Publicatie

WP_Query Object
(
    [query] => Array
        (
            [news-type] => publicatie
        )

    [query_vars] => Array
        (
            [news-type] => publicatie
            [error] => 
            [m] => 
            [p] => 0
            [post_parent] => 
            [subpost] => 
            [subpost_id] => 
            [attachment] => 
            [attachment_id] => 0
            [name] => 
            [pagename] => 
            [page_id] => 0
            [second] => 
            [minute] => 
            [hour] => 
            [day] => 0
            [monthnum] => 0
            [year] => 0
            [w] => 0
            [category_name] => 
            [tag] => 
            [cat] => 
            [tag_id] => 
            [author] => 
            [author_name] => 
            [feed] => 
            [tb] => 
            [paged] => 0
            [meta_key] => 
            [meta_value] => 
            [preview] => 
            [s] => 
            [sentence] => 
            [title] => 
            [fields] => 
            [menu_order] => 
            [embed] => 
            [category__in] => Array
                (
                )

            [category__not_in] => Array
                (
                )

            [category__and] => Array
                (
                )

            [post__in] => Array
                (
                )

            [post__not_in] => Array
                (
                )

            [post_name__in] => Array
                (
                )

            [tag__in] => Array
                (
                )

            [tag__not_in] => Array
                (
                )

            [tag__and] => Array
                (
                )

            [tag_slug__in] => Array
                (
                )

            [tag_slug__and] => Array
                (
                )

            [post_parent__in] => Array
                (
                )

            [post_parent__not_in] => Array
                (
                )

            [author__in] => Array
                (
                    [0] => 7
                )

            [author__not_in] => Array
                (
                )

            [ignore_sticky_posts] => 
            [suppress_filters] => 
            [cache_results] => 1
            [update_post_term_cache] => 1
            [lazy_load_term_meta] => 1
            [update_post_meta_cache] => 1
            [post_type] => 
            [posts_per_page] => 10
            [nopaging] => 
            [comments_per_page] => 50
            [no_found_rows] => 
            [taxonomy] => news-type
            [term] => publicatie
            [order] => DESC
        )

    [tax_query] => WP_Tax_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                    [0] => Array
                        (
                            [taxonomy] => news-type
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                            [operator] => IN
                            [include_children] => 1
                        )

                )

            [relation] => AND
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                    [0] => wp_term_relationships
                )

            [queried_terms] => Array
                (
                    [news-type] => Array
                        (
                            [terms] => Array
                                (
                                    [0] => publicatie
                                )

                            [field] => slug
                        )

                )

            [primary_table] => wp_posts
            [primary_id_column] => ID
        )

    [meta_query] => WP_Meta_Query Object
        (
            [queries] => Array
                (
                )

            [relation] => 
            [meta_table] => 
            [meta_id_column] => 
            [primary_table] => 
            [primary_id_column] => 
            [table_aliases:protected] => Array
                (
                )

            [clauses:protected] => Array
                (
                )

            [has_or_relation:protected] => 
        )

    [date_query] => 
    [queried_object] => WP_Term Object
        (
            [term_id] => 28
            [name] => Publicatie
            [slug] => publicatie
            [term_group] => 0
            [term_taxonomy_id] => 28
            [taxonomy] => news-type
            [description] => 
            [parent] => 0
            [count] => 121
            [filter] => raw
        )

    [queried_object_id] => 28
    [request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS  wp_posts.ID FROM wp_posts  LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT  JOIN wp_icl_translations wpml_translations
							ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
								AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type)  WHERE 1=1  AND ( 
  wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (28)
) AND wp_posts.post_author IN (7)  AND wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft') AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR 0 ) AND wp_posts.post_type  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar' )  ) OR wp_posts.post_type  NOT  IN ('post','page','attachment','wp_block','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar' )  ) GROUP BY wp_posts.ID ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC LIMIT 0, 10
    [posts] => Array
        (
            [0] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 17075
                    [post_author] => 7
                    [post_date] => 2019-07-26 10:53:09
                    [post_date_gmt] => 2019-07-26 08:53:09
                    [post_content] => Een overeenkomst is een overeenkomst en strekt partijen tot wet: pacta sunt servanda, ook als het een mondelinge overeenkomst is. Zo lang partijen het bestaan van de overeenkomst niet betwisten, is er niets aan de hand. Als een van de partijen het bestaan of de inhoud van de overeenkomst wel gemotiveerd betwist, dan moet de partij die de overeenkomst stelt het bestaan of de inhoud ervan bewijzen. In dat geval is het comfortabel om te beschikken over een contract, een door partijen ondertekend stuk dat het benodigde bewijs kan leveren. Dat lijkt trefzeker, maar schijn bedriegt. Hoe zit dat eigenlijk met het leveren van bewijs?

Wie zich beroept op een feit of een recht om een bepaald rechtsgevolg in te roepen, dient het bewijs van dat feit te leveren, dat is de hoofdregel van artikel 150 Rv. De rechter kan een andere bewijslast verdelen, maar dat is uitzondering. Als een bewijs kwalificeert als dwingend bewijs, is de rechter daaraan gebonden in de zin dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen. Bewijs kan geleverd worden met alle middelen en de waardering van het bewijs is overgelaten aan de rechter, tenzij de wet iets anders regelt. Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen (artikel 156 lid 1 Rv). Het bestaan van overeenkomsten wordt in het algemeen geleverd door onderhandse akten. Volgens artikel 156 lid 3 Rv zijn dat alle akten, die geen authentieke akten zijn. Een authentieke akte is een akte die is opgemaakt door een daartoe bestemde ambtenaar, bijvoorbeeld een notaris.

Een onderhandse akte is dus een tussen partijen opgemaakt en ondertekend schriftelijk stuk, dat bestemd is tot bewijs te dienen. Uitzondering daarop zijn onderhandse akten die digitaal opgeslagen zijn en dus niet op schrift. Artikel 156a Rv regelt de voorwaarden voor het dienen van dergelijke digitale stukken als akte. Authentieke akten leveren dwingend bewijs op tegen iedereen. Denk bijvoorbeeld aan een notariële akte van levering van een onroerende zaak . Degene die bij notariële akte de eigendom van die zaak geleverd heeft gekregen, kan die eigendom dwingend bewijzen tegenover iedereen tegen wie dat eigendomsrecht ingeroepen wordt. Een onderhandse akte levert doorgaans alleen bewijs op tussen de partijen die bij die akte partij zijn. Indien twee partijen een koopovereenkomst sluiten en de overeenkomst en haar essentialia vastleggen in een onderhandse akte, die door hen beiden wordt ondertekend, dan levert die akte tegen hen beiden dwingend bewijs op, ze zijn aan de bewijskracht daarvan gebonden. Maar wat heeft rechtens te gelden als een van de partijen de echtheid van de akte betwist, of ontkent dat de handtekening onder het contract van die aangesproken partij afkomstig is?

Artikel 159 lid 2 Rv regelt dat als een partij de ondertekening van het contract stellig ontkent, dan de akte geen bewijs oplevert, tenzij de wederpartij bewijst van wie de handtekening afkomstig is. Op die manier kan een lelijke streep door de rekening gehaald worden van de partij die zijn wederpartij aanspreekt op zijn verplichtingen uit de overeenkomst, en bij ontkenning van de handtekening moet bewijzen dat degene die hij aanspreekt, ook daadwerkelijk de handtekening gezet heeft. Wat moet men dan nog doen om aan het leveren van dat bewijs toe te komen? Het werken met getuigen is een mogelijkheid. Het maken van een filmpje van het moment waarop de wederpartij zijn handtekening zet zou kunnen helpen, maar dat gaat wel erg ver als men er van uit mag gaan dat bij het sluiten van een overeenkomst een wantrouwen dat tot een dergelijke maatregel noodzaakt, doorgaans nog niet aanwezig is. De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen waarin uitleg gegeven werd van wat verstaan wordt onder stellig ontkennen[1]. In deze zaak speelde het volgende.

