Publicatie

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [paged] => 8
            [news-type] => publicatie
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [paged] => 8
            [news-type] => publicatie
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [category_name] => 
            [tag] => 
            [cat] => 
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [update_menu_item_cache] => 
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 10
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [taxonomy] => news-type
            [term] => publicatie
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => news-type
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => wp_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [news-type] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => wp_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 28
            [name] => Publicatie
            [slug] => publicatie
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 28
            [taxonomy] => news-type
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 132
            [filter] => raw
        )

    [queried_object_id] => 28
    [request] => 
					SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  wp_posts.ID
					FROM wp_posts  LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT  JOIN wp_icl_translations wpml_translations
							ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
								AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type) 
					WHERE 1=1  AND ( 
  wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (28)
) AND ((wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft'))) AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR (
					wpml_translations.language_code = 'nl'
					AND wp_posts.post_type IN ( 'attachment' )
					AND ( ( 
			( SELECT COUNT(element_id)
			  FROM wp_icl_translations
			  WHERE trid = wpml_translations.trid
			  AND language_code = 'nl'
			) = 0
			 ) OR ( 
			( SELECT COUNT(element_id)
				FROM wp_icl_translations t2
				JOIN wp_posts p ON p.id = t2.element_id
				WHERE t2.trid = wpml_translations.trid
				AND t2.language_code = 'nl'
				AND (
					p.post_status = 'publish' OR 
					p.post_type='attachment' AND p.post_status = 'inherit'
				)
			) = 0 ) ) 
				) ) AND wp_posts.post_type  IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker' )  ) OR wp_posts.post_type  NOT  IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','acf-field-group','bwl_advanced_faq','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker' )  )
					GROUP BY wp_posts.ID
					ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC
					LIMIT 70, 10
				
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 9996
                    [post_author] => 16
                    [post_date] => 2016-10-25 14:01:34
                    [post_date_gmt] => 2016-10-25 12:01:34
                    [post_content] => Een illegale kopie van een softwareprogramma is snel en goedkoop. Wellicht denkt degene die downloadt bovendien dat het risico om ‘gepakt’ te worden niet zo groot is. Desalniettemin kan het downloaden van illegale software toch vervelende gevolgen hebben, zo volgt uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus jl. In die casus speelde het volgende.

software_uisttraling
Casus
Siemens houdt zich bezig met het ontwikkelen en produceren van software. Maverick heeft van Siemens een aantal licenties gekocht voor het gebruik van een computerprogramma. Op enig moment krijgt Siemens via door haar gebruikte software een melding dat op een computer van Maverick gebruik wordt gemaakt van illegale software. Maverick wordt door Siemens aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt. Maverick betwist die schade omdat de illegale kopie door een werknemer van haar is gedownload en dat dit buiten haar invloedsfeer is gebeurd.
Oordeel rechtbank
De rechtbank concludeert dat de werknemer van Maverick een ondergeschikte is van Maverick. Dat betekent dat voor zover de werknemer een fout heeft gemaakt, Maverick voor die schade aansprakelijk is. Duidelijk is dat de werknemer een fout heeft gemaakt door illegale software te downloaden. De kans op deze fout werd vergoot door de functie van de werknemer en het feit dat hij gratis applicaties kon downloaden voor het programmeren van machines. Hij kreeg hierdoor ook de mogelijkheid om de softwareprogramma’s van Siemens op een laptop te plaatsen. Deze laptop was ter beschikking gesteld door Maverick en werd ook gebruikt voor werkgerelateerde zaken. Maverick voert aan dat de illegale programma’s niet nodig waren om de opgedragen werkzaamheden uit te voeren. Dat maakt niet uit, zo oordeelt de rechter. Maverick had als werkgever haar werknemers kunnen verbieden om illegaal software te downloaden en dat heeft zij niet gedaan. Maverick wordt dus veroordeeld de schade te vergoeden die door Siemens werd geleden.
Conclusie
Werkgevers kunnen werknemers verbieden om illegaal software te downloaden. Gelet op deze uitspraak kan het verstandig zijn om dat te doen. Of een werkgever overigens onder deze aansprakelijkheid uitkomt wanneer zij een dergelijk verbod had uitgevaardigd, is nog maar de vraag. Het helpt de werkgever in ieder wel. De werknemer komt in dit geval goed weg, maar mogelijk kan de werkgever eventuele schade nog op de werknemer verhalen. Illegaal downloaden heeft dus soms meer gevolgen dan vooraf gedacht. Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling” oktober 2016. [post_title] => Werkgever aansprakelijk voor door werknemer illegaal gekopieerde software? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => werkgever-aansprakelijk-werknemer-illegaal-gekopieerde-software [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-02-12 16:55:18 [post_modified_gmt] => 2020-02-12 15:55:18 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/?p=9996 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [1] => WP_Post Object ( [ID] => 9990 [post_author] => 26 [post_date] => 2016-10-20 11:18:43 [post_date_gmt] => 2016-10-20 09:18:43 [post_content] =>   Bogaerts & Groenen advocaten houdt elke donderdag inloopspreekuur in Vught. Elke donderdagochtend is advocaat en scheidingsmediator Liedeke Floris te vinden in Villa Oldenburg  in Vught. Iedereen kan dan vrijblijvend bij haar binnenlopen voor vragen over echtscheiding, alimentatie of andere juridische kwesties. Liedeke werkt bij Bogaerts & Groenen advocaten, gevestigd  in Boxtel en Tilburg. Ze woont in Vught en wil met dit spreekuur haar werkgebied naar Vught en ’s-Hertogenbosch uitbreiden: “Daarmee maken we het voor rechtzoekenden makkelijker om vroegtijdig een goede advocaat in te huren”, aldus Liedeke,  die ook maandelijks een column voor 073 Magazine schrijft. liedeke_073_magazine_oktober_2016 Samenwerking tussen specialisten Liedeke is één van de drieëntwintig advocaten van Bogaerts & Groenen advocaten die zich dagelijks inzetten om hun cliënten van het juiste advies te voorzien en hun belangen optimaal te behartigen. Dat doen ze al meer dan veertig jaar vanuit diverse specialismen, zoals arbeidsrecht, familierecht, erfrecht, ondernemingsrecht, intellectueel eigendom en ICT, aansprakelijkheidsrecht, vastgoedrecht et cetera. “Vroeger waagde iedere advocaat zich aan elk vakgebied. Dat kan niet meer, er zijn te veel ontwikkelingen en te veel disciplines. Daarom werken we alleen met specialisten en dat is in het belang van de cliënt”, vertelt Liedeke Floris. Haar specialisme ligt bij familierecht. Zij is zowel advocaat als echtscheidingsmediator en is lid van de specialisatievereniging Vfas (Vereniging voor Familierechtadvocaten en mediators). “Vaak raken vakgebieden elkaar. Als een ondernemer gaat scheiden van zijn/haar echtgenoot, komt daar niet alleen familierecht bij kijken, maar moeten er ook beslissingen genomen worden op het gebied van vastgoed of onderneming.” Daarom maken de advocaten van Bogaerts & Groenen gebruik van elkaars kennis en kunde. “We hebben allemaal een brede basis, dus we weten hoe het zit. Toch is het fijn om bij een collega aan te kunnen kloppen. We zijn allemaal lid van onze eigen specialistenvereniging waardoor we altijd op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen in het betreffende rechtsgebied.” Lage drempel “De sfeer op ons kantoor is open en informeel. Met onze spreekuren op locatie halen we voor rechtzoekenden de drempel weg om vroegtijdig een goede advocaat in te huren”, vertelt Liedeke. “Veel mensen willen in eerste instantie een goedkopere of andere oplossing, maar komen vaak bedrogen uit door gebrek aan deskundigheid. Wij bieden onze cliënten totaaloplossingen. We treden bijvoorbeeld ook op als mediator bij scheidingen. Je bent dan geen advocaat van één partij, maar treedt op als advocaat-mediator, waarbij de belangen van beide partijen voorop staan. Samen gaan we op zoek naar de juiste oplossing. Als advocaat-mediator kunnen wij ook juridische informatie geven waarna we de zaak ook daadwerkelijk afronden bij de rechtbank en hoef je daarvoor niet naar iemand anders, zoals bij veel scheidingsbemiddelaars wél het geval is”, legt Liedeke uit. “Omdat we ook procederen, weten we wat een rechter wel of niet accepteert en kunnen we inschatten wat de risico’s zijn wanneer een convenant bijvoorbeeld niet duidelijk geformuleerd is. Dat is allemaal in het voordeel van onze cliënt.” Een juiste oplossing op korte én lange termijn De advocatuur is een behoorlijk pittig vak. Dagelijks komen er zaken voorbij die niet in de koude kleren gaan zitten. Liedeke: “Vaak is er sprake van een rouwproces (scheiding, faillissement, ongeval) waarbij het veelal draait om emotie. Mensen zijn geneigd om alles snel op te lossen, maar vergeten vaak aan de lange termijn te denken. Wij helpen cliënten door het proces op zakelijk én emotioneel gebied, op korte én lange termijn. Je helpt mensen bij het op de rit krijgen van hun leven.” Lees hier het gehele artikel. Dit artikel is gepubliceerd in “073 Magazine” 19 oktober 2016. [post_title] => We helpen mensen zakelijk én emotioneel [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => we-helpen-mensen-zakelijk-en-emotioneel [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-10-20 11:20:04 [post_modified_gmt] => 2016-10-20 09:20:04 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/?p=9990 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 17414 [post_author] => 26 [post_date] => 2016-06-03 08:59:11 [post_date_gmt] => 2016-06-03 06:59:11 [post_content] => De gelegenheid krijgen om alsnog deugdelijk te presteren, een tweede kans dus, is een beginsel dat op meerdere plaatsen in ons rechtssysteem is verankerd. Wellicht op de meest prominente rol in artikel 6:81 BW. Het artikel waarin de ingebrekestelling centraal staat. De ingebrekestelling heeft in ieder geval twee belangrijke functies. Enerzijds kan duidelijkheid worden geschapen tot welk moment de schuldenaar nog kan nakomen in plaats van te moeten wachten of, en zo ja, wanneer die daartoe bereid zal zijn. Anderzijds komt de eis van de ingebrekestelling tegemoet aan het belang van de schuldenaar dat hij nog een termijn krijgt alvorens de nadelige gevolgen van de ondeugdelijke prestatie in werking treden (schadevergoeding, wettelijke rente, ontbinding, boete- en kostenbedingen).1 In gebreke stellen is dus het uitgangspunt. Van dit uitgangspunt kan echter in een aantal gevallen worden afgeweken. In dit artikel zullen wij nader toelichten in welke gevallen verzuim intreedt zonder ingebrekestelling en dit vervolgens categoriseren. Hierbij beginnen wij met de categorieën die betrekking hebben op de niet-nakoming van de verbintenis. Vervolgens benoemen wij nog twee categorieën waarin andere gevallen worden besproken.
