen grotendeels toe en ook het gerechtshof bekrachtigde grotendeels dat vonnis. Het hof moest voor zijn uitspraak wel aansluiting zoeken bij een rapport van de zijde van verweerders op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), die pas op 1 januari 2007 in werking was getreden. Op basis daarvan kon het hof de stankoverlast als "onaangenaam tot zeer onaangenaam" kwalificeren. Hier klaagden de exploitanten van het pluimveebedrijf natuurlijk over in cassatie, omdat ze meenden dat de onrechtmatige situatie op grond van de Wgv pas kon ingaan op 1 januari 2007, omdat anders impliciet terugwerkende kracht gegeven zou worden aan de wet. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de exploitanten en betrekt in zijn oordeel de wettelijke regeling van artikel 5:37 BW en de daarover gewezen arresten. Volgens de Hoge Raad is voor de vraag of in deze situatie sprake was van onrechtmatige geurhinder niet zonder meer bepalend of werd voldaan aan de destijds geldende publiekrechtelijke regelgeving. Mede omdat de voordien geldende beleidsregels geen bruikbare milieutechnische inzichten boden voor de vaststelling van het geurhinderniveau, heeft het hof in dit geval 'inspiratie geput' uit de maatstaven van de Wgv. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn op art. 5:37 BW gegronde oordeel te baseren op een rapport waarin het feitelijke geurhinderniveau was berekend naar objectieve maatstaven volgens recente inzichten. Eerder in 1972 maakte de Hoge Raad al uit dat het antwoord op de vraag of en in hoeverre een door de overheid verstrekte vergunning invloed heeft op de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig die vergunning handelt, maar daarbij schade of hinder toebrengt aan anderen, afhangt van de aard van de vergunning en het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, alles in verband met de omstandigheden van het geval2. Daarbij geldt wel dat de vergunninghouder er in het algemeen van uit mag gaan dat hij de aan hem verleende vergunning mag gebruiken voor het doel waarvoor die is verstrekt.3 Het blijft dus uitkijken, zo veel maakt het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2017 wel duidelijk. Hoewel voldaan is aan publiekrechtelijke regelgeving in een bepaalde periode, kan latere wetgeving een zodanige invulling geven aan het begrip hinder, dat die hinder onrechtmatig is over een ruimere periode. Dit vraagt om een nadere beschouwing van de begrippen hinder en onrechtmatig. Daarvoor zal ik aanhaken bij twee voorbeelden uit de praktijk, die duidelijk maken welke omstandigheden tot hinder kunnen leiden en met welke enorme belangen dat gepaard kan gaan. De eerste situatie doet zich voor op een bedrijventerrein waar een modestylist al sinds 2006 een atelier heeft met een showroom voor zeer exclusieve avondkleding. Het bedrijfspand ligt in een rij van 10 gelijke panden. Dit pand is van het buurpand gescheiden door een muur van kalkzandsteen. Zo lang de styliste haar bedrijf voert, heeft ze geen last van haar buurman, die in het buurpand een bedrijf heeft voor de verwerking van groente. Als die buurman het pand verlaat, vestigt zich een bedrijf dat zich bezig houdt met de productie van voer voor katten en honden. Voor dit productieproces wordt een verhoogde vloer aangelegd met een put voor de afvoer van water, omdat de productieruimte elke dag schoon gespoten moet worden. Kort na de vestiging van het nieuwe bedrijf krijgt de styliste last van een erg vervelende geur van rottend vlees dat voortgebracht wordt door het vleesverwerkende bedrijf en dat in haar bedrijfsruimte door dringt. De stank is zo indringend, dat klanten die haar showroom bezoeken direct te kennen geven deze situatie zeer onaangenaam te vinden. Daar komt na korte tijd nog bij dat door de muur water de showroom binnen dringt dat ook naar rottend vlees stinkt. De styliste beklaagt zich hierover bij de buren, maar bij herhaling blijft het water door de muur heen dringen en ontstaan schimmelplekken en roest op de stalen delen. Hoe zeer de veroorzaker dit probleem ook probeert op te lossen met deskundigen, onderzoeken en diverse kleine ingrepen, de oorzaak wordt niet weggenomen. De situatie is