Een getrouwd stel koopt een woning van de moeder van mevrouw. In die woning woont al jaren de moeder. Vóór het moment van koop en levering heeft de schoonzoon opdracht gegeven aan een aannemer om een verbouwing uit te voeren. Die werkzaamheden beginnen vóór de eigendomsoverdracht en eindigen daarna. Het echtpaar dat eigenaar geworden is, betaalt de rekeningen van de aannemer gedeeltelijk. De problemen bestaan over de meerwerkfactuur. Daarover bestaat discussie en er worden deskundigen ingeschakeld om de kwaliteit van het werk te laten beoordelen. Als de aannemer meent dat hij voldoende munitie heeft om een procedure te starten, brengt hij de dagvaarding uit aan het echtpaar. In die procedure brengt de aannemer een meerwerkoverzicht in het geding, dat ondertekend is door de schoonzoon. Die betwist echter dat de handtekening die onder dat overzicht staat, zijn handtekening is, althans dat hij zijn handtekening gezet heeft onder dat stuk. De rechtbank wijst de vordering van de aannemer toe, stellende dat de schoonzoon niet voldaan heeft aan zijn stelplicht om bewijs te leveren van zijn stelling dat de handtekening onder dat betreffende stuk niet door hem gezet is.

Het hof bekrachtigt dat vonnis, overwegende dat de schoonzoon niet stellig heeft ontkent. Niet betwist zou zijn dat schoonzoon wel zijn handtekening gezet heeft onder een meerwerkoverzicht, maar niet dat het de in het geding gebrachte lijst betreft. Daarmee zou volgens het hof de schoonzoon niet hebben betwist dat de handtekening van hem afkomstig was en tegelijk onvoldoende bewijs hebben aangeboden van het feit dat de aannemer geknoeid zou hebben met het door de schoonzoon ondertekende meerwerkoverzicht.

In cassatie klaagt de schoonzoon dat rechtbank en hof miskent hebben dat hij geen bewijs hoeft te leveren, maar dat juist de aannemer bewijs moet leveren van de stelling dat de handtekening van de schoonzoon afkomstig is. Vanwege de betwisting heeft volgens de schoonzoon de onderhandse getekende akte tegen hem geen bewijskracht.  De Hoge Raad oordeelt dat als de schoonzoon primair betoogt dat hij de betreffende handtekening niet gezet heeft onder dat betreffende stuk, hij daarmee ook beoogt te stellen dat het niet zijn handtekening is onder dát stuk. In zoverre heeft de schoonzoon dus voldoende gesteld om aan te nemen dat hij de handtekening stellig heeft betwist en had de aannemer moeten bewijzen dat de handtekening wel van de schoonzoon was, respectievelijk dat de schoonzoon zijn handtekening gezet heeft onder dát betreffende stuk. De schoonzoon had dus geen bewijsaanbod hoeven doen, noch hoeven bewijzen.

Een soortgelijke kwestie die onlangs geleid heeft tot een uitspraak van de Hoge Raad, is die van Egelinck[2]. Daar was de vraag aan de orde of een meerdere bladzijden tellend stuk, dat slechts op het laatste blad ondertekend is, een akte in de zin van artikel 156 lid 1 Rv is. Egelinck had een appartementsrecht verkocht aan koper die de koopprijs deels meteen zelf betaalde en een deel van de koopprijs aan Egelinck verschuldigd bleef in de vorm van een geldlening met hypotheek. Toen die geldlening afbetaald was, vorderde Egelinck nog eens een bedrag van € 135.000,- als koopsom voor interieur. Hij beriep zich daarvoor op een door koper ondertekende overeenkomst bestaande uit twee bladzijden, waarvan alleen de tweede bladzijde ondertekend was. Koper verweerde zich door te stellen dat hij zijn handtekening weliswaar had gezet, maar niet onder hetgeen op bladzijde 1 stond over de aankoopprijs voor interieur. De rechtbank vond Egelinck in zijn bewijs geslaagd omdat koper onvoldoende gesteld en bewezen had dat de overgelegde akte vals was.

Het hof vernietigde de uitspraak en oordeelde dat de overgelegde akte geen akte was in de zin van artikel 156 lid 1 Rv. Daartoe bediende het hof zich van een zeer taalkundige uitleg van dat artikel, door te overwegen dat artikel 156 Rv spreekt van een door partijen ondertekend stuk. Het hof volgt hetgeen uit de Memorie van Toelichting op artikel 156 Rv blijkt: een akte is hetgeen boven de handtekening staat. Het hof overweegt: Niet kan worden gezegd dat de eerste bladzijde van het ‘11 september-stuk’, waarop geen enkele handtekening is geplaatst, ‘boven’ de handtekeningen op de tweede bladzijde staat. Hierbij is van belang dat het te makkelijk tot misbruik zou kunnen leiden wanneer teksten op bladzijden die door een partij worden gepresenteerd als voorafgaand aan de bladzijde met de handtekening, zouden worden beschouwd als te zijn geplaatst ‘boven’ die handtekening. Derhalve kan de eerste bladzijde van het ‘11 september-stuk’ niet als een ‘akte’ in de zin van art. 156 lid 1 Rv worden aangemerkt. Dit zou wellicht anders kunnen zijn in het geval dat vaststaat dan wel is vastgesteld dat de eerste bladzijde bij de tweede bladzijde behoort, doch dat geval doet zich hier (nog) niet voor. [verweerder] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat hij die eerste bladzijde (en overigens ook de teksten op de tweede bladzijde) niet kent”. 

Egelinck voert in cassatie aan dat als niet de handtekening wordt betwist, maar de echtheid van de tekst wordt betwist, dan degene die dat betwist de bewijsplicht heeft van die stelling. Dit verweer lijkt erg veel op het verweer van de aannemer uit de vorige casus. De Hoge Raad is met Egelinck van mening dat de zuiver taalkundige opvatting van het hof, dat alleen hetgeen letterlijk “boven een handtekening” staat alleen als akte te dienen heeft, een te enge opvatting is van het begrip akte uit artikel 156 Rv. Art. 156 lid 1 Rv ziet ook op een meer bladzijden tellend stuk dat uitsluitend aan het slot daarvan is ondertekend. Een dergelijk stuk levert derhalve een onderhandse akte op als ook voor het overige aan de zojuist genoemde eisen van art. 156 lid 1 Rv is voldaan. Nu vaststaat dat de handtekening van koper op de tweede bladzijde van het door Egelinck overgelegde geschrift staat, en dat de tekst van dat geschrift dient tot bewijs, is sprake van een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv.

Als de echtheid van de tekst van de onderhandse akte wordt betwist, dan volgt uit artikel 150 Rv dat degene die de valsheid van de tekst stelt, die ook moet bewijzen, zo heeft de Hoge Raad al in 1993 uitgemaakt (HR 15-01-1993, NJ 1993/179). De rechter kan echter wel op grond van omstandigheden, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, met betrekking tot de totstandkoming van de tekst tot het oordeel komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst. Tegen dat voorshandse oordeel kan dan tegenbewijs worden toegelaten. In zijn arrest van  HR 14-01-2002 (ECLI:NL:HR:2000:AA4278) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de rechter daarbij alle omstandigheden van het geval mag betrekken. De Hoge Raad verwijst naar het hof Amsterdam om te laten vaststellen of er redenen zijn om aan te nemen dat de akte vals is, waartegen Egelinck dan tegenbewijs mag leveren.

Als het hof Amsterdam voorshands aanneemt dat van voldoende omstandigheden gebleken is om aan te nemen dat de akte vals is en het hof zodoende aan Egelinck tegenbewijs oplegt, is de uitkomst van deze procedure materieel gelijk aan de procedure uit de eerst besproken casus. Formeel echter is sprake van een evident verschil.  In de eerste uitspraak ging de Hoge Raad er van uit dat als een contractspartij de inhoud van een akte betwist, dit tevens heeft te gelden als een stellige betwisting van de handtekening als bedoeld in artikel 159 lid 2 Rv. In de tweede uitspraak gaat de Hoge Raad uit van de heersende leer, dat als de echtheid van de inhoud van een akte betwist wordt, degene die betwist daarvan het bewijs draagt, en dat als uitzondering voorshands kan worden aangenomen behoudens tegenbewijs, dat degene die de echtheid betwist, gelijk heeft.

De vraag dringt zich op hoe het kan dat de Hoge Raad zo kort na elkaar, in situaties die zo veel op elkaar lijken, tot twee verschillende uitspraken komt. Met andere woorden, waar zitten de verschillen?