Wettelijk kader
Wanneer een partij toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van een overeenkomst, kan die partij op grond van artikel 6:265 BW de overeenkomst ontbinden en/of op grond van artikel 6:74 BW schadevergoeding vorderen. Daarvoor is wel echter wel vereist dat de schuldenaar in verzuim verkeert. Hoewel dit verzuimbegrip veel bekendheid geniet, laat de praktijk zien dat met grote regelmaat vorderingen worden afgewezen, omdat niet aan het verzuimvereiste is voldaan. Vaak is in geding of op de juiste wijze in gebreke is gesteld.2 In artikel 6:82 BW vindt de ingebrekestelling zijn wettelijke grondslag. Het verzuim treedt niet eerder in, dan wanneer de schuldenaar 'in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft', aldus lid 1. De termijn die de schuldeiser aan de schuldenaar geeft, dient - alle omstandigheden van het geval in ogenschouw genomen - redelijk te zijn. Naast de redelijke termijn dient in de aanmaning ook duidelijk te worden omschreven wat de schuldeiser van de schuldenaar vordert. Omgekeerd betekent dit dat de schuldenaar uit de aanmaning moet begrijpen wat van hem wordt verwacht en met welke reden dit van hem wordt verwacht. Lid 2 vervolgt: 'indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld'. De ratio achter dit artikel is dat het stellen van een termijn, als bedoeld in lid 1, nutteloos is wanneer het voor partijen duidelijk is dat de nakoming niet op korte termijn zal volgen. In dat geval volstaat dus slechts een mededeling van de aansprakelijkheid voor het niet nakomen van de verbintenis. De wetgever heeft hierbij het belang voor ogen gehouden dat de gevolgen van een verzuim niet moeten intreden zonder dat de schuldeiser ondubbelzinnig heeft doen blijken dat hij met de vertraging geen genoegen neemt.3 Artikel 6:83 BW somt de gevallen op, waarin het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Hoewel de tekst van artikel 6:81 BW anders doet vermoeden, zijn de gevallen die in artikel 6:83 BW genoemd staan niet limitatief.4 In het onderstaande zullen wij de mogelijkheden toelichten en categoriseren.
Categorie 1: het verstrijken van de fatale termijn 
Artikel 6:83 sub a BW bepaalt de eerste mogelijkheid waarop het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Hiervan is sprake, 'wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen, tenzij blijkt dat de termijn een andere strekking heeft'. Deze termijn wordt ook wel aangeduid als 'fatale termijn'. Een schuldeiser mag er in beginsel vanuit gaan dat, indien de overeenkomst een termijn tot voldoening bevat, de schuldenaar bij verstrijking van de termijn zonder ingebrekestelling in verzuim komt te verkeren.5 Wel zal het in algemene zin voor de schuldenaar 'buiten twijfel' moeten zijn vanaf welk moment hij in verzuim verkeert. Daarom is het van belang dat de gestelde termijn voldoende bepaald is. Hiervoor kan een kalenderdatum worden genoemd, maar dit is niet noodzakelijk.6 Het meest duidelijk is het wanneer beide partijen met de fatale termijn expliciet hebben ingestemd.7 De enkele omstandigheid dat bijvoorbeeld een geplande doorlooptijd niet wordt gehaald, waarvoor excuses zijn gemaakt, is geen fatale termijn. Het bestaan van met elkaar in strijd zijnde leveringsdata brengt met zich dat de termijnen onvoldoende concreet zijn om te kunnen spreken van fatale termijnen.8 Bovendien moet het wel om een betalingstermijn gaan en niet om een termijn voor het geven van bijvoorbeeld een reactie.9 Ook een opleverdatum heeft niet direct te gelden als een fatale termijn.10 De rechtspraak biedt in enkele gevallen duidelijkheid wanneer sprake is van een fatale termijn. Zo werd een bepaling over het ter beschikking stellen van het gehuurde als een fatale termijn beschouwd11 evenals gestelde termijnen voor het voldoen van de huurpenningen.12 Ten aanzien van de vraag of een betalingstermijn op een factuur een fatale termijn is, is in de rechtspraak over het algemeen aangenomen dat (afhankelijk van de formulering) sprake is van een fatale termijn. De rechtbank Zutphen overwoog bij vonnis d.d. 31 augustus 2005: "Voorop staat dat er voor een aanmaning tot betaling geen plaats was aangezien in de factuur, zowel in het exemplaar dat door Morgan is overgelegd als in het exemplaar dat door [gedaagden] is overgelegd, een betalingstermijn was opgenomen. [Gedaagden] behoefden pas op 18 december 2002 tot betaling van het bedrag van f. 165.000,00 over te gaan. Voor aanmaning eerder dan 18 december 2002 was dan ook geen reden. Voorzover [gedaagden] tevens hebben beoogd te stellen dat zij daarna ook nooit zijn gemaand of in gebreke gesteld, wordt opgemerkt dat de datum van 18 december 2002 is te beschouwen als een zogenaamde fatale termijn in de zin van artikel 6:83 Burgerlijk Wetboek (BW) zodat [gedaagden] na die datum van rechtswege in verzuim waren."13 In de rechtspraak en literatuur wordt geen onderscheid gemaakt tussen enerzijds de gevolgen van verzuim met ingebrekestelling en anderzijds zonder ingebrekestelling. Uit de Toelichting van Meijers bij het Ontwerp valt nog wel een onderscheid te herleiden. Indien een schuldenaar niet tijdig presteert zoals tevoren is vastgelegd, zou het redelijk zijn dat hij ook zonder dat hij nog eens op zijn verplichtingen is gewezen, aansprakelijk wordt voor de schade die de schuldeiser als gevolg hiervan lijdt. De schuldeiser zou op grond hiervan dan ook slechts de gevolgschade kunnen vorderen van de schuldenaar. Voor vervangende schadevergoeding en ontbinding zou een ingebrekestelling noodzakelijk zijn. In zijn toelichting overweegt Meijers daaromtrent: "de ingebrekestellende kracht van de termijn zou echter te hard zijn voor de schuldenaar wanneer alle gevolgen van de wanprestatie automatisch in werking zouden treden."14 Op basis hiervan zou artikel 6:83 sub a BW in die zin dus beperkt uitgelegd moeten worden. Afhankelijk van het gevolg dat aan de tekortkoming wordt verbonden, zou al dan niet toch een ingebrekestelling vereist zijn. In de literatuur en jurisprudentie wordt dit onderscheid echter niet gemaakt. Zo wees onder meer het Gerechtshof Den Haag recentelijk nog op de mogelijkheid om bij het verstrijken van een fatale termijn de overeenkomst te ontbinden.15 Uiteraard dient de ontbinding haar gevolgen wel te rechtvaardigen, zoals art. 6:265 lid 1 BW voorschrijft. Het verstrijken van een fatale termijn zorgt ervoor dat de schuldenaar in verzuim komt te verkeren. Aangezien de termijn bevattelijk is voor discussie, verdient het de voorkeur om zekerheidshalve de schuldenaar, nadat de fatale termijn is verstreken, alsnog een ingebrekestelling te versturen.