uiteindelijk zodanig dat de styliste haar bedrijf niet meer kan uitoefenen zoals ze normaal gewend was en dus niet meer het vrije genot van haar bedrijfspand heeft. Zij derft zeer aanzienlijke inkomsten en vreest dat haar pand onverkoopbaar wordt. Uiteindelijk zal de voorzieningenrechter er aan te pas komen om een voorlopige voorziening te geven om verdere inbreuken te staken. In dat geding staat de vraag centraal of de overlast kwalificeert als hinder in de zin van artikel 5:37 BW, of die onrechtmatig is en of een voorziening gerechtvaardigd is. Een ander voorbeeld doet zich voor in de binnenstad van een grote gemeente. Daar woont een man op leeftijd al meer dan twintig jaar in een woning tegenover een parkeerterrein dat grenst aan de achterzijde van een kantoorgebouw. De auto's die van dat parkeerterrein gebruik maken rijden dat terrein op en af via een in-/uitrit die ongeveer dertig meter verderop gelegen is. Het parkeerterrein grenst ook aan de achterzijde van een gebouw dat aangekocht wordt door een ondernemer die daarin een centrum voor dagbesteding van gehandicapten wil vestigen. Deze ondernemer koopt tegelijk met het pand ook het parkeerterrein, en wil dat deels ten behoeve van de eigen bezoekers gaan gebruiken. Een ander deel van het terrein wordt afgesplitst en doorverkocht aan een bedrijf in de directe omgeving. De oude ingang blijft op het deel dat aan de nieuwe eigenaar verkocht is, en de koper van het bedrijfspand legt een nieuwe in-/uitrit aan op eigen terrein. Daarvoor heeft de ondernemer geen vergunning nodig, een melding bij de gemeente volstaat volgens de APV. Die melding wordt correct gedaan en de gemeente keurt de aanleg van de nieuwe in-/uitrit goed. Nadat die is aangelegd klaagt de eerder genoemde bewoner van het huis dat pal tegenover de nieuwe in-/uitrit ligt over lichthinder van auto's die met koplampen bij hem naar binnen schijnen bij het verlaten van het parkeerterrein. De man meent dat hij woongenot derft en vordert in een procedure dat de in-/uitrit verlegd wordt naar de andere zijde van het terrein op verbeurte van dwangsommen. De ondernemer verzet zich omdat de keuze voor de ligging van de in-/uitrit niet willekeurig was. Op termijn mag hij op het parkeerterrein namelijk woningen bouwen en dan heeft hij de in-/uitrit op deze plek nodig om via een strook toegang te kunnen blijven houden tot de achterkant van zijn bedrijfspand. Als de in-/uitrit verlegd zou moeten worden, zal de woningbouw in de toekomst niet door kunnen gaan en daarmee leidt de ondernemer een enorme schade. Ook in de procedure die hierover gevoerd wordt staat dezelfde vraag centraal. Deze voorbeelden maken duidelijk dat ondernemers in een hachelijke situatie kunnen komen als zich, hoewel sprake is van een volstrekt legale situatie, toch onrechtmatige hinder voor doet, die tot schade leidt, waarvan de belangen behoorlijk kunnen oplopen. De juridische grondslag voor onrechtmatige hinder is te vinden in artikel 5:37 BW, waarin verwezen wordt naar artikel 6:162 BW. Hier vermengt het zakenrecht van boek 5 BW zich dus met het verbintenissenrecht van boek 6 BW. Artikel 5:37 BW luidt: "Een eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun". De opsomming in dit artikel is niet limitatief, daar kan ook het veroorzaken van wateroverlast of lichthinder onder worden volstaan4. Onder "erf" moet worden verstaan iedere onroerende zaak, waaronder ook een gebouw zonder de grond moet worden begrepen5. Reeds om die reden is artikel 5:37 BW rechtstreeks van toepassing op de eigenaar van een gebouw. De aard en de inhoud van de rechten en verplichtingen die toekomen aan, dan wel rusten op een huurder/gebruiker, die op grond van een huurovereenkomst met de eigenaar bevoegd is tot het gebruik van het pand, kunnen in samenhang met de aard en de strekking van het burenrecht meebrengen dat bepalingen van burenrecht van overeenkomstige toepassing zijn op de gebruiker/niet-eigenaar6. Om die reden is artikel 5:37 ook van toepassing op de huurder/gebruiker. Dit geldt zowel voor het veroorzaken van hinder als voor het ondergaan van hinder. Door de Hoge Raad is in 1991 uitgemaakt: "De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt - daargelaten de betekenis van ter zake geldende specifieke wettelijke regels - af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor aangebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden"7, en dat is sindsdien vaste rechtspraak. Voorts is van belang of degene die hinder ervaart zich gevestigd heeft vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal hij "een zekere mate van hinder" eerder hebben te dulden, maar in het eerste geval zeker niet8. Degene met de "oudste rechten" gaat dus voor. Per geval moet bezien worden of sprake is van hinder. Daarvoor moeten de vier door de Hoge Raad geformuleerde aspecten nagelopen worden. De aard van de hinder kan gelegen zijn in geluid, stank, licht, maar ook in water, explosiegevaar, brandgevaar, overlast van dieren en overhangende takken. Hinder moet wel voldoende ernstig zijn om als onrechtmatig gekwalificeerd te kunnen worden. In het algemeen wordt aanvaard dat enige vorm van hinder wel geduld moet worden, in een tolerante omgang met elkaar. Als hinder zich eenmalig voordoet kan bezwaarlijk van onrechtmatig handelen gesproken worden. Als hinder gedurende een langere periode aanhoudt, wordt eerder een onrechtmatige daad aangenomen. Voorts moet sprake zijn van schade, omdat de gedraging net als onrechtmatige daad kan kwalificeren. Artikel 5:37 BW noemt niet voor niets artikel 6:162 BW in, zodat ook aan de eisen van dat artikel moet worden voldaan. Daarnaast spelen als sluitstuk in de beoordeling van hinder de omstandigheden van het geval een rol, waarmee een rechter doorgaans alle kanten uit kan. Bij de beoordeling van de geleden schade wordt primair gekeken naar de materiële schade, gelegen in de normale vermogensschade zoals beschadigde goederen, gederfde winst, maar ook doordat de benadeelde een advocaat in heeft moeten schakelen, om de problemen op te lossen. Hiermee is aan het conditio-sine-qua-non-vereiste voldaan. De kosten die gemaakt zijn, moeten redelijk en in redelijkheid gemaakt zijn en in een zodanig verband met de onrechtmatige gedragingen staan dat ze aan de veroorzaker kunnen worden toegerekend. Daarmee zijn de gemaakte advocaatkosten als schade toewijsbaar, los van de vraag of uiteindelijk de schade ten gronde komt vast te staan.9 Daarnaast kan onder omstandigheden ook gekeken worden naar immateriële schade bijvoorbeeld omdat een benadeelde continue in angst leeft dat de overlast zich op een onverwacht moment zal realiseren.10 Een rechtsingang die dicht tegen onrechtmatige hinder op grond van 5:37 BW aan ligt is misbruik van recht. Artikel 3:13 lid 2 BW regelt: "Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij verleend is of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen." Dit artikel regelt de belangenafweging die noodzakelijk is, wil gebruik van een recht niet als misbruik van recht (3:13 lid 1 BW) aangeduid kunnen worden. de eerste twee gronden voor misbruik zullen niet vaak voorkomen, de derde grond des te vaker. Het belang van de ondernemers in het eerder genoemde voorbeeld is er louter in gelegen het eigen bedrijf uit te kunnen oefenen. Beiden zijn daartoe bevoegd en hebben dat recht. Toch kan zich de situatie voordoen dat de uitoefening van het bedrijf van de een, misbruik van recht ten opzichte van de ander oplevert, indien de afweging van beider belangen doorwegen naar degene die hinder ervaart van de ander. Die belangen moeten gewogen worden en op redelijkheid worden getoetst. Komt vast te staan dat een rechthebbende dat recht in redelijkheid niet kan uitoefenen ten koste van een ander dan is misbruik van recht gegeven als die bevoegdheid toch wordt uitgeoefend. De conclusie is dat als iemand hinder toebrengt aan een ander, eerst vast moet komen staan of die hinder onrechtmatig is, voor dat er tegen opgetreden kan worden. Wat onder onrechtmatige hinder wordt verstaan is in de jurisprudentie uitgewerkt. Het hebben van een recht en het verkeren in een rechtmatige situatie is geen garantie dat het uitoefenen van dat recht geen misbruik oplevert. Als in die rechtmatige toestand onrechtmatige hinder wordt toegebracht, is de weg naar de rechter geopend. In alle gevallen blijft het dus oppassen.