In beide casus is de gelijkenis dat één partij zich er op beroept dat die zijn handtekening weliswaar heeft gezet, maar niet op het stuk dat als akte voorgedragen wordt. Naar mijn idee is het verschil te vinden in het artikel waar de Hoge Raad de zaken op heeft afgedaan. In de uitspraak van Egelinck, heeft de koper alleen de echtheid van de inhoud van de akte betwist, maar geen beroep gedaan op artikel 159 lid 2 Rv, waarmee de handtekening stellig wordt betwist. Dat deed de schoonzoon uit de eerst besproken casus wel. In beide gevallen stond vast dat de handtekening van de schoonzoon/koper afkomstig was. Omdat de koper van Egelinck zich alleen beriep op de valsheid van de akte, kwam het bewijs van die stelling bij hem te liggen. Maar omdat de schoonzoon zich beriep op artikel 159 lid2 Rv en de handtekening stellig betwistte, moest de verkoper in dat geval bewijzen dat de handtekening echt was. Daarbij heeft de Hoge Raad de schoonzoon nog wel moeten helpen door een ontkenning van het plaatsen van de handtekening op dát betreffende stuk gelijk te schakelen met de stellige betwisting van artikel 159 lid 2 Rv. Want sec genomen heeft de schoonzoon uit casus 1 precies hetzelfde gedaan als de koper uit casus 2, namelijk de inhoud van de tekst van de akte betwisten. Weliswaar had de schoonzoon primair de handtekening betwist en subsidiair de echtheid van de tekst, maar materieel bleef dat hetzelfde toen eenmaal vastgesteld was dat de handtekening wel degelijk van de schoonzoon afkomstig was. Het zou bevredigender geweest zijn als de Hoge Raad ook in de uitspraak van de schoonzoon aan hem de bewijslast opgelegd had van zijn stelling dat het meerwerkoverzicht vals was. Nu lijkt het er op dat bij betwisting van de echtheid van een tekst in een akte, die een partij tegen zich moet laten gelden, het verstandiger is de handtekening stellig te betwisten, vanwege de bewijspositie van degene die dat stelt, ook al zou bedoeld zijn dat de tekst van de akte inhoudelijk betwist wordt. Het zijn strikt genomen andere verweren en die moeten ook anders behandeld worden.

[1] HR 12-04-2019; ECLI:NL:HR:2019:572

[2] HR 19-04-2019; ECLI:NL:HR:2019:641



 

 

 

 

 

 

 

 

Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 5 juli 2019.
                    [post_title] => De onderhandse akte als bewijs
                    [post_excerpt] => 
                    [post_status] => publish
                    [comment_status] => open
                    [ping_status] => open
                    [post_password] => 
                    [post_name] => de-onderhandse-akte-als-bewijs
                    [to_ping] => 
                    [pinged] => 
                    [post_modified] => 2020-01-28 08:53:08
                    [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:53:08
                    [post_content_filtered] => 
                    [post_parent] => 0
                    [guid] => https://bg.legal/?p=17075
                    [menu_order] => 0
                    [post_type] => post
                    [post_mime_type] => 
                    [comment_count] => 0
                    [filter] => raw
                )