Categorie 2: Mededeling schuldenaar
Een derde optie die artikel 6:83 BW biedt, is dat geen ingebrekestelling is vereist, 'indien de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten'. Hoewel toepassing van de redelijkheid en billijkheid kan meebrengen dat in plaats van een mededeling van de schuldenaar de schuldeiser ook uit de houding van de schuldenaar kan afleiden dat de schuldenaar zal tekortschieten en het verzuim intreedt16, zal voor een geslaagd beroep op slechts artikel 6:83 sub c BW sprake moeten zijn van een mededeling. Het verzuim treedt in zodra de schuldeiser de mededeling van de schuldenaar heeft ontvangen. De mededeling dient dan ook van de schuldenaar afkomstig te zijn en gericht te zijn aan de schuldeiser.17 Het verzuim kan ook intreden indien de verbintenis nog niet opeisbaar is.18 Wanneer een mededeling kan worden gekwalificeerd als genoemd in artikel 6:83 sub c BW is niet makkelijk te duiden. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de mededeling een gedragslijn moet inhouden, die in strijd is met de verplichtingen van de schuldenaar.19 In dat licht is niet vereist dat de schuldenaar expliciet verklaart dat hij tekort zal schieten, maar dient deze strekking uit de mededeling te volgen. Asser/Hartkamp & Sieburgh beschrijven enkele mededelingen waaruit de schuldeiser mag afleiden dat de schuldenaar zal tekortschieten. Hiervan is sprake als:
  • de schuldenaar zich alleen bereid verklaart te presteren op een andere voorwaarde dan overeengekomen, of;
  • de schuldenaar de op hem rustende verbintenis ontkent en daaruit zijn onwil om de verbintenis na te komen blijkt, of;
  • de schuldenaar een verklaring afgeeft de overeenkomst te willen ontbinden of vernietigen.20
Een duidelijk voorbeeld van bewoordingen waaruit de schuldeiser mocht opmaken dat zijn schuldenaar tekort zou schieten, deed zich onlangs voor bij een zaak bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het hof oordeelde dat uit onderstaande reactie van de advocaat van de schuldenaar duidelijk kan worden afgeleid dat de schuldenaar niet zou nakomen, zodat een ingebrekestelling niet zinvol meer was en derhalve niet noodzakelijk om het verzuim te laten intreden. "Cliënte heeft volledig voldaan aan hetgeen waartoe zij door het hof is veroordeeld. Zij is uw cliënte derhalve niets meer verschuldigd. Bij gebreke aan een openstaande vordering van uw cliënte, kan van verrekening ook geen sprake zijn. Niet valt in te zien op grond waarvan cliënt nog met uw cliënte in onderhandeling zou moeten treden. Een eventuele procedure bij de Hoge Raad ziet cliënte met alle vertrouwen tegemoet. Mocht uw cliënte in cassatie gaan, dan zij het niet nalaten om eveneens cassatieberoep in te stellen, met voor uw cliënte alle risico's van dien. Cliënte behoudt zich alle rechten en weren voor en kan niet worden geacht te hebben berust in het arrest."21 Net als de fatale termijn is ook de vraag of uit een mededeling kan worden afgeleid dat de schuldenaar zijn verbintenis niet zal nakomen, bevattelijk voor discussie. Bij elke vorm van twijfel of de mededeling als zodanig gekwalificeerd kan worden, verdient het de voorkeur zekerheidshalve een ingebrekestelling te sturen.
Categorie 3: redelijkheid en billijkheid
Niet alleen uit de wet zijn uitzonderingsbepalingen te herleiden, uit de literatuur en jurisprudentie22 volgt dat toepassing van artikel 6:248 BW ook kan meebrengen dat sprake is van een verzuimsituatie zonder ingebrekestelling. In zijn arrest van 4 oktober 2002 oordeelde de Hoge Raad dat: "onder omstandigheden een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt." 23 De Hoge Raad schetst in dit arrest twee mogelijkheden van doorwerking van de redelijkheid en billijkheid. Uit de eerste mogelijkheid volgt dat de schuldeiser voor verzuim een ingebrekestelling had moeten uitbrengen, maar dat de (derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid meebrengen dat desalniettemin het verzuim intreedt. De tweede mogelijkheid houdt in dat geen ingebrekestelling is vereist, omdat de (aanvullende werking van de) redelijkheid en billijkheid het achterwege laten rechtvaardigt. Hijma noemt als voorbeeld van toepassing van artikel 6:248 BW de koop van typische seizoenartikelen of de koop van zaken die snel van hand tot hand gaan.24 Asser/Hartkamp & Sieburgh noemen de opzettelijke gepleegde wanprestatie of een duidelijk gebleken ondeskundigheid als voorbeelden waarbij de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan om met succes een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling te doen.25 In zijn conclusie bij een arrest van 13 januari 2012, noemt A-G Langemeijer vruchteloze herstelpogingen en de situatie waarin de schuldenaar uit de contacten met schuldeiser had moeten begrijpen dat het geduld van de schuldeiser opraakte als voorbeelden.26 Een praktijkvoorbeeld deed zich voor bij de Rechtbank Midden-Nederland. Een tandarts bestelde modellen van gebitten bij een tandtechnicus. De tandarts stelde zich op het standpunt dat de tandtechnicus in verzuim verkeerde. De rechtbank stelde allereerst vast dat tussen partijen geen fatale termijn was overeengekomen om hieraan toe te voegen dat er in dit geval sprake was van omstandigheden waarin de tandtechnicus zich achteraf naar redelijkheid en billijkheid er niet op kan beroepen niet in gebreke te zijn gesteld. De rechtbank overwoog: "Gelet op de aard van de klachten, de omstandigheid dat er over de kwaliteit van [eiser] werkzaamheden meermalen overleg tussen partijen is gevoerd, [eiser] meermalen in de gelegenheid is gesteld de protheses te herstellen en hij daarin niet is geslaagd en het ontbreken van vertrouwen bij althans één patiënt (Mevrouw K.), is het begrijpelijk dat [gedaagde] er geen vertrouwen meer in had dat [eiser] deugdelijk zou kunnen nakomen. Dit leidt ertoe dat [eiser] zonder ingebrekestelling in verzuim is komen te verkeren, zodat op zichzelf plaats is voor (gedeeltelijke) ontbinding en schadevergoeding."27 Een ander voorbeeld deed zich voor in een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uit 2010. De casus was als volgt. Cubeware zou programmatuur leveren aan A-Line. A-Line betaalde Cubeware ruim f. 1,9 miljoen. De programmatuur werd echter niet geleverd. Ondanks gesprekken en het inschakelen van een deskundige raken partijen in geschil en vordert A-Line de betaling terug. Het hof stelt vast dat de opleveringsdatum niet als een fatale termijn kan worden beschouwd en dat Cubeware niet in gebreke is gesteld. Het hof achtte een onafhankelijk onderzoek nodig om het verweer over het ontbreken van een ingebrekestelling te kunnen beoordelen tegen de achtergrond van een adequate beschrijving van de kwaliteit van het geleverde werk. De deskundige stelde vast dat:
  • de oorspronkelijke opleverdatum door Cubeware niet in acht is genomen;
  • A-Line aan Cubeware heeft aangegeven dat de voortgang haar zorgen baarde;
  • uit het rapport van de deskundige A-Line redelijkerwijze de conclusie kon trekken dat verder voortgaan op de ingeslagen weg een heilloze onderneming zou zijn en dat niet te verwachten was dat Cubeware de opdracht alsnog binnen afzienbare tijd tot een goed einde zou kunnen brengen;
  • Cubeware in de verschillende fasen van de samenwerking [...] er niet in is geslaagd [om] een deugdelijk resultaat te bewerkstelligen.
Volgens het hof heeft A-Line in oktober 2000 daarmee terecht de conclusie getrokken dat Cubeware niet alsnog haar verplichtingen uit de overeenkomst zou kunnen nakomen. "Onder deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van het hof naar redelijkheid en billijkheid een expliciete schriftelijke ingebrekestelling achterwege blijven en komt Cubeware ondanks het ontbreken daarvan in verzuim."28 Hoewel in de rechtspraak wel voorbeelden terug te vinden zijn, waarin de toepassing van de redelijkheid en billijkheid het verzuim tot gevolg hebben, blijkt uit laatstgenoemd voorbeeld dat het sturen van een ingebrekestelling meer zekerheid biedt. Had A-Line immers een ingebrekestelling gestuurd, dan was het verzuim na afloop van de termijn ingetreden. In dat geval had het hof geen deskundige hoeven te benoemen om met toepassing van de redelijkheid en billijkheid alsnog tot het oordeel te komen dat de ingebrekestelling achterwege kon blijven. In dat licht bezien kan de redelijkheid en billijkheid fungeren als een vangnet. Niet alleen de redelijkheid en billijkheid, maar ook de gewoonte (al dan niet in combinatie met de redelijkheid en billijkheid) zou ervoor kunnen zorgen dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt.29 Net als de redelijkheid en billijkheid wordt de gewoonte in artikel 6:248 BW genoemd. Uit de Toelichting Meijers bij dit artikel volgt dat, indien "de inhoud van het beding tot een gebruik met kracht van gewoonterecht is geworden - in welk geval het overbodig is geworden het beding in de overeenkomst op te nemen - schept dit gebruik ook recht voor hen die ermee onbekend waren en zal het door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast."30 Hoewel de literatuur de mogelijkheid beschrijft om met een beroep op het gewoonterecht (al dan niet in combinatie met de redelijkheid en billijkheid) te bewerkstelligen dat de schuldenaar in verzuim komt te verkeren zonder voorafgaande ingebrekestelling, zijn ons echter geen uitspraken bekend waarin dit is bevestigd. De toepassing van de redelijkheid en billijkheid lijkt daarmee laagdrempeliger en mogelijk zelfs overkoepelend.
Categorie 4: Verbintenis uit onrechtmatige daad of schadevergoeding
Van verzuim zonder ingebrekestelling is voorts sprake, indien 'de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:74 lid 1 BW en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen', aldus artikel 6:83 sub b BW. Uit dit artikel volgt dat bij onrechtmatige gedragingen en schadevergoeding bij de wanprestatie van rechtswege het verzuim van de schuldenaar intreedt, zodra de prestatie opeisbaar is geworden. Bij een onrechtmatige daad wordt de verbintenis opeisbaar op het tijdstip waarop de schade ontstaat.31 Onder het begrip 'verbintenis' vallen alle verbintenissen die voortvloeien uit titel 6.3 BW. Voorts volgt uit dit artikel dat de wettelijke rente verschuldigd is, zodra de betreffende vordering opeisbaar is. Ten aanzien van de 'verbintenis die strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:74 lid 1 BW' wordt gedoeld op de schadevergoedingsverbintenis als gevolg van een tekortkoming.