Noten
  1. ECLI:NL:HR:2017:1106.
  2. HR 10 maart 1972, NJ 1972/278: Vermeulen/Lekkerkerker.
  3. HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823: Ludlage/Van Paradijs.
  4. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 22 september 2011. [ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2463] waarin de rechtbank bij de toepassing van artikel 5:37 BW onrechtmatige hinder als gevolg van wateroverlast aangenomen heeft. Maar ook: Hof Den Bosch 28 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1534, r.o. 5.6.3.: Speelkooi Terneuzen.
  5. MvA II, parl. Gesch. Inv.w. 5, P. 1031.
  6. Hoge Raad 24 januari 1992, NJ 1992/280/1:Van Beek/Jansen en ook Hof Den Bosch 28 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1534, r.o. 5.6.3.: Speelkooi Terneuzen.
  7. HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:191:ZC0235, Overwaaiende zaden, net als: HR 15 februari 1991, NJ 1992, 639: Aalscholvers.
  8. Hoge Raad 18 september 1998, NJ 1999/69: Bijenspat.
  9. HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586: Mark Four/Apotex, in navolging van HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423: B/London Verzekeringen N.V.
  10. Hoge Raad 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106 en Rechtbank Zeeland- West-Brabant 21 september 2016: ECLI:NL:RBZWB:2016:5915.
                Marc Heuvelmans Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date 2017-0114, 22-09-2017. [post_title] => Onrechtmatige hinder [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => onrechtmatige-hinder [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:57 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:57 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=11676 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 10 [current_post] => -1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 12125 [post_author] => 8 [post_date] => 2018-05-03 12:04:30 [post_date_gmt] => 2018-05-03 10:04:30 [post_content] =>   Een scheiding is een moeilijk proces, niet alleen in emotioneel opzicht. Partners maken zich wellicht zorgen over hun bezit; raakt u dit nu grotendeels kwijt? Het is daarom prettig om snel duidelijkheid te hebben over de zakelijke aspecten van de scheiding. Allereerst zal bekeken moeten worden of u op huwelijkse voorwaarden of in gemeenschap van goederen bent gehuwd. Financiële afspraken worden bij een scheiding vastgelegd in een zogenoemd scheidingsconvenant. Overeenkomsten over wonen en kinderen staan daar eveneens in. Het opstellen van een convenant is niet verplicht, maar wel aan te raden. Het convenant vormt onderdeel van het verzoekschrift. Dat is het verzoek aan de rechtbank om te scheiden. Uiteindelijk moet een rechter het convenant bekrachtigen. Het zorgt ervoor dat de gevolgen van een scheiding (snel en goed) geregeld kunnen worden. Daarnaast kunnen ook banken, verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen vragen om het echtscheidingsconvenant. Dit gebeurt bijvoorbeeld als rekeningen op een andere naam moeten worden gezet. Wat staat er in een echtscheidingsconvenant? Ieder echtscheidingsconvenant is anders, omdat elke situatie anders is. Er staan afspraken in over de woning (huur of koop), (minderjarige) kinderen en financiële middelen. Het is belangrijk om in elk geval over de volgende punten afspraken te maken: – De woning: Blijft één van de partners in de echtelijke woning? Hoe worden woonlasten verdeeld? – De boedel: Waaruit bestaat die? Hoe verdelen de partners deze op een eerlijke manier? – Financiële middelen: Hoe verdelen partners spaartegoeden, een erfenis of (als die er zijn) de schulden? – Kinder- en partneralimentatie: Wie betaalt hoeveel en in welke ge vallen mag dat bedrag worden gewijzigd? – Pensioen: Wat gebeurt er met uw pensioen of dat van uw partner? Wanneer zijn de afspraken bindend? In sommige gevallen is het moeilijk om het samen eens te worden. In zo’n geval kan een advocaat uitkomst