            [1] => WP_Post Object
                (
                    [ID] => 17078
                    [post_author] => 7
                    [post_date] => 2019-06-17 10:28:18
                    [post_date_gmt] => 2019-06-17 08:28:18
                    [post_content] => Voor wie met enige regelmaat plaats neemt aan de onderhandelingstafel, zal het geen onbekend fenomeen zijn: het afbreken van onderhandelingen in een vergevorderd stadium. Als dat eenzijdig gebeurt, leidt dat vaak tot teleurstelling in verwachtingen. Degene die niet afbreekt, zal dan proberen de ander te overtuigen door te onderhandelen, om alsnog tot een overeenkomst te komen. Als dat niet lukt, zal de gedupeerde partij een vergoeding van gemaakte kosten willen (negatief contractbelang) of zelfs de gederfde winst (positief contractbelang), afhankelijk van het stadium waarin de onderhandelingen zich bevonden. Komen partijen er niet uit, dan zal de rechter een oordeel moeten geven over de vraag of de onderhandelingen gerechtvaardigd mochten worden afgebroken. De maatstaf die daarbij gehanteerd moet worden, is gegeven in vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Maar als die maatstaf wordt toegepast in lagere rechtspraak, waar de omstandigheden van het geval worden gewogen, kan de toepassing van de maatstaf toch tot verschillende uitspraken leiden. Dit bleek in recente uitspraken van de rechtbanken Noord-Holland en Amsterdam[1], die te oordelen hadden over de vraag of onderhandelingen terecht waren afgebroken of niet.
Inleiding
Al in 1957 overwoog de Hoge Raad in het arrest Baris/Riezenkamp dat wanneer partijen in onderhandeling met elkaar treden over het sluiten van een overeenkomst, dat partijen in een bijzondere, door de goede trouw beheerste (thans de redelijkheid en billijkheid), rechtsverhouding komen te staan die meebrengt dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij.[2] Deze uitspraak laat onverlet dat het beginsel van contractsvrijheid hoofdregel is tussen onderhandelende partijen. Aan die contractsvrijheid zijn in de rechtspraak wel grenzen gesteld. Het gaat er om dat de voorwaarden voor contractsvrijheid bij beide partijen zijn gewaarborgd en dat partijen daarop toezien.[3] De hoofdregel in het contractenrecht is nog steeds contractvrijheid. Een partij mag zelf bepalen of die met een ander wil contracteren of niet. Zonder bijkomstige omstandigheden is dit ook volstrekt logisch en in lijn met de totstandkomingsvereisten van een overeenkomst: aanbod en aanvaarding. Een ander moet iets aanvaarden, uitdrukkelijk of stilzwijgend, anders komt er geen overeenkomst tot stand. Als uitvloeisel daarvan heeft als uitgangspunt te gelden dat iedere partij dan ook de onderhandelingen over het tot stand komen van een overeenkomst mag afbreken, ook dat is logisch in lijn met het beginsel van contractvrijheid. Toch heeft die vrijheid een grens, waar die vrijheid om af te breken het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst raakt, of daar zelfs overheen gaat, óf het afbreken in verband met andere omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de gerechtvaardigde belangen van de afbrekende partij, de wijze waarop en de mate waarin deze partij tot het ontstaan van het vertrouwen heeft bijgedragen. Het is in beginsel voldoende dat elke partij, naast haar eigen belang, mede rekening houdt met de gerechtvaardigde belangen van de andere partij. Het arrest Plas/Valburg[4] is sinds het wijzen ervan uitgegroeid tot standaardarrest in de leer van afgebroken onderhandelingen, waarmee elke rechtenstudent ingeleid wordt in het leerstuk. Daarin is door de Hoge Raad de gegeven grondregel nader uitgewerkt en geconcretiseerd naar een drietal mogelijke fasen waarin de onderhandelingen kunnen geraken:
  1. Partijen zijn vrij om op ieder ogenblik en zonder kostenconsequenties de tussen hen lopende onderhandelingen af te breken. In dit eerste stadium staat voorop dat een ieder vrij is om te bepalen of en met wie men een overeenkomst aangaat. Hierin wordt het beginsel van contractsvrijheid nog ten volle gerespecteerd.
  2. De onderhandelingen zijn in een dusdanig stadium gekomen dat het een partij niet meer vrij staat de onderhandelingen af te breken, zonder de door de wederpartij gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen, afhankelijk van de mate waarin de wederpartij had mogen vertrouwen op het tot stand komen van een overeenkomst. Dit is het negatief contractbelang. Door dat te vergoeden wordt de voormalige onderhandelingspartner in de situatie gebracht waarin hij zich bevonden zou hebben, als er geen onderhandelingen zouden hebben plaats gevonden.
  3. De onderhandelingen zijn zo ver gevorderd, dat het afbreken daarvan in strijd zou zijn met de goede trouw en het de afbrekende partij niet meer vrijstaat de onderhandelingen af te breken. In deze laatste situatie is ook plaats voor een vordering tot door onderhandelen teneinde alsnog tot een overeenkomst te komen of voor vergoeding van gederfde winst. Dit is het positief contractbelang. Door dat te vergoeden wordt de voormalige onderhandelingspartner in de situatie gebracht dat wel een overeenkomst tot stand gekomen zou zijn.
Deze derde fase treedt aan wanneer het afbreken van de onderhandelingen niet meer vrij staat als dat op grond van het gerechtvaardigde vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar is. Anders gesteld: de Plas/Valburg doctrine gaat ervan uit dat de derde fase is aangebroken wanneer de wederpartij erop mocht vertrouwen dat er een overeenkomst uit de onderhandelingen zou voortvloeien.[5] Het criterium uit Plas/Valburg is later aangescherpt in het arrest VSH/Shell en de keur aan jurisprudentie die daarna gevolgd is.
Totstandkomingsvertrouwen
In het arrest VSH/Shell overweegt de Hoge Raad in de casus over een het tot stand komen van een joint venture tussen Shell en VSH, dat niet alle details van de te sluiten overeenkomst op het moment van het afbreken van de onderhandelingen reeds duidelijk behoeven te zijn, maar dat in ieder geval wel de ruwe contouren duidelijk moeten zijn. De Hoge Raad lijkt hiermee aan te willen sluiten op de voldoende bepaalbaarheid, geregeld in art. 6:227 BW. In VSH/Shell oordeelde de Hoge Raad dat daar geen sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen, zodat niet voldaan was aan de noodzakelijke voorwaarde om schadevergoeding te kunnen eisen. “Er kan in een situatie als de onderhavige slechts sprake zijn van schade terzake van het feit dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand gekomen is, indien aannemelijk is dat bij voortzetting van de onderhandelingen een dergelijke overeenkomst tot stand gekomen zou zijn”, aldus de Hoge Raad. De term “onaanvaardbaar” wordt geïntroduceerd. Zelfs als het gerechtvaardigde vertrouwen bestond dat de overeenkomst tot stand zou komen, hoeft dit niet onder alle omstandigheden te leiden tot de slotsom dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is. Daarbij dient bij dit totstandkomingsvertrouwen rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen, en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Van belang kan daarbij zijn of zich de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan.[6] Hier oordeelde de Hoge Raad dat de vraag of de onderhandelingen afgebroken mogen worden, beoordeeld moet worden aan de hand van een afweging van de belangen van beide partijen. Ook volgt hieruit dat onvoorziene omstandigheden aan de zijde van de afbrekende partij een rol kunnen spelen. Bovendien hoeft het vertrouwen van een partij in het slagen van de onderhandelingen niet evenredig te groeien met de toename van de duur van de onderhandelingen.[7] In dit arrest ABB/Staat beklemtoonde de Hoge Raad dat de vaststelling van belang is of er op het moment dat de onderhandelingen afgebroken werden, sprake was van een gerechtvaardigd vertrouwen in de totstandkoming van een overeenkomst bij de wederpartij. Het ging over de wijze waarop over de aanwezigheid hiervan moest worden geoordeeld, gelet op het totale verloop van de onderhandelingen. Daarmee kan gesteld worden dat in deze “modernere” jurisprudentie over afgebroken onderhandelingen de strakke “drie-fasen-leer” uit Plas/Valburg wel gerelativeerd is en dat het veel meer aankomt op een beoordeling van het gehele proces van onderhandeling en de stand van zaken tussen partijen op het moment dat de onderhandelingen afgebroken worden. Hierover is onlangs een lezenswaardig artikel verschenen van Ruygvoorn[8]. Daarin beschrijft hij na een korte inleiding van het leerstuk aan de hand van relevante jurisprudentie dat een geobjectiveerd totstandkomingsvertrouwen de kurk blijft waarop de afgebroken onderhandelingen doctrine drijft. Duidelijk wordt dat in elke fase van de onderhandelingen sprake kan zijn van een piek in dat vertrouwen of een dal. In een schematische figuur wordt inzichtelijk gemaakt dat op het moment van een piek het niet geoorloofd zal zijn de onderhandelingen af te breken en in een dal juist wel. Die verschillende pieken en dalen kunnen elkaar opvolgen, als de onderhandelingen maar lang genoeg lopen. Hiermee lijkt Ruygvoorn een soort nieuwe “fasen-leer” te introduceren, die tot doel heeft per fase het gerechtvaardigd vertrouwen in beeld te brengen, voor de beantwoording van de vraag of onderhandelingen mochten worden afgebroken of niet. Ruygvoorn beoordeelt het totstandkomingsvertrouwen op een piek als een rechtens relevant vertrouwen en in een dal, als het vertrouwen tijdens de onderhandelingen is “weggezakt” is dat niet meer rechtens relevant, leidt het immers niet meer tot de conclusie dat de onderhandelingen niet meer mochten worden afgebroken. Voor deze conclusie verwijst Ruygvoorn naar Hof Amsterdam 17 augustus 2017[9], met name naar de overweging dat het bij onderhandelingen gaat om een dynamisch proces, waarbij denkbaar is dat partijen op enig moment in dat proces op punten stuiten waarover zij, hoewel zij zich tijdens de onderhandelingen redelijk opstelden, toch geen overeenstemming bereiken, wat het afbreken van de onderhandelingen kan rechtvaardigen. Wel waarschuwt Ruygvoorn voor de valkuil dat het er in de onderhandelingen op aangelegd wordt een moment te creëren van weinig gerechtvaardigd vertrouwen, op welk moment dan de onderhandelingen tactisch het best afgebroken zouden kunnen worden. Dat is niet zonder risico.
Aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen
Waar lange tijd Plas/Valburg het standaard arrest geweest is op het gebied van afgebroken onderhandelingen en precontractuele goede trouw, is die positie overgenomen door het arrest van de Hoge Raad uit 2005: CBB/JPO[10]. Onderhandelende partijen zijn verplicht hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde te laten bepalen. Deze rechtsplicht ziet vooral op de procedurele aspecten van onderhandelen. Dat is bijvoorbeeld de mededelingsplicht van de partij die op enig moment zeker weet dat er nooit een overeenkomst zal volgen of dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. Door dit tijdig te melden kan voorkomen worden dat de andere partij onnodig kosten voor de onderhandeling maakt, of beslissingen uitstelt of niet neemt, die bij tijdige wetenschap wel genomen zouden zijn. Dat is anders ten aanzien van de materiële aspecten van een onderhandeling. Daar past de vrijheid voor zichzelf het beste onderhandelingsresultaat te realiseren. De commerciële belangen van een ander hoeven niet gerespecteerd te worden. Elke partij moet ongelimiteerd op kunnen komen voor zijn eigen belangen. Deze opvatting wordt geopperd door Tjittes in een uitgebreid en richtinggevend overzichtsartikel uit 2016[11]. Hierin geeft hij de stand van de jurisprudentie weer en komen voor de praktijk relevante contractuele regelingen aan bod. Tjittes is van mening dat de Hoge Raad sinds De Ruiterij/MBO verzuimd heeft richting te geven aan het debat over afgebroken onderhandelingen, waar juist over afgebroken onderhandelingen en letters of intent veel geprocedeerd wordt. In het arrest CBB/JPO heeft de Hoge Raad de jurisprudentie tot dat moment samengevat, en overwegingen gegeven die het arrest tot standaardarrest maken. De centrale overweging is r.o.3.6: “Bij de beoordeling van deze klachten moet worden vooropgesteld dat als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsplicht bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (vgl. HR 23 oktober 1987, nr. 12999, NJ 1988, 1017, rov. 3.1; HR 4 oktober 1996, nr. 16062, NJ 1997, 65, rov. 3.5.2.2; HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481, rov. 3.6).” In r.o. 3.7 overweegt de Hoge Raad voorts dat de door hem gegeven maatstaf ter beoordeling van de vraag of het afbreken van onderhandelingen “onaanvaardbaar” is of niet, een “strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf” is. De rechter mag niet snel aannemen dat aan die maatstaf is voldaan en heeft bij het hanteren van die maatstaf een strenge motiveringsplicht. In de rechtspraak sinds VSH/Shell is te ontdekken dat de Hoge Raad de aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen terug dringt. Dat bevordert de vrijheid van onderhandelen en de economische mogelijkheden en sluit ook beter aan bij de jurisprudentie in de landen om ons heen[12]. In zijn artikel gaat Tjittes dieper in op de twee gevallen waarin het afbreken van onderhandelingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn: het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij en andere omstandigheden van het geval. Maar zelfs al is hiervan sprake, dan nog kunnen gerechtvaardigde belangen van degene die afbreekt een goede reden vormen om af te breken, wat in de weg staat aan aansprakelijkheid (De Ruiterij/MBO).
Contractuele afspraken
Naarmate de onderhandelingen verder verdichten, komen partijen minder vrijblijvend tegenover elkaar te staan. Anders gesteld: zolang het met de redelijkheid en billijkheid in strijd is om de onderhandelingen af te breken, is door onderhandelen een plicht waarvan zo nodig nakoming van kan worden gevraagd. Partijen kunnen ook bij een voorafgaande overeenkomst regels opstellen voor de precontractuele fase. Bijvoorbeeld in het geval van onderhandelingen bij een aannemingsovereenkomst maken partijen vaak vooraf de afspraak dat bepaalde kosten, zoals ontwerpkosten, voor rekening komen van de uitvragende partij. Ook een wettelijke regeling voor een bepaalde categorie overeenkomst is denkbaar. Een voorbeeld daarvan is de Aanbestedingsregeling Werken 2005 (ARW 2005), dat van toepassing is op de aanbesteding van werken door de overheid. In de precontractuele fase vormt bovendien de redelijkheid en billijkheid ook de grondslag voor precontractuele mededelingsplichten en voor eventuele toepasselijkheid van de algemene beginselen van het aanbestedingsrecht, zoals het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel. De Hoge Raad heeft zich uitgelaten over de (on)aanvaardbaarheid van het afbreken van onderhandelingen door partijen die reeds een overeenkomst hadden gesloten die verplichtte tot onderhandelen. In een dergelijk geval is het totstandkomingvertrouwen niet nodig om tot een onderhandelingsplicht te komen, omdat die door de overeenkomst reeds is gegeven. De vraag was dus of de contractueel overeengekomen onderhandelingsplicht is nagekomen en of sprake is van een plicht om kosten te vergoeden [13]. In de praktijk worden vaak voorafgaand aan de start van onderhandelingen afspraken gemaakt over de procedure van onderhandelen. Dat is om te voorkomen dat een partij niet vrij is om op enig moment de onderhandelingen af te breken zonder schadeplichtig te zijn. Die contractuele afspraken komen in vele gedaante voor en worden vaak opgenomen in term-sheets, LOI’s of MOU’s, waarover voorafgaand aan de onderhandelingen, onderhandeld wordt. Bij dergelijke bepalingen valt te denken aan “subject-to” clausules, exclusiviteit, geheimhouding, voorbehouden en beëindigingsclausules.  Dergelijke clausules regelen het proces en behelzen afspraken over hoe partijen met elkaar om gaan en wat ze tijdens de onderhandeling van elkaar mogen verwachten. Een voorbehoud heeft tot gevolg dat bij de wederpartij geen gerechtvaardigd vertrouwen kan ontstaan dat een overeenkomst tot stand zal komen, zolang het voorbehoud niet is vervuld. De belangrijkste pijler voor het aannemen van precontractuele aansprakelijkheid is immers en gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen. Als dat vertrouwen niet kan ontstaan, dan zal ook geen vorderingsrecht ontstaan voor vergoeding van gederfde winst[14]. Een duidelijk en onomwonden voorbehoud voorkomt in beginsel dat bij de wederpartij een gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen ontstaat, zolang de voorwaarde niet is vervuld[15]. Ten aanzien van contractuele voorwaarden die de precontractuele fase regelen geldt dat een beroep daarop niet strijdig mag zijn met redelijkheid en billijkheid. Een juiste uitleg van het beding kan de werking ervan dus ook begrenzen. Dat afstand van recht of rechtsverwerking aan een geldig beroep op een voorwaarde in de weg staan valt te begrijpen, ook dat het de toets van redelijkheid en billijkheid moet kunnen doorstaan. Op een overeenkomst die onder een voorwaarde is aangegaan, is volgens de Hoge Raad het leerstuk van de precontractuele aansprakelijkheid van toepassing[16]. In het arrest Beliën/Provincie oordeelde de Hoge Raad dat “de maatstaven welke in voormelde rechtspraak zijn ontwikkeld, ter beantwoording van de vraag wanneer het afbreken van onderhandelingen jegens de wederpartij onaanvaardbaar is, in een geval als het onderhavige voor overeenkomstige toepassing in aanmerking komen”. Dit houdt in dat ook wanneer een overeenkomst onder voorwaarde gesloten is, partijen zich tot elkaar verhouden in redelijkheid en billijkheid en zich elkaars belangen hebben aan te trekken. De partij die gebaat is bij vervulling van de voorwaarde mag dus tot op zekere hoogte van de ander verwachten dat die zich er toe inspant dat de voorwaarde ook daadwerkelijk in vervulling gaat. Denk hierbij aan een financieringsclausule in een koopovereenkomst. De koper zal aan moeten tonen aan de verkoper dat die zijn best gedaan heeft om de financiering te krijgen, alvorens in redelijkheid de ontbinding van de overeenkomst in te kunnen roepen[17]. Het beletten van het in vervulling gaan van een voorwaarde is gesanctioneerd in artikel 6:23 BW.
Onderhandelen vanuit een bestaande overeenkomst