Categorie 5: Bijzondere wettelijke bepalingen 
De wetgever heeft expliciet bepaald om artikel 3:83 BW geen limitatief karakter te geven.32 In enkele andere artikelen wordt verzuim zonder ingebrekestelling eveneens direct aangenomen. Twee voorbeelden zijn terug te vinden in artikel 6:205 BW en artikel 6:274 BW. In beide gevallen is er sprake van een schuldenaar die te kwader trouw handelt. Artikel 6:205 BW betreft de ontvangst van een onverschuldigde betaling te kwader trouw. Van 'te kwader trouw' is sprake, indien de ontvanger weet of vermoedt dat de schuldenaar deze prestatie hem niet verschuldigd is. Na ontvangst van de betaling verkeert de ontvanger dan ook direct in verzuim. Het tweede artikel betreft artikel 6:274 BW, waarin de schuldenaar, die in weerwil van een dreigende ontbinding te kwader trouw een prestatie ontvangt, na de ontbinding in verzuim verkeert vanaf het moment dat hij de prestatie heeft ontvangen. Met dit artikel wordt beoogd dat de regels van het verzuim ingaan voordat de ongedaanmakingsverbintenis is ontstaan.33 Hoewel het artikel betrekking heeft op de situatie voordat de ontbinding heeft plaatsgevonden, kan de bepaling pas na de ontbinding worden toegepast. Het verzuim treedt dan ook in op het moment dat de prestatie te kwader trouw in ontvangst is genomen. Van 'te kwader trouwheid' is in dit artikel sprake, indien de ontvanger weet of vermoedt dat ontbinding zal volgen.34
Conclusie
Vele wegen leiden naar het verzuim. De meest zekere weg is om een fatale termijn met de wederpartij overeen te komen. Het verdient echter de voorkeur om meerdere mogelijkheden te creëren. Wanneer de schuldenaar zijn verbintenis niet nakomt, verdient het dan ook de voorkeur om hem eerst schriftelijk in gebreke te stellen. Indien geen ingebrekestelling is verstuurd, kan de schuldenaar ook op andere gronden dan het verstrijken van de fatale termijn in verzuim verkeren. Dit kan het geval zijn wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar kan afleiden dat hij zijn verbintenis niet nakomt. Ten slotte biedt artikel 6:248 BW de mogelijkheid om met toepassing van de redelijkheid en billijkheid (en mogelijk zelfs het gewoonterecht) tot een wenselijke uitkomst te komen. Deze grond biedt echter weinig zekerheid en lijkt om die reden slechts als vangnet te fungeren voor de gevallen waarin geen fatale termijn is overeengekomen en de schuldenaar niet ingebreke is gesteld. mr. R.J. Boogers             Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 13 mei 2016. [post_title] => Zonder ingebrekestelling toch in verzuim [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => zonder-ingebrekestelling-toch-in-verzuim [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2022-01-03 10:53:41 [post_modified_gmt] => 2022-01-03 09:53:41 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17414 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 17487 [post_author] => 26 [post_date] => 2016-04-22 14:30:39 [post_date_gmt] => 2016-04-22 12:30:39 [post_content] =>
Inleiding
In het dagelijks leven komen iedere dag tientallen verbintenissen tot stand. Bij het aangaan van zo’n verbintenis kunnen opschortende voorwaarden gesteld worden. De werking van de verbintenis is dan afhankelijk van het in vervulling gaan van de voorwaarde, hetgeen een toekomstige en onzekere gebeurtenis betreft. Indien niet aan de voorwaarde wordt voldaan, zal de verbintenis niet in werking treden.
Artikel 6:23 lid 1 BW
Wanneer één van de bij de verbintenis betrokken partijen bij de niet-vervulling van de voorwaarde belang had, en deze partij de vervulling van de voorwaarde heeft belet, geldt de voorwaarde als vervuld indien de redelijkheid en billijkheid dit verlangen. Dit volgt uit artikel 6:23 lid 1 BW. De voorwaarde wordt derhalve geacht vervuld te zijn, wanneer de partij, die bij de niet-vervulling belang had, de toestand van het niet vervuld zijn van de voorwaarde teweeg heeft gebracht. Voor de beantwoording van de vraag of de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de voorwaarde als vervuld geldt, zijn alle feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de totstandkoming van de overeenkomst alsmede hetgeen partijen over en weer van elkaar mochten verwachten van belang.[1]
Arrest Hoge Raad d.d. 5 februari 2016
Zeer recent heeft de Hoge Raad een oordeel geveld over het al dan niet vervuld zijn van een aan een verbintenis verbonden voorwaarde, op grond van artikel 6:23 lid 1 BW. Feiten Eiser heeft de Gemeente Sittard-Geleen [hierna “Gemeente”] om een optie op een kavel in het Kantorenpark van de Gemeente verzocht. De Gemeente heeft deze optie verstrekt onder een aantal voorwaarden. Ten eerste dient Eiser de bouw van de opstallen van het perceel, aldus het kantoorpand, binnen 18 maanden na de levering te zijn gestart en dient deze bouw binnen een jaar nadien te worden voltooid. Ten tweede dient minstens de helft van het te bouwen kantoorpand te zijn verhuurd. In reactie op de concept koopovereenkomst heeft Eiser opgemerkt dat de termijn van 18 maanden relatief kort is gezien de huidige economische teruggang en de daarmee corresponderende afnemende vraag naar kantoorruimte. Eiser heeft de Gemeente verzocht om deze termijn te verlengen met tenminste één jaar. Daarnaast heeft Eiser de Gemeente geïnformeerd over de opzegging van Thuiszorg Westelijke Mijnstreek [hierna “Thuiszorg”], inhoudende dat zij geen gebruik zal maken van de door Eiser aangeboden kantoorruimte. Thuiszorg was een belangrijke potentiële huurder. Eiser wenst desondanks op korte termijn tot afname van de kavel over te gaan tegen de eerder afgesproken prijscondities, onder de voorwaarde dat een redelijke termijn kan worden overeengekomen waarbinnen aanvang kan worden gemaakt met de bouw. Nadat Eiser hierop geen reactie van de Gemeente heeft ontvangen, heeft Eiser de Gemeente gedagvaard en onder andere gevorderd dat de Gemeente wordt veroordeeld om mee te werken aan de levering van de kavel. Oordeel van de Hoge Raad Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een huurder had, die door een ambtenaar van de Gemeente is “weggekaapt”, zodat de voorwaarde dat minstens 50% van het te bouwen kantoorpand moet zijn verhuurd, op grond van artikel 6:23 lid 1 BW moet worden geacht te zijn vervuld. De Gemeente heeft als verweer gevoerd dat zij niet gehouden was om de koopovereenkomst met Eiser aan te gaan omdat aan een tweetal voorwaarden daarvoor niet was voldaan. Ten eerste wilde Eiser niet akkoord gaan met [of kon niet voldoen aan] de bepaling dat binnen 18 maanden met de bouw moest worden begonnen en deze binnen een jaar moest zijn voltooid. Ten tweede had Eiser niet overeenkomstig de voorwaarde 50% van het te bouwen kantoorpand verhuurd.[2] Het Hof heeft overwogen dat vast is komen te staan dat de Gemeente het beleidsvoornemen had om de zorginstellingen te concentreren in een zorgboulevard. Voor Thuiszorg hing de belangstelling voor het door Eiser te ontwikkelen kantoorpand sterk samen met de aanvankelijke wens om zelfstandig te blijven ten opzichte van Orbis. Uiteindelijk heeft de Raad van Toezicht van Thuiszorg daar echter niet voor gekozen en is Thuiszorg toch opgenomen in Orbis, waarmee zij ook het huisvestingsbeleid van Orbis volgde en dientengevolge haar belangstelling voor het pand van Eiser verloor. Gelet op dit feit kan volgens de Hoge Raad niet worden geoordeeld dat de Gemeente de vervulling van de voorwaarde, dat 50% van het kantoorpand verhuurd zou zijn, in de zin van artikel 6:23 lid 1 BW heeft belet. Voor het beletten in de zin van die bepaling is vereist dat de niet-vervulling van de voorwaarde is veroorzaakt door toedoen van de partij die daarbij belang heeft. Indien, zoals in dit geval, de niet-vervulling van de voorwaarde haar oorzaak vindt in andere omstandigheden dan de gedragingen van die partij, is van beletten in de zin van artikel 6:23 lid 1 BW geen sprake. Dat bij de besluitvorming van Orbis en daardoor bij die van Thuiszorg mede het beleid van de Gemeente een rol heeft gespeeld om alle zorginstellingen op één plaats te huisvesten, is volgens de Hoge Raad onvoldoende voor het oordeel dat het terugtrekken door Thuiszorg als huurder door toedoen van de Gemeente is veroorzaakt. Dat terugtrekken berustte immers op een eigen afweging van Thuiszorg, terwijl niet valt in te zien dat de Gemeente zich van dat beleid zou hebben moeten onthouden. Het terugtreden van Thuiszorg als mogelijke huurder valt derhalve niet aan de Gemeente toe te rekenen. Vast staat dus dat Eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat 50% van het kantoorpand verhuurd zou zijn. Hieruit volgt volgens de Hoge Raad dat de Gemeente zonder meer mocht weigeren om de koopovereenkomst met Eiser aan te gaan, nu het gaat om een voorwaarde voor het kunnen uitoefenen van de optie.[3]
Goedkeuring College van B&W