bieden. Een voordeel: een advocaat kan ervoor zorgen dat de gemaakte afspraken afdwingbaar worden bij een rechter. Een advocaat dient het echtscheidingsconvenant tegelijk met het verzoek tot echtscheiding in bij de rechtbank. Het document krijgt dan een executoriale titel. Dat betekent dat de afspraken afdwingbaar zijn. Het is ook mogelijk om in een mediation afspraken te maken die worden vastgelegd in een convenant. U zult dan wel beiden aan de mediationtafel moeten aanschuiven. De sectie Familierechtadvocaten van Bogaerts & Groenen advocaten willen u daarbij graag helpen. Zij leveren laagdrempelige en hoogwaardige kwaliteit. Elke donderdagochtend van 09.00 tot 10.30 u is er een gratis spreekuur in Villa Oldenburg te Vught. Ook in Oisterwijk, Tilburg, Boxtel en Son zijn de spreekuren gratis. Voor meer informatie; neem contact op met Liedeke Floris (088-1410800). Dit artikel is gepubliceerd in 073Magazine, mei 2018 [post_title] => Afspraken over financiële gevolgen na een echtscheiding [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => afspraken-over-financiele-gevolgen-na-een-echtscheiding [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:43 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:43 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=12125 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 120 [max_num_pages] => 12 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => [is_tag] => [is_tax] => 1 [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => 1 [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_favicon] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => 6f8678c06003d8881f8d02ae6fe5f639 [query_vars_changed:WP_Query:private] => [thumbnails_cached] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) [tribe_is_event] => [tribe_is_multi_posttype] => [tribe_is_event_category] => [tribe_is_event_venue] => [tribe_is_event_organizer] => [tribe_is_event_query] => [tribe_is_past] => )
  Een scheiding is een moeilijk proces, niet alleen in emotioneel opzicht. Partners maken zich wellicht zorgen over hun bezit; raakt u dit nu grotendeels kwijt? Het is daarom prettig...
Lees meer
Omstreeks 2009 kwamen de eerste Bitcoins in omloop. Aanvankelijk werd deze cryptovaluta gedolven in peer-to-peer verband door op internet blockchains van transacties op te zetten in een open source. Deze...
Lees meer
  Tijdens het ontkurken van een fles wijn, die gekocht is in een Nederlandse slijterij, is deze fles uit elkaar gesprongen en liep een vrouw ernstig letsel op. Kan zij...
Lees meer
Een man met alcohol op komt ten val over een muurtje in een horecagelegenheid. Hij breekt hierbij zijn schouder en moet worden geopereerd. De man stelt de horeca- eigenaar aansprakelijk...
Lees meer
Het einde van een huwelijk kan erg pijnlijk zijn. Een echtscheidingsprocedure kan dat verergeren. Je kunt je partner als vijand gaan beschouwen en de echtscheiding zien als een strijd, je...
Lees meer
De pleger van de onrechtmatige daad is gehouden de schade te vergoeden die de ander als gevolg van deze daad heeft geleden. Deze schade bestaat uit vermogensschade en ander nadeel,...
Lees meer
Jaren geleden heb ik mij zeer druk gemaakt als advocaat voor een vader met twee kinderen waarvan de moeder naar Amerika wilde verhuizen. De vader zag de kinderen twee dagen...
Lees meer
  Het is weer volop in het nieuws. Met name aanrijdingen met wild. Op de Veluwe lopen momenteel een record aantal wilde zwijnen rond. Het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen...
Lees meer
  Het echtscheidingsrecht blijft in beweging. Het leek er even op dat bij eenvoudige scheidingen zonder kinderen de ambtenaar van de burgerlijke stand een scheiding zou mogen gaan afhandelen. Dit...
Lees meer
De term "burenrecht" roept onwillekeurig een associatie op met De Rijdende Rechter en elkaar om futiliteiten in het haar vliegende particulieren. Toch is die conclusie niet geheel terecht. Ook voor...
Lees meer