De lat voor aansprakelijkheid wegens afgebroken onderhandelingen op grond van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen ligt hoog en lijkt steeds hoger te komen liggen. Hoofdregel is contractvrijheid en de vrijheid om op elk moment de onderhandelingen af te mogen breken, tenzij….. Dat tenzij is ingevuld in de rechtspraak en leidt af en toe nog tot een veroordeling het positieve contractbelang te vergoeden. Hoewel in landen om ons heen juist de neiging bestaat dergelijke vorderingen in te perken, lukt het hier te lande nog wel af en toe[18]. In haar vonnis in de zaak Intercoef/SGS nam de rechtbank niet het bestaan van een rompovereenkomst aan, op basis waarvan partijen aan elkaar verbonden waren, maar kwam de rechtbank wel tot de conclusie dat het afbreken van de onderhandelingen over een aandelentransactie onaanvaardbaar was. De rechtbank nam aan dat de schade vergoed moest worden, bestaande in het verschil tussen de situatie waarin Intercoef zich bevond na het afgebroken zijn van de onderhandelingen, vergeleken met de situatie waarin Intercoef zich bevonden zou hebben als die onderhandelingen geleid zouden hebben tot de overeenkomst waarvan zij mocht aannemen dat die zou ontstaan. De rechtbank koos er in deze zaak niet voor de schade te laten vaststellen in een schadestaatprocedure, maar die schade, na uitlating door Intercoef daarover, zelf door schatting vast te stellen. Dan is er nog de zaak van kinderopvang Tinteltuin waarover het Hof Amsterdam zich uitgelaten heeft[19]. Hier had Tinteltuin wel een overeenkomst met de gemeente over de gunning van kinderopvang. Het ging om een samenwerking van een aantal scholen en de gemeente, waarbinnen gezamenlijke afspraken gemaakt waren in een LOI. Op basis daarvan zouden nog enkele zaken geregeld worden, waaronder de kinderopvang. Aan Tinteltuin was aangegeven dat zij die opvang zou mogen regelen, maar daar kwam een van de partijen later op terug, de opvang werd aan een andere partij gegund. De vorderingen van Tinteltuin tot vaststelling van een overeenkomst werden afgewezen, maar de vordering van Tinteltuin op schadevergoeding omdat het afbreken van de onderhandelingen jegens haar onaanvaardbaar was, werd toegewezen. Het gerechtshof volgde systematisch alle relevante argumenten die uit de rechtspraak volgen en verwees naar de schadestaatprocedure. In de kwestie Stichting Hermitage/Hermitage Café voegde de Hoe Raad nog wel een aardige loot aan de stam van de afgebroken onderhandelingen toe[20], waar dat afbreken juist leidde tot een verrassend omgekeerd resultaat. In die zaak hadden stichting Hermitage en Hermitage café een samenwerkingsovereenkomst voor de exploitatie van horeca, waar openingstijden een onderdeel van die overeenkomst waren. Na enige tijd bleek dat die openingstijden veel te ruim bemeten waren en onwerkbaar waren voor de exploitant. In het overleg daarover werden steeds opnieuw voorstellen gedaan over en weer. Er werd zelf geëxperimenteerd met andere tijden en er werd een addendum overeengekomen met een aantal voorwaarden voor afwijking van de eerste overeenkomst. De voorstellen werden steeds gedetailleerder en toen de gesprekken vier jaar geduurd hadden, brak Stichting Hermitage de onderhandelingen af en viel ze terug op de oorspronkelijke overeenkomst. Daar kon Hermitage Café niet meer aan voldoen en dus vorderde de stichting ontbinding en ontruiming van het café. De kantonrechter wees die vordering toe, maar dat sneuvelde bij het hof. In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was dat de stichting onverkort terug greep op de overeenkomst, terwijl vast stond dat die achterhaald was. Daarnaast meende de Hoge Raad dat Hermitage Café er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de nieuwe afspraken door de stichting zouden worden geaccepteerd. Die had een aangeboden mediation daarover geweigerd en daarmee het recht om nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst te verlangen, verspeeld. De vordering tot schadevergoeding werd toegewezen.
Recente rechtspraak
Hoe zeer de lijn in de rechtspraak steeds duidelijker lijkt te worden richting een terughoudende toepassing van het totstandkomingsvertrouwen en het toewijzen van een schadevordering bij afgebroken onderhandelingen, blijkt uit lagere rechtspraak toch dat op twee dicht bij elkaar liggende rechtbanken, in een korte periode, toch twee verschillende uitkomsten mogelijk zijn, voor zover de casus die daaraan ten grondslag liggen vergelijkbaar zijn, afhankelijk als de beoordeling is van concrete omstandigheden van een geval. In volgorde zal stil gestaan worden bij een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Holland en van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank Noord-Holland had te beslissen over een conflict tussen de gemeente Den Helder en de kunstenaar Rob Scholte[21] over de vestiging van het Rob Scholte Museum in een voormalig postkantoor dat Scholte van de gemeente in bruikleen had gekregen. Toen de gemeente die overeenkomst opzegde begonnen partijen onderhandelingen over de aankoop van het pand. Scholte deed verschillende voorstellen maar de gemeente hield twijfel over de financiële haalbaarheid van de plannen van Scholte. De gemeente maakte plannen voor twee scenario’s. Het eerste scenario was door onderhandelen met Scholte, inclusief een mediation om oud zeer weg te poetsen. Als dat niet zou lukken, zou het tweede scenario zijn de verkoop van het postkantoor aan een ander. In de gesprekken werden biedingen gedaan maar tegelijk probeerde de gemeente via de rechter het pand ontruimd te krijgen. Toen dat niet lukte, wilde de gemeente een gesprek met Scholte, terwijl inmiddels ook een procedure voor openbare inschrijving begonnen was. Er werd nog op en neer geschreven over de prijs, maar uiteindelijk gunde de gemeente het pand aan een andere partij. In de procedure die volgde, vorderde Scholte primair een veroordeling tot nakoming van de in zijn visie tot stand gekomen overeenkomst, subsidiair een vordering tot door onderhandelen, op verbeurte van een dwangsom, meer subsidiair een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig gehandeld heeft door de onderhandelingen met Scholte af te breken. De rechtbank kwam tot het oordeel dat er nog geen sprake was van een volmaakte overeenkomst, dus wees het primair gevorderde af. Ook meende de rechtbank dat er nog geen overeenstemming bestond over de essentialia van de overeenkomst, zodat ook de vordering tot door onderhandelen sneuvelde. Op de derde vordering besliste de rechtbank dat de gemeente onrechtmatig gehandeld had jegens Scholte door de onderhandelingen met hem af te breken. Ter onderbouwing herhaalde de gemeente de overwegingen uit het arrest CBB/JPO. Daarbij overwoog de rechtbank ten aanzien van de feiten dat de gemeente van aanvang af steeds met Scholte in gesprek gebleven is over de verkoop van het pand aan hem, ook toen de gemeente al lang een procedure gevoerd had en een openbare verkoop procedure opgestart had. Zelfs had het college de raad geïnformeerd dat ze voorkeur had voor verkoop aan Scholte. Onder de genoemde omstandigheden en het tot het bittere einde door onderhandelen met Scholte, kon de gemeente niet opeens de onderhandelingen afbreken. De gemeente had in belangrijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het gerechtvaardigde vertrouwen bij Scholte dat de verkoop door zou gaan. De verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld jegens Scholte werd toegewezen. Korte tijd later lag een kwestie voor bij de rechtbank Amsterdam[22]. De Meeuw wenst in Amsterdam modulaire woningen voor studenten te bouwen en die te verhuren aan Wasa Student Village, die de horeca weer door verhuurt aan Camelot. Daarvoor sluiten partijen een projectovereenkomst op basis waarvan nog een turn-keyovereenkomst gesloten moet worden. De Meeuw wil voor zichzelf zekerheden inbouwen, waaronder een recht van opstal, waaraan de gemeente Amsterdam uiteindelijk wel mee wilde werken. De discussie ging over de zekerheden die De Meeuw wilde van Wasa voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Daarin toonde De Meeuw zich halsstarrig en bleef steeds met nieuwe voorstellen komen, waaraan Wasa niet kon of wilde voldoen. Op enig moment schreef Wasa aan De Meeuw dat het genoeg was en stelde ze De Meeuw een ultimatum ten aanzien van het laatste voorstel. Partijen hebben daarna nog met elkaar gesproken, maar toen De Meeuw het aanbod niet accepteerde heeft Wasa de onderhandelingen afgebroken en heeft ze gecontracteerd met een concurrent van De Meeuw om de woningen te realiseren. In de procedure vorderde De Meeuw primair een verklaring voor recht dat Wasa onrechtmatig gehandeld had en een schadevergoeding van € 1,9 mio, subsidiair een bedrag van € 1,3 als redelijk loon dan wel op grond van ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank gaat voorbij aan het argument van De Meeuw dat Wasa geen uitvoering gegeven heeft aan de projectovereenkomst. Die was daarvoor nog te vaag en er stonden nog teveel punten ter discussie om wanprestate terzake aan te nemen. Voor de beoordeling van de vordering wegens onrechtmatige daad op grond van de afgebroken onderhandelingen, neemt ook de rechtbank Amsterdam de argumentatie uit het arrest CCB/JPO over. Verder oordeelde de rechtbank dat het feit dat De Meeuw steeds nieuwe eisen stelde aan haar zekerheden en Wasa van aanvang af aangegeven heeft dat ze daar niet aan kon voldoen, in de weg stond aan een gerechtvaardigd vertrouwen bij De Meeuw dat de turn-key overeenkomst tot stand zou komen, ook al hadden partijen in de projectovereenkomst die intentie wel opgenomen. In die projectovereenkomst hadden partijen ook aanvullende afspraken gemaakt over de wijze waarop het traject doorlopen zou worden, reden te meer voor de rechtbank om geen gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen aan te nemen. Ze wees de vorderingen van De Meeuw af.