Ook in het hierboven besproken arrest heeft de Gemeente de opschortende voorwaarde van goedkeuring door het College van B&W verbonden aan de koopovereenkomst met Eiser. Dit betrof niet één van de voorwaarden die in het betreffende arrest ter discussie stond, maar het betreft desondanks een voorwaarde die een nadere bespreking verdient. In zijn arrest van 1 juni 2012 heeft de Hoge Raad namelijk een oordeel geveld over de vraag of een dergelijke voorwaarde aangemerkt kan worden als een opschortende voorwaarde in de zin van artikel 6:21 BW, zodat in een voorkomend geval ook artikel 6:23 lid 1 BW van toepassing kan zijn. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 160 lid 1 sub e Gemeentewet het College van B&W de bevoegdheid tot het aangaan van privaatrechtelijke handelingen toekent. Deze bevoegdheid sluit niet uit dat met instemming van het College van B&W onderhandelingen over een voorgenomen privaatrechtelijke rechtshandeling namens een gemeente door ambtenaren kunnen worden gevoerd en dat als resultaat van die onderhandelingen een rechtshandeling tot stand komt onder de voorwaarde van goedkeuring door het College van B&W. In een dergelijk geval kan een zodanige voorwaarde worden aangemerkt als een opschortende voorwaarde in de zin van artikel 6:21 BW, zodat ook artikel 6:23 lid 1 BW toepassing kan vinden. Daartoe is het niet nodig dat de onderhandelaars aan de zijde van een gemeente een mandaat van het College van B&W hebben om een gemeente te binden, omdat vanwege de opschortende voorwaarde de overeenkomst een gemeente pas bindt nadat de voorwaarde in vervulling is gegaan, of op grond van artikel 6:23 lid 1 BW geacht wordt in vervulling te zijn gegaan.[4]
Conclusie
Het uitgangspunt blijft een ieder in vrijheid kan onderhandelen en de onderhandelingen dus kan beëindigen als die niet leiden tot een aanvaardbaar resultaat. De twee bovenstaande uitspraken laten echter zien dat men, en dus ook een gemeente, zich bewust dient te zijn van de gevolgen van het verbinden van [opschortende] voorwaarden aan een overeenkomst. Indien de vervulling van een dergelijke voorwaarde door toedoen van één van de partijen wordt gefrustreerd, kan dit ertoe leiden dat de voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld en er dus een overeenkomst tot stand gekomen is, waar beide partijen aan gebonden zijn. Dit is zelfs het geval indien de opschortende voorwaarde bijvoorbeeld de veelvuldig door een gemeente gebruikte voorwaarde van toestemming van het College van B&W betreft. [1] HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737. [2] GH ‘s-Hertogenbosch 16 oktober 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7385. [3] HR 5 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:200. [4] HR 1 juni 2012, LJN BV1748.                 Anne van der Steen Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 1 april 2016. [post_title] => Een opschortende voorwaarde? Ben je bewust van de gevolgen ervan! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => een-opschortende-voorwaarde-ben-je-bewust-van-de-gevolgen-ervan [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2021-12-23 11:26:26 [post_modified_gmt] => 2021-12-23 10:26:26 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17487 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 10495 [post_author] => 16 [post_date] => 2016-03-14 11:34:16 [post_date_gmt] => 2016-03-14 10:34:16 [post_content] =>   Helaas blijken ongevallen met aangelijnde honden in de lift vaak voor te komen. Het Hof Den Bosch heeft onlangs geoordeeld over de aansprakelijkheid. Het betreft een man die een hond probeerde te redden en in  de liftschacht is gevallen. Hij liep ernstig letsel op. Gebeurtenis Een bewoonster van het appartementencomplex liep vanuit de centrale hal de lift op de begane grond in. Zij had een klein hondje bij zich aan de riem. Het betrof een zgn. uitschuifriem. Op het moment dat de liftdeuren zich sloten en de lift op het punt stond naar boven te vertrekken,  glipte het hondje terug de hal in. De vrouw kon niet voorkomen dat het hondje in de hal bleef , terwijl zij in de lift naar boven vertrok. De vrouw en het hondje bleven aan elkaar verbonden door middel van de riem. De vrouw zag nog kans  om de deblokkeerknop los te laten van de uitschuifriem, waardoor de lengte van de lijn groter  werd. Het hondje kwam niettemin klem te zitten in de rechterbovenhoek van de liftopening. Een andere vrouw in de hal zag het hondje in ademnood  en probeerde hem te bevrijden, hetgeen niet lukte. Volgens deze vrouw waren de liftdeuren geopend en was er geen lift te zien. Zij heeft niemand gezien die de liftdeuren heeft geopend. Omdat zij last had van hoogtevrees en hierdoor niet in staat was om verder te helpen riep zij om hulp. Er kwam een man aangerend maar nog voordat de vrouw aan kon geven dat er geen lift in de schacht was hij in de diepte van de schacht gevallen. Aansprakelijkheid De man stelt de eigenaar van het appartementencomplex  aansprakelijk  voor de gevolgen van het zware ongeval dat hem is overkomen. Volgens hem heeft de eigenaar een gevaarlijke situatie  geschapen door toe te staan dat met een aangelijnde hond gebruik wordt gemaakt van de lift. Een hondenlijn kan immers het sluiten van de deuren niet voorkomen. Oordeel Rechtbank De rechtbank  oordeelt echter dat de gevaarzettende situatie niet is ontstaan door toedoen of nalaten van de eigenaar van het appartementencomplex. De rechtbank oordeelt dat de opeenstapeling van gebeurtenissen een droevige samenloop van omstandigheden is , die redelijkerwijs niet voorzienbaar was.  Het slachtoffer gaat in hoger beroep. Oordeel Hof Den Bosch Uit onderzoeken door het Liftinstituut  blijkt dat de liftinstallatie in alle opzichten voldoet aan de  voorschriften.  Na technisch onderzoek blijkt  dat het niet anders kan  dan dat de liftdeur middels handkracht/externe kracht open is gemaakt. Volgens het Hof heeft het ongeval plaatsgevonden door een combinatie van menselijk handelen en een inschattingsfout. Het Hof acht de eigenaar van het appartementencomplex niet aansprakelijk. Waarschuwingspictogram Naar aanleiding van de vele ongevallen heeft het Liftinstituut sinds geruime tijd pictogrammen uitgegeven voor lifteigenaren die oproepen tot kort aanlijnen van de hond in de lift. Wellicht zijn er ook technische mogelijkheden om de lift hondveiliger te maken. Hopelijk zal dit leiden tot minder ongevallen. [post_title] => Man valt in liftschacht tijdens reddingspoging van een hondje. Woningbouwvereniging aansprakelijk? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => man-valt-liftschacht-tijdens-reddingspoging-hondje-woningbouwvereniging-aansprakelijk [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-01-31 11:36:35 [post_modified_gmt] => 2017-01-31 10:36:35 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/?p=10495 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 10493 [post_author] => 16 [post_date] => 2016-02-08 11:26:49 [post_date_gmt] => 2016-02-08 10:26:49 [post_content] =>   Op 18 augustus 2005 gebeurt een verschrikkelijk ongeval waarbij een fietser blijvend letsel oploopt en haar dochtertje komt te overlijden. Vader claimt shockschade bij de aansprakelijke partij. Rechtbank Rotterdam doet op 16 december 2015 uitspraak. Het ongeval Een moeder fietst, met haar dochtertje achterop, op een fietsstrook langs de rijbaan. Een vrachtwagen met aanhangwagen raakt de fiets. De moeder komt hierdoor ten val. Het dochtertje komt onder de wielen van de vrachtwagen en overlijdt ter plaatse. Shock De vader heeft de sirenes gehoord en de traumahelikopter gezien. Hij was ongeveer 5 minuten nadat zijn verongelukte dochter en zwaar gewonde vrouw naar het ziekenhuis zijn gebracht op de plaats van het ongeval. Op het wegdek lagen nog bebloede lakens en stoffelijke overschotten van zijn dochter, die niet waren afgedekt. Zoals de dekens en lakens lagen kon zeer goed de illusie worden gewekt dat er nog iemand onder lag. Vader dacht dit ook. De agenten vertelden hem dat zijn vrouw zwaargewond was en zijn dochtertje overleden en overgebracht naar het ziekenhuis. Vader werd hevig geëmotioneerd naar het ziekenhuis gebracht. Psychisch letsel vader De vader heeft door het ongeval een PTSS [posttraumatisch stresssyndroom] en een depressie. Vader is hierdoor arbeidsongeschikt en krijgt een WIA uitkering. Vorderingen vader Op basis van shockschade vordert de vader smartengeld en materiële schade. Wat is shockschade? Shockschade is schade ten gevolge van psychisch letsel, veroorzaakt door de confrontatie met een ernstige gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Hier werd vader geconfronteerd met de plaats waar kort van te voren het ongeval had plaats gevonden. Voor een schadevergoeding is vereist dat een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is vastgesteld. Vader heeft een PTSS en een depressie. Shockschade moet niet verward worden met affectieschade. Affectieschade is het verdriet om het verlies of letsel van een partner of naast familielid. Tot op heden is het niet mogelijk om affectieschade te claimen bij een aansprakelijke partij. Standpunt verzekeraar vrachtauto Naast de discussie over de aansprakelijkheid volgt er ook nog een onsmakelijke discussie over de shockschade met de verzekeraar van de vrachtauto. Deze verzekeraar stelt namelijk dat de vader een rouwreactie laat zien. De verzekeraar betwist de PTSS en stelt dat het geestelijk letsel van de vader is ontstaan door het gemis van zijn dochter; affectieschade dus. Oordeel rechtbank T.a.v. de aansprakelijkheid De vrachtwagenbestuurder heeft onrechtmatig gehandeld door op een plek in te halen waar onvoldoende ruimte was om de fietsster te passeren. Dit volgt uit een reconstructie. Er is dus sprake van overtreding van een verkeersnorm waardoor een ernstig verkeersongeval is veroorzaakt. de bestuurder is dus aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval. de verzekeraar zal de schade moeten voldoen. T.a.v. de shockschade Volgens de rechtbank is het voor deskundigen niet mogelijk om vast te stellen of de psychische klachten zijn veroorzaakt door de confrontatie met het ongeval/ongevalsgevolgen of door het gemis van zijn dochtertje. Op basis van de rapporten van de deskundigen en de verklaring van de politieagent, die de vader heeft opgevangen vlak na het ongeval, gaat de rechtbank uit van shockschade. De aansprakelijkheidsverzekeraar dient aldus de volledige shockschade te voldoen. De verzekeraar voerde ook nog aan dat zij alleen smartengeld  [immateriële schade]  diende te vergoeden. Volgens de rechtbank blijkt noch uit de wet noch uit eerdere uitspraken dat alleen smartengeld vergoed hoeft te worden. De rechtbank heeft zich thans dus expliciet uitgesproken over het feit dat ook materiële schade [bijvoorbeeld ziektekosten, loonschade e.d.]  van de vader vergoed moet worden. Ook oordeelt de rechtbank dat leed niet gesplitst kan worden. In eerdere uitspraken werd wel voorgesteld dit te doen op 50/50 basis. In dat opzicht dus een bijzondere [terechte] uitspraak voor shockschadeslachtoffers. [post_title] => Rechtbank Rotterdam: belangrijke uitspraak over shockschade [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => rechtbank-rotterdam-belangrijke-uitspraak-shockschade [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-01-31 11:31:12 [post_modified_gmt] => 2017-01-31 10:31:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/?p=10493 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 10491 [post_author] => 16 [post_date] => 2016-01-18 11:20:51 [post_date_gmt] => 2016-01-18 10:20:51 [post_content] =>   Het is onder mensen die met regelmaat het vliegtuig pakken, inmiddels wel bekend dat een aanzienlijke vertraging een aardige financiële compensatie kan opleveren. Op basis van een Europese Verordening hebben passagiers van een vlucht die een vertraging ondervinden van vier uur, recht op compensatie van € 600,= per persoon. De luchtvaartmaatschappij is echter niet verplicht deze compensatie te bieden indien zij kan aantonen dat de annulering of vertraging het gevolg is van ‘buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen had kunnen worden’. Het zal niet tot veel verbazing leiden dat luchtvaartmaatschappijen zich met regelmaat op deze uitzonderingsgrond beroepen. Op 8 januari van dit jaar heeft de rechtbank Rotterdam zich nog maar eens uitgelaten over de vraag of een – in de praktijk veel voorkomende aanleiding voor vertraging –  technisch mankement een beroep op deze grond rechtvaardigt. Technisch probleem Een technisch probleem kan onder de genoemde uitzonderingsgrond vallen. Er moet dan sprake zijn van een technisch probleem dat voortvloeit uit gebeurtenissen die niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij. Daarbij kan gedacht worden aan een verborgen fabricagefout of een beschadiging door sabotage of terrorisme. Met andere woorden: de luchtvaartmaatschappij heeft geen daadwerkelijke invloed op de oorsprong van  het technisch probleem. De luchtvaartmaatschappij zal moeten aantonen dat er sprake is van een dergelijke gebeurtenis. Oordeel rechter In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam beroept de luchtvaartmaatschappij zich op de uitzonderingsgrond met als argument dat er sprake was van een onverwacht veiligheidsprobleem, bestaande in een technisch mankement. Er zou een probleem zijn met de brandstoftoevoer naar de motor. Nu die onderdelen voor het incident nog waren gecontroleerd deed het probleem zich ook onverwacht voor. De rechtbank overweegt vervolgens dat de vliegmaatschappij niet heeft aangetoond dat het defect het gevolg is van een buitengewone omstandigheid. De rechtbank stelt dan vervolgens dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat een technisch probleem moet worden aangemerkt als inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en er dus niet snel een beroep kan worden gedaan op de uitzonderingsgrond. Ook indien een luchtvaartmaatschappij heeft voldaan aan de voorgeschreven minimumvereisten voor onderhoud en veiligheid, betekent dat niet dat zij ‘alle redelijke maatregelen’ heeft genomen om het technisch probleem te voorkomen. De passagiers moeten dus worden gecompenseerd met € 600,= per persoon. Conclusie De regel is dat bij een vertraging van vier uur of meer een compensatie van € 600,= moet worden geboden. Slechts in uitzonderingsgevallen zal hier geen verplichting voor bestaan. De luchtvaartmaatschappij zal zich moeten beroepen op die uitzonderingsgrond en ook moeten bewijzen dat zich een dergelijke uitzonderingsgrond voordoet. Gelet op de rechtspraak zal een technisch mankement niet snel reden zijn om compensatie af te wijzen. [post_title] => Schadevergoeding na vertraagde vlucht, technisch mankement ‘noodtoestand’? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => schadevergoeding-vertraagde-vlucht-technisch-mankement-noodtoestand [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2017-01-31 11:23:36 [post_modified_gmt] => 2017-01-31 10:23:36 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/?p=10491 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 1261 [post_author] => 16 [post_date] => 2015-10-27 00:00:00 [post_date_gmt] => 2015-10-27 00:00:00 [post_content] =>
  Een vrouw is in haar tuin door haar hond in haar rechterarm en haar rechterborst gebeten. Zij loopt hierbij letsel op. Zij acht haar echtgenoot voor 50% aansprakelijk voor de door het ongeval veroorzaakte schade. Afbeelding Aansprakelijkheidsverzekering particulieren [AVP] De vrouw en haar echtgenoot hebben een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren afgesloten. Onderlinge aansprakelijkheid in geval van personenschade is ook gedekt. Hetgeen velen niet weten is dat je dus voor letselschade mogelijk een aanspraak kan doen op je eigen aansprakelijkheidsverzekering. Hiervan is veelal sprake als het ongeval en dus het letsel is toegebracht door een ander gezinslid. Aansprakelijkheid voor schade toegebracht door dieren [art. 6:179BW] De bezitter van een dier is aansprakelijk voor schade die het dier toebrengt aan anderen. Dit is een risicoaansprakelijkheid. De eigen energie van het dier moet de schade hebben toegebracht. En niet bijvoorbeeld een commando dat hij krijgt of opzettelijke uitlokking door het baasje. In deze zaak was hiervan geen sprake. Medebezitter 50% aansprakelijk? Het echtpaar heeft de hond gezamenlijk gekocht en zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Tevens gedragen zij zich ook beiden als bezitter van de hond. Er is aldus sprake van medebezit. De vrouw acht haar man dus voor de helft van de schade door de hondenbeet aansprakelijk op basis van medebezit. Rancune speelt hier overigens geen rol. Zij wenst aanspraak te maken op een uitkering op basis van hun gezamenlijke aansprakelijkheidsverzekering. Hangmat-arrest De vordering van de vrouw is geheel niet vreemd, gelet op het Hangmat-arrest: Een vrouw heeft in haar tuin een hangmat opgehangen aan een gemetselde pilaar. Nadat zij in die hangmat is gaan liggen is de pilaar kort boven de grond afgebroken. Zij heeft hierdoor zeer ernstig letsel opgelopen, namelijk een complete dwarslaesie. Samen met haar echtgenoot is ze eigenaar van de pilaar. De vrouw heeft met succes haar echtgenoot aangesproken. De Rechtbank stelde haar in het gelijk. Wel werd de aansprakelijkheid tot 50% beperkt, omdat de vrouw zelf ook voor de helft eigenaar is van de gebrekkige pilaar. De verzekeraar ging in hoger beroep. De Hoge Raad besliste echter hetzelfde als de Rechtbank en de verzekeraar heeft de [toekomstige]schade voor de helft moeten vergoeden. Oordeel Rechtbank in hondenbeet De rechtbank oordeelt in deze zaak anders. De Rechtbank acht de man niet aansprakelijk, ook niet voor 50%. Een bezitter van een dier wordt, aldus de rechtbank, geacht door het bezit het risico op schade impliciet te hebben aanvaard. De vrouw heeft een bewuste keuze gemaakt om [mede]bezitter van het dier te zijn en heeft daardoor het risico op schade aanvaard. Gelet op de uitspraak door de Hoge Raad in het hangmatarrest is het maar de vraag of dit oordeel van de Rechtbank inzake de hondenbeet stand houdt. Het lijkt tegenstrijdig dat medebezitters van een pilaar elkaar wel en medebezitters van een dier elkaar niet aan kunnen spreken. Het is afwachten op hoger beroep.

Edith de Koning-Witte / Rutger Boogers

Dit artikel is gepubliceerd in "De Uitstraling" oktober 2015.

[post_title] => Echtgenoot aansprakelijk voor hondenbeet bij zijn vrouw? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => echtgenoot-aansprakelijk-voor-hondenbeet-bij-zijn-vrouw [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-09-20 16:03:48 [post_modified_gmt] => 2016-09-20 14:03:48 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/2015/10/27/echtgenoot-aansprakelijk-voor-hondenbeet-bij-zijn-vrouw/ [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [8] => WP_Post Object ( [ID] => 1235 [post_author] => 16 [post_date] => 2015-07-08 00:00:00 [post_date_gmt] => 2015-07-08 00:00:00 [post_content] =>
Wanneer een vergunning wordt verleend door een overheidsinstelling, bijvoorbeeld een omgevingsvergunning die de mogelijkheid biedt om te bouwen of een bouwwerk te gebruiken, dan bestaat vaak het beeld dat daarmee elk handelen van de vergunninghouder geoorloofd is zolang het handelen maar in overeenstemming is met de vergunning. Dit is echter niet juist en met regelmaat punt van discussie in de rechtspraak. Afbeelding Een vergunning vrijwaart de vergunninghouder niet tegen aansprakelijkheidsstellingen van die derden die als gevolg van het handelen van vergunninghouder schade lijden. Ik zal dit toelichten aan de hand van een illustratief voorbeeld. Partij A heeft een vergunning gekregen om een plas te dempen met huisvuil. Hiervoor is destijds een [hinderwet]vergunning afgegegven. Vlakbij de plas die gedempt wordt, heeft partij B een perceel waarop hij appels, peren en kersen teelt. Dit deed hij al jaren zonder overlast en problemen. Het dempen van de plas met huisvuil had echter een onbedoeld gevolg: het trok namelijk kraaien en roeken aan. Dat op zich was nog niet zo’n probleem, ware het niet dat deze kraaien en roeken zich tegoed deden aan de appels, peren en kersen die geteeld werden op het erf van partij B. Partij B had als gevolg daarvan nog nauwelijks opbrengsten van zijn oogst en leed dus aanzienlijke schade. De vraag is of partij A hiervoor aansprakelijk was, hij had immers gehandeld overeenkomstig de vergunning die aan hem was verleend. De rechter oordeelde dat het feit dat iemand een vergunning heeft, niet betekent dat hij niet onrechtmatig jegens een ander kan handelen. In dit geval was partij A dus aansprakelijk voor de schade die partij B had geleden. Daar doet ook niet aan af dat de bezwaren van partij B in de procedure van de vergunningverlening, werden afgewezen. Er zijn talloze voorbeelden in de rechtspraak te vinden waarin een vergunninghouder toch aansprakelijk is voor schade die een ander als gevolg van zijn handelen lijdt. Het is dus altijd goed om te realiseren dat het lijden van schade als gevolg van handelen conform een vergunning, onder omstandigheden op de vergunninghouder kan worden verhaald. Deze schade kan – zoals het voorbeeld ook laat zien – aardig oplopen. Dit artikel is gepubliceerd in "De Uitstraling" juli 2015
[post_title] => Aansprakelijk voor schade ondanks vergunning? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => aansprakelijk-voor-schade-ondanks-vergunning [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2016-09-20 16:05:32 [post_modified_gmt] => 2016-09-20 14:05:32 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/2015/07/08/aansprakelijk-voor-schade-ondanks-vergunning/ [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [9] => WP_Post Object ( [ID] => 1265 [post_author] => 26 [post_date] => 2015-06-25 00:00:00 [post_date_gmt] => 2015-06-25 00:00:00 [post_content] =>
 
Franchise is een veel gebruikte vorm van samenwerking. Voorafgaand aan de totstandkoming van deze samenwerking wordt, vanzelfsprekend, onderhandeld over de inhoud van de overeenkomst, waarbij het verstrekken van omzetprognoses vaak voorkomt. Maar wat gebeurt er, als na het aangaan van de overeenkomst, de resultaten tegenvallen? Kan de franchisenemer dan rechten ontlenen aan de door de franchisegever verstrekte prognoses en de schade op de franchisegever verhalen?
Paalman/Lampenier-arrest
Het antwoord op deze vraag geeft de Hoge Raad in zijn Paalman/Lampenier-arrest uit 2002[1]. Ten eerste vloeit volgens de Hoge Raad uit de redelijkheid en billijkheid niet de algemene regel voort dat een franchisegever de verplichting heeft om de franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of winstverwachting. Dit is slechts anders indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Ten tweede merkt de Hoge Raad op dat de enkele omstandigheid dat een partij bij de onderhandelingen de ander een rapport over de te verwachten omzet en winst heeft verstrekt, niet voldoende is om te stellen dat de franchisegever hiertoe verplicht was en er dus een verbintenis op hem rustte. Ook al verstrekt de franchisegever een rapport over de te verwachten omzet en/of winst aan de potentiële franchisenemer, heeft dit niet tot gevolg dat de franchisegever tekortschiet in de nakoming mocht deze omzet en/of winst later niet gerealiseerd worden door de franchisenemer. De Hoge Raad merkt tenslotte op dat de franchisegever die een rapport over de te verwachten omzet en/of winst aan zijn wederpartij verstrekt, onder omstandigheden onrechtmatig kan handelen. Dit is het geval indien de franchisegever weet dat het rapport ernstige fouten bevat en hij zijn wederpartij vervolgens niet op deze fouten wijst.
De gevolgen van een ondeugdelijke prognose
In een recente uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 3 december 2014[2] heeft de rechtbank de diverse mogelijkheden en onmogelijkheden voor de franchisenemer uiteengezet ten aanzien van het verbinden van consequenties aan het verstrekken van een ondeugdelijke prognose door de franchisegever in de precontractuele fase. De rechtbank zoekt hierbij aansluiting bij de algemene regels uit het hierboven door mij besproken Paalman/Lampenier arrest. Feiten Albert Heijn en een voormalig C1000 exploitant gaan een franchiseovereenkomst aan. Tijdens de onderhandelingen heeft Albert Heijn een omzetprognose laten opstellen door de hierin gespecialiseerde afdeling ‘Location Strategy’ binnen Albert Heijn. Albert Heijn heeft deze omzetprognose vervolgens verstrekt aan de franchisenemer. Op basis van deze cijfers zijn partijen de franchiseovereenkomst aangegaan. Na verloop van tijd blijkt dat de geprognotiseerde omzet ver afwijkt van de door de franchisenemer daadwerkelijk gerealiseerde omzet. De franchisenemer komt er vervolgens achter dat dezelfde afdeling van Albert Heijn aanvankelijk een omzetprognose had opgesteld met een veel lager resultaat, maar dat Albert Heijn deze prognose intern heeft gehouden en niet aan de franchisenemer heeft verstrekt. De franchisenemer stelt zich op het standpunt dat Albert Heijn een ondeugdelijke prognose heeft verstrekt en houdt Albert Heijn daarom aansprakelijk voor de schade. Ondeugdelijke prognose De eerste vraag die de rechtbank diende te beantwoorden is wanneer er sprake is van een ondeugdelijke prognose. Dat de gerealiseerde omzet achter blijft bij de omzetprognose betekent volgens de rechtbank niet zonder meer dat een prognose ondeugdelijk is. Dit kan immers ook te wijten zijn aan omstandigheden waarmee bij het opstellen van de prognose geen rekening kon en hoefde te worden gehouden. Er moet bekeken worden of de prognose op een zorgvuldige en deugdelijke wijze tot stand is gekomen. Albert Heijn heeft voor het verschil tussen de twee prognoses volgens de rechtbank geen afdoende verklaring gegeven. Albert Heijn zelf heeft uiteengezet dat zij bij de totstandkoming van de eerste prognose op zorgvuldige wijze rekening heeft gehouden met alle voor de specifieke positie van de franchisenemer geldende omstandigheden, die voor de beoordeling van de omzeteffecten van een formulewisseling van belang zijn. Dit betekent volgens de rechtbank dat ervan uit moet worden gegaan dat bij het opstellen van de aan de franchisenemer verstrekte prognose niet op diezelfde zorgvuldige wijze met deze relevante omstandigheden rekening is gehouden. Omdat deze prognose voor wat betreft de geprognotiseerde weekomzetten niet op basis van een zorgvuldig uitgevoerd vestigingsplaatsonderzoek is opgesteld, is de prognose ondeugdelijk. Toerekenbare tekortkoming in de nakoming van [precontractuele] verplichtingen De tweede vraag die de rechtbank diende te beantwoorden, is welke consequenties zij kan verbinden aan de ondeugdelijke prognose van Albert Heijn. Partijen moeten zich gedurende de precontractuele fase gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid, zodat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door elkaars gerechtvaardigde belangen. De rechtbank verwijst hierbij naar het Paalman/Lampenier-arrest en bevestigt nogmaals dat er geen algemene regel bestaat dat op de franchisegever de verbintenis rust om een franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of winst. Daarom kan er ook geen sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming en evenmin van een daaruit voortvloeiende verplichting tot schadevergoeding. Onrechtmatige daad Van een onrechtmatig handelen is sprake wanneer de franchisegever door of bij het aangaan van de franchiseovereenkomst heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijke verkeer betamelijk is. Daarvoor is volgens de rechtbank meer nodig dan het enkele feit dat de omzetprognose niet op deugdelijke wijze tot stand is gekomen. De rechtbank verwijst wederom naar het Paalman/Lampenier-arrest waarin de Hoge Raad heeft beslist dat een franchisegever, die een rapport over de te verwachten omzet aan zijn wederpartij verstrekt, onrechtmatig handelt indien hij weet dat dit rapport ernstige fouten bevat en hij zijn wederpartij niet op die fouten wijst. In dit geval is niet gebleken dat daarvan sprake was. Dwaling Uit artikel 6:228 lid 1 sub c BW volgt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en die bij een juiste voorstelling van zaken niet, althans niet op gelijke voorwaarden zou zijn gesloten, vernietigbaar is. Dit is het geval indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten. Artikel 6:228 lid 2 BW bepaalt voorts dat de vernietiging niet kan worden gegrond op een dwaling die voor rekening van de dwalende hoort te blijven. Omdat de omzetprognose onzorgvuldig tot stand is gekomen, ondeugdelijk is en de franchisenemer afgegaan is op deze prognose, is bij het aangaan van de franchiseovereenkomst de franchisenemer dus uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, die te wijten is aan de mededelingen van Albert Heijn. Nu de omzetprognose de kern vormt van een aantal belangrijke bepalingen in de franchiseovereenkomst is zeer aannemelijk dat de franchiseovereenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten indien vooraf bekend was geweest dat de door Albert Heijn aan de franchisenemer verstrekte omzetprognose ondeugdelijk was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de franchiseovereenkomst in beginsel vernietigbaar is op grond van dwaling. Deze dwaling behoefde volgens de rechtbank niet voor rekening van de franchisenemer te blijven. ‘Location Strategy’ is deskundig voor wat betreft vestigingsplaatsonderzoeken en het opstellen van prognoses voor [nieuwe] Albert Heijn vestigingen. De franchisenemer mocht volgens de rechtbank daarom afgaan op de door Albert Heijn geprognotiseerde omzet en er hoefde van haar niet verwacht te worden dat zij een eigen vestigingsplaatsonderzoek zou laten uitvoeren teneinde de door Albert Heijn verstrekte omzetprognose op juistheid te laten controleren. Opheffen nadeel In plaats van vernietiging van de overeenkomst op grond van de hiervoor besproken dwaling, is er nog een andere mogelijkheid. Uit artikel 6:230 lid 2 BW vloeit voort dat de rechtbank desgevraagd de gevolgen van een overeenkomst zodanig kan wijzigen dat het nadeel dat de dwalende heeft geleden wordt opgeheven. Uitgangspunt daarbij is dat de dwalende wordt gebracht in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als hij niet zou hebben gedwaald.
Conclusie
Is er sprake van het door de franchisegever verstrekken van een ondeugdelijk omzetprognose aan de franchisenemer in de precontractuele fase, dan lijkt het voor de franchisenemer weinig zinvol te zijn om zich te beroepen op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming aan de zijde van de franchisegever. Op de franchisegever rust namelijk geen verbintenis om de betreffende informatie te verstrekken. De franchisenemer maakt meer kans op vergoeding van zijn schade door zich te beroepen op een onrechtmatige daad [indien de franchisegever wetenschap had van de door hem ondeugdelijke verstrekte informatie], maar meest kansrijk lijkt het leerstuk van dwaling te zijn.

[1] HR 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7329.
[2] Rb. Noord-Holland 3 december 2014, NJF 2015/70. Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, nummer 13, 25 juni 2015.
[post_title] => Een ondeugdelijke omzetprognose, en nu? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => een-ondeugdelijke-omzetprognose-en-nu [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2021-12-23 11:31:53 [post_modified_gmt] => 2021-12-23 10:31:53 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/2015/06/25/een-ondeugdelijke-omzetprognose-en-nu/ [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 10 [current_post] => -1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 9996 [post_author] => 16 [post_date] => 2016-10-25 14:01:34 [post_date_gmt] => 2016-10-25 12:01:34 [post_content] => Een illegale kopie van een softwareprogramma is snel en goedkoop. Wellicht denkt degene die downloadt bovendien dat het risico om ‘gepakt’ te worden niet zo groot is. Desalniettemin kan het downloaden van illegale software toch vervelende gevolgen hebben, zo volgt uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus jl. In die casus speelde het volgende. software_uisttraling
Casus
Siemens houdt zich bezig met het ontwikkelen en produceren van software. Maverick heeft van Siemens een aantal licenties gekocht voor het gebruik van een computerprogramma. Op enig moment krijgt Siemens via door haar gebruikte software een melding dat op een computer van Maverick gebruik wordt gemaakt van illegale software. Maverick wordt door Siemens aansprakelijk gesteld voor de schade die zij lijdt. Maverick betwist die schade omdat de illegale kopie door een werknemer van haar is gedownload en dat dit buiten haar invloedsfeer is gebeurd.
Oordeel rechtbank
De rechtbank concludeert dat de werknemer van Maverick een ondergeschikte is van Maverick. Dat betekent dat voor zover de werknemer een fout heeft gemaakt, Maverick voor die schade aansprakelijk is. Duidelijk is dat de werknemer een fout heeft gemaakt door illegale software te downloaden. De kans op deze fout werd vergoot door de functie van de werknemer en het feit dat hij gratis applicaties kon downloaden voor het programmeren van machines. Hij kreeg hierdoor ook de mogelijkheid om de softwareprogramma’s van Siemens op een laptop te plaatsen. Deze laptop was ter beschikking gesteld door Maverick en werd ook gebruikt voor werkgerelateerde zaken. Maverick voert aan dat de illegale programma’s niet nodig waren om de opgedragen werkzaamheden uit te voeren. Dat maakt niet uit, zo oordeelt de rechter. Maverick had als werkgever haar werknemers kunnen verbieden om illegaal software te downloaden en dat heeft zij niet gedaan. Maverick wordt dus veroordeeld de schade te vergoeden die door Siemens werd geleden.
Conclusie
Werkgevers kunnen werknemers verbieden om illegaal software te downloaden. Gelet op deze uitspraak kan het verstandig zijn om dat te doen. Of een werkgever overigens onder deze aansprakelijkheid uitkomt wanneer zij een dergelijk verbod had uitgevaardigd, is nog maar de vraag. Het helpt de werkgever in ieder wel. De werknemer komt in dit geval goed weg, maar mogelijk kan de werkgever eventuele schade nog op de werknemer verhalen. Illegaal downloaden heeft dus soms meer gevolgen dan vooraf gedacht. Dit artikel is gepubliceerd in “De Uitstraling” oktober 2016. [post_title] => Werkgever aansprakelijk voor door werknemer illegaal gekopieerde software? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => werkgever-aansprakelijk-werknemer-illegaal-gekopieerde-software [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-02-12 16:55:18 [post_modified_gmt] => 2020-02-12 15:55:18 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => http://bgadvocaten.nl/?p=9996 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 132 [max_num_pages] => 14 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => [is_tag] => [is_tax] => 1 [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => 1 [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_favicon] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => b9f15d5a81a5b5bb8f1c0a11784158c6 [query_vars_changed:WP_Query:private] => [thumbnails_cached] => [allow_query_attachment_by_filename:protected] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) [tribe_controller] => Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller Object ( [filtering_query:Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller:private] => WP_Query Object *RECURSION* ) )
Een illegale kopie van een softwareprogramma is snel en goedkoop. Wellicht denkt degene die downloadt bovendien dat het risico om ‘gepakt’ te worden niet zo groot is. Desalniettemin kan het...
Lees meer
  Bogaerts & Groenen advocaten houdt elke donderdag inloopspreekuur in Vught. Elke donderdagochtend is advocaat en scheidingsmediator Liedeke Floris te vinden in Villa Oldenburg  in Vught. Iedereen kan dan vrijblijvend...
Lees meer
De gelegenheid krijgen om alsnog deugdelijk te presteren, een tweede kans dus, is een beginsel dat op meerdere plaatsen in ons rechtssysteem is verankerd. Wellicht op de meest prominente rol...
Lees meer
Inleiding In het dagelijks leven komen iedere dag tientallen verbintenissen tot stand. Bij het aangaan van zo’n verbintenis kunnen opschortende voorwaarden gesteld worden. De werking van de verbintenis is dan...
Lees meer
  Helaas blijken ongevallen met aangelijnde honden in de lift vaak voor te komen. Het Hof Den Bosch heeft onlangs geoordeeld over de aansprakelijkheid. Het betreft een man die een...
Lees meer
  Op 18 augustus 2005 gebeurt een verschrikkelijk ongeval waarbij een fietser blijvend letsel oploopt en haar dochtertje komt te overlijden. Vader claimt shockschade bij de aansprakelijke partij. Rechtbank Rotterdam...
Lees meer
  Het is onder mensen die met regelmaat het vliegtuig pakken, inmiddels wel bekend dat een aanzienlijke vertraging een aardige financiële compensatie kan opleveren. Op basis van een Europese Verordening...
Lees meer
  Een vrouw is in haar tuin door haar hond in haar rechterarm en haar rechterborst gebeten. Zij loopt hierbij letsel op. Zij acht haar echtgenoot voor 50% aansprakelijk voor...
Lees meer
Share on twitter Share on linkedin Share on facebook More Sharing Services 0 Wanneer een vergunning wordt verleend door een overheidsinstelling, bijvoorbeeld een omgevingsvergunning die de mogelijkheid biedt om te...
Lees meer
Share on twitter Share on linkedin Share on facebook More Sharing Services 2   Franchise is een veel gebruikte vorm van samenwerking. Voorafgaand aan de totstandkoming van deze samenwerking wordt,...
Lees meer