Conclusies en aanbevelingen
De conclusie is gerechtvaardigd dat contractvrijheid de hoofdregel is, inclusief het recht om op elk moment de onderhandelingen over een overeenkomst af te mogen breken, tenzij sprake is van een gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen en het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de onderhandelingen afgebroken worden. De maatstaf is streng en noopt tot terughoudendheid. Een vordering tot vergoeding van het positief contractbelang wordt dan ook spaarzaam door rechters toegewezen, in lijn met landen om ons heen, waar het gerechtvaardigd afbreken van onderhandelingen gemeengoed is. Bij het aanleggen van de juiste maatstaf, moet de rechter alle omstandigheden van het geval wegen, in de beantwoording van de vraag of op het moment waarop de onderhandelingen werden afgebroken het vertrouwen in het tot stand komen van de overeenkomst gerechtvaardigd was. Dit lijkt glashelder maar uit recente rechtspraak blijkt dat dit toch nog regelmatig tot procedures leidt. Onduidelijkheid daarover kan voorkomen worden door vooraf met elkaar procedure afspraken te maken over hoe met situaties om te gaan tijdens de onderhandelingen. Dit sluit aan bij de hoofdregel dat contractvrijheid niet beperkt mag worden, behalve als gebruik van die vrijheid misbruik oplevert. Afspraken vooraf over hoe daar mee om te gaan kunnen veel vervelende discussies en procedures achteraf voorkomen. [1] Rechtbank Noord-Holland 23 januari 2019; ECLI:NL:RBNHO:2019:461 (Rob Scholte/Gemeente Den Helder) en Rechtbank Amsterdam 10 april 2019; ECLI:NL:RBAMS:2019:2748 (De Meeuw/Wasa Students Village) [2] HR 15 november 1957, NJ 1958/67 Baris/Riezenkamp. [3] N.C. Voortman en T. Voortman, Onvoorziene omstandigheden en afgebroken onderhandelingen in Tijdschrift overeenkomst in de rechtspraktijk. [4] HR 18 juni 1982, NJ 1983/723 Plas/Valburg. [5] HR 23 oktober 1987, NJ 1988/1017 [6] HR 14 juni 1996, NJ 1997/481 De Ruiterij/MBO . [7] HR 4 oktober 1996, N 1997/65 ABB/Staat. [8] Mr. Dr. M.R. Ruygvoorn: “Over ‘wegzakkend’ totstandkomingsvertrouwen in de precontractuele fase” Tijdschrift Overeenkomst in de Rechtspraktijk, nummer 4, mei 2019 [9] Hof Amsterdam 17 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:4226 [10] HR 12 augustus 2005, LJN AT 7337, NJ 2005/467 CBB/JPO [11] Prof. mr. R.P.J.L. Tjittes: “De aansprakelijkheid voor afgebroken onderhandelingen”: Rechtsgeleerd Magazijn Themis 2016-5. [12] Tjittes t.a.p. [13] HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8707 (Hemubo/VVE Strandhotel Zandvoort) [14] HR 29 februari 2008, JOR 2008, 145 (Vollenhoven/Shell) [15] HR 24 november 1995, NJ 1996/162 (Van Engen/Mirror) [16] HR 24 maart 1995, NJ 1997/569 (Beliën/Provincie) [17] HR 21 juni 1996, NJ 1996/698 (Tomlow/Zwietering) [18] Rechtbank Amsterdam 19 juli 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5513 (Intercoef/SGS) [19] Gerechtshof Amsterdam 19 december 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5293 (Tinteltuin/gemeente Alkmaar) [20] Hoge Raad 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2566 (Stichting Hermitage/Hermitage Café) [21] Rechtbank Noord-Holland 23 januari 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:461 (Rob Scholte/Den Helder) [22] Rechtbank Amsterdam 10 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2748 (De Meeuw/Wasa Student Village)                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 24 mei 2019. [post_title] => Afgebroken onderhandelingen, een terugkerend thema [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => afgebroken-onderhandelingen-een-terugkerend-thema [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:53:13 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:53:13 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17078 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [2] => WP_Post Object ( [ID] => 17099 [post_author] => 7 [post_date] => 2019-05-03 15:35:17 [post_date_gmt] => 2019-05-03 13:35:17 [post_content] => In haar bijdrage Nieuwsoverzicht in JutD 2019-00037 heeft Mw. mr. G. Galjé-Deckers de uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2019[1] aangehaald en kort besproken. Deze uitspraak is van belang omdat die een grens stelt aan de bevoegdheid van het gerechtshof eenzijdig te beslissen dat een mondelinge behandeling niet voor een meervoudige kamer, maar voor een enkelvoudige kamer plaats vindt. Omdat het beginsel van hoor en wederhoor een van de meest dragende rechtsbeginselen is in het procesrecht, dat bovendien geborgd is in artikel 6 van het EVRM, leent deze uitspraak zich voor een bredere inbedding in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarbij is het interessant dat de Hoge Raad in deze uitspraak contrair ging aan de conclusie van de AG. Mr. M.L.C.C. Lückers zodat ook de argumenten vóór en tegen goed belicht kunnen worden aan de hand van een wat uitgebreidere bespiegeling van de casus en de processuele stappen die genomen zijn. Het gaat in deze zaak om een werknemer die op staande voet ontslagen is door zijn werkgever. De werknemer had zijn besloten vennootschap verkocht en trad daarna bij die vennootschap in dienst. Toen zijn werkgever constateerde dat de werknemer fraudeerde met inkomende- en uitgaande goederenstromen en het overeengekomen non-concurrentieverbod overtrad, werd de werknemer geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek van een recherchebureau. In dat gesprek ontkende de werknemer maar gaf de werkgever hem toch ontslag op staande voet, wat hem diezelfde dag schriftelijk werd bevestigd. De werknemer vocht dit ontslag op staande voet aan bij de kantonrechter en vorderde herstel van de arbeidsovereenkomst en betaling van een schadevergoeding op verschillende gronden, de opliep tot een bedrag van bijna € 400.000,-. De werkgever voerde verweer, stellende dat het ontslag rechtmatig was en de reden voor het ontslag aan de werknemer verwijtbaar was, zodat geen plaats was voor enige schadevergoeding. De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer af en veroordeelde hem in de proceskosten. In hoger beroep vorderde de werknemer soortgelijke bedragen, vermeerderd met € 20.000,- bijdrage in de kosten voor rechtsbijstand. De werkgever stelde incidenteel appel in en vorderde terugbetaling van het verduisterde bedrag. Na verweer in het incident gelastte het hof een comparitie van partijen  ten overstaan van een meervoudige kamer met drie raadsheren. Na het bepleiten van de zaak wees het hof een tussenbeschikking waarin overwogen werd dat nog onvoldoende bouwstenen voorhanden waren om over de genoemde kwesties te kunnen beslissen en noemde het een aantal punten waarover nog inlichtingen gegeven moesten worden. Het hof gelastte een voortgezette behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris, voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Ter voorbereiding mochten partijen nog nadere stukken in het geding brengen. De advocaat van de werkgever verzet zich tegen deze voortgezette behandeling omdat noch het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, noch het landelijk procesreglement voor verzoekschriftprocedures bij hoven die werkwijze kent. De behandeling wordt desalniettemin voortgezet en daarin geeft de raadsheer-commissaris geen gelegenheid de pleitaantekeningen voor te dragen, die nader toe te lichten en het hof van nadere informatie te voorzien. In plaats daarvan beperkt de zitting zich tot het beantwoorden van vragen van het hof. Van die zitting wordt een proces-verbaal opgemaakt, waarin de advocaat van de werkgever laat opnemen: “Ik had een ander soort zitting verwacht. Ik had meer vragen verwacht. Ik vraag om een mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer. Ik zou graag een aantal producties willen toelichten. Ik wil een uitwerking van het verweer dat het beroep op verrekening geen hout snijdt aan het hof presenteren. Dat zou ik willen onderbouwen aan de hand van door mij nader gedaan onderzoek”. Het hof doet uitspraak en overweegt ten aanzien van het verzoek om de nadere meervoudige behandeling dat het (overigens niet onbegrensde) recht van partijen hun standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten een fundamenteel beginsel van behoorlijk procesrecht is. Daarnaast geldt dat een beslissing moet worden genomen door de rechters ten overstaan waarvan de mondelinge behandeling heeft plaats gevonden. In de onderhavige zaak overweegt het hof dat gedurende de eerste zitting al voldoende naar voren is gebracht aan de drie raadsheren en dat de tweede mondelinge behandeling plaats vond ten overstaan van een raadsheer uit hun midden. Daarmee acht het hof hetgeen de advocaat van de werkgever naar voren had willen brengen, voldoende mee gewogen in de eindbeslissing. Bovendien oordeelde het hof in de r.o. 2.5 – 2.7 dat de nadere behandeling “vrij beperkt” was, namelijk (slechts) het verkrijgen van enkele inlichtingen en het beproeven van een regeling en dat de nadere behandeling zich daartoe heeft beperkt. Het hof beoordeelde de wens van de advocaat “een uitwerking van het verweer dat het beroep op verrekening geen hout snijdt aan het hof te presenteren” als een uiteenzetting over bewijswaardering, die buiten het beperkte doel van de zitting valt. Het hof, na een inhoudelijke toets van het ontslag op staande voet, vernietigt de beschikking van de kantonrechter en veroordeelt de werkgever tot betaling van € 122.000,-. In cassatie klaagt de werkgever over de gang van zaken bij het hof, met name over de weigering de mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer voort te zetten.  De AG Lückers valt in de conclusie terug op de uitspraak van de Hoge Raad van 31 oktober 2014[2] waaruit de hoofdregel volgt dat de uitspraak moet worden gedaan door de rechters ten overstaan van wie de mondelinge behandeling plaatsvond. Als geen proces-verbaal van de zitting opgemaakt is, mag een verzoek daartoe in geen geval worden afgewezen, als wel een proces-verbaal opgemaakt is, mag dat alleen worden afgewezen met een dragende motivering waarom het belang van een voortvarende procesvoering moet prevaleren. Daarmee is de Hoge Raad terug gekomen op oudere uitspraken uit 1941, 1963 en 1990. In zijn uitspraak van 15 april 2016[3] heeft de Hoge Raad dat standpunt verduidelijkt door aan te geven dat de verplichting van het hof om partijen te informeren over een rechterswisseling, niet op gespannen voet mag komen staan met een voortvarende procesvoering. In beginsel vervalt die plicht als na een mondelinge behandeling een uitspraak is gedaan, ook al strekt die slechts ter instructie van de zaak. Partijen dienen zelf initiatief te tonen. Voor de beoordeling van een verzoek om een mondelinge behandeling blijven overigens wel de criteria uit het arrest van 2014 van kracht, zij het ook in balans met een voortvarende procesvoering. In zoverre belet het arrest van 2014 niet dat de mondelinge behandeling plaats vindt ten overstaan van een raadsheer-commissaris, als die behandeling niet het doel heeft partijen gelegenheid te geven hun standpunten toe te lichten. Als op grond van artikel 16 Rv verwijzing naar de enkelvoudige kamer plaats vindt, moet het hof de partijen daarvan vooraf in kennis stellen om hen in de gelegenheid te stellen behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer te vragen. Afwijzing van dat verzoek kan alleen op zwaarwegende gronden. In cassatie klaagt de werkgever dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat geen rechtsregel zich verzette tegen verwijzing naar de enkelvoudige kamer. Dit is in strijd met de arresten van de Hoge Raad van 22 december 2017[4]. Daarin heeft de Hoge Raad bepaald dat de hoofdregel een mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer is, maar dat onder omstandigheden het hof de zaak kan verwijzen naar een enkelvoudige kamer, nadat eerst bij de oproeping aan partijen de gelegenheid is gegeven een behandeling voor de meervoudige kamer te verzoeken. De criteria van de Hoge Raad uit het arrest van 2017 worden door de AG afgezet tegen de feitelijke mogelijkheden die de advocaat van de werkgever gehad heeft om alle stellingen naar voren te brengen. De AG meent dat het hof wel voldoende tijdig heeft aangekondigd dat de zaak voor de enkelvoudige kamer zou dienen en dat de klacht van de werkgever faalt omdat nagelaten is dat verzoek daadwerkelijk te doen. Daarom strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep van de werkgever. De Hoge Raad neemt in r.o 3.4.1. zijn overwegingen uit het arrest van 2017 tot uitgangspunt. Dat leidt tot de herhaalde conclusie:
  • Wettelijke hoofdregel is dat zaken in hoger beroep door een meervoudige kamer worden behandeld en beslist;
  • Een aan die beslissing voorafgaande mondelinge behandeling, die mede tot doel heeft partijen hun stellingen te laten toelichten, wordt in beginsel gehouden ten overstaan van drie raadsheren die de beslissing zullen nemen[5];
  • Als in een meervoudig te beslissen zaak in hoger beroep wordt bepaald dat een mondelinge behandeling plaats vindt ten overstaan van een raadsheer-commissaris en die behandeling mede ten doel heeft partijen hun stellingen te laten toelichten, zal uiterlijk bij de oproeping aan partijen moeten worden meegedeeld dat de behandeling ten overstaan van een raadsheer-commissaris plaats vindt;
  • Aan partijen moet de gelegenheid worden gegeven om te verzoeken om een mondelinge behandeling ten overstaan van een meervoudige kamer die de beslissing zal nemen;
  • Dat verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd en kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.
De Hoge raad maakt uit de processtukken op dat de voortgezette comparitie van partijen niet alleen diende voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking, maar dat die ook diende om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen nader toe te lichten en voor dat doel ook is benut. Met klip en klare verwijzingen naar de geproduceerde processtukken oordeelt de Hoge Raad dat de overwegingen van het hof in de r.o. 2.5-2.7 onbegrijpelijk zijn en dat de daartegen gerichte klachten doel treffen. Daarom vernietigt de Hoge Raad de uitspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar het hof Den Bosch. De uitspraak van de Hoge Raad ligt in de lijn van zijn eerdere jurisprudentie en geeft strenge regels waaraan het hof moet voldoen bij verwijzing van een mondelinge behandeling van de meervoudige kamer naar de enkelvoudige kamer. Het is niet met zoveel woorden benoemd, maar fair trail is een grondrecht en ligt vast in artikel 6 van het EVRM. Dat geeft gewicht aan de zaak en maakt dat advocaten kritisch mogen zijn op de wens van hoven om al te voortvarend te procederen. Hoe gerechtvaardigd dat belang ook is, een eerlijk proces blijft altijd prevaleren. [1] ECLI:NL:HR:2019:271 [2] ECLI:NL:HR:2014:3076 [3] ECLI:NL:HR:2016:662 [4] ECLI:NL:HR:2017:3264 en 3259 [5] Dit houdt verband met de betekenis van de mondelinge behandeling, waarbij de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en die interactie niet altijd in een proces-verbaal kan worden weergegeven.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 12 april 2019. [post_title] => Recht op meervoudige behandeling [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => recht-op-meervoudige-behandeling [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:55:28 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:55:28 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17099 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [3] => WP_Post Object ( [ID] => 17352 [post_author] => 7 [post_date] => 2019-03-22 11:12:00 [post_date_gmt] => 2019-03-22 10:12:00 [post_content] => Procederen in een civiel geschil is geen eenvoudige bezigheid waar lichtvaardig tegenaan gekeken moet worden, vooral als het gaat om een procedure in hoger beroep bij het gerechtshof. Een dergelijke procedure kan maar beter over gelaten worden aan gespecialiseerde procesadvocaten, omdat een bok snel geschoten is. Dat is nadelig voor de cliënt, beschadigend voor de advocaat en duur voor de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Onlangs heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan waar duidelijk werd dat voldoende kennis van het burgerlijk procesrecht onontbeerlijk is[1]. Deze zaak ging over een burengeschil. Eisers zijn eigenaar van een boerderij met erf en een pad. In de leveringsakte is een erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd ten laste van het pad en ten behoeve van twee belendende percelen, om te komen van en te gaan naar de openbare weg. Een aantal percelen die grenzen aan het erf van eisers waren begroeid met een productiebos. Deze percelen behoorden tot de heersende erven ten behoeve waarvan de erfdienstbaarheid is gevestigd. In februari 2010 heeft de eigenaar van die percelen opdracht gegeven het productiebos op de door hem aangekochte percelen te kappen en het hout af te voeren. Vervolgens is grond aangebracht op de percelen. Als gevolg van deze werkzaamheden is schade aan het pad ontstaan. De schade is vastgesteld door een deskundige op € 39.000,- ex BTW. Kort daarna hebben partijen een koopovereenkomst gesloten voor een perceel grond voor een bedrag van € 24.000,-. Daartoe werd onderling een zeer summier stuk papier ondertekend. In de procedure die volgt vorderen eisers: (a) veroordeling van verweerder tot herstel van de schade aan het pad; (b) veroordeling van verweerder tot medewerking aan de levering van het door eisers van verweerder gekochte perceel grond tegen betaling van € 24.000,--; (c) veroordeling van verweerder tot betaling van de door eisers voorgeschoten kosten van herstel van het pad, ten bedrage van € 960,63 en (d) een aan verweerder op te leggen verbod om het pad met zware voertuigen en landbouwmachines te gebruiken, op straffe van een dwangsom. Eisers baseren de onder (b) genoemde vordering op de onderhandse akte, zijnde het getekende stuk papier. Zij stellen dat verweerder aan hen een stuk grond van 8.000 m² heeft verkocht voor € 3,-- per m², zodat de koopprijs uitkomt op € 24.000,--. Voor een goed begrip van het arrest is het doelmatig het verschil tussen een deelvonnis, een tussenvonnis en een eindvonnis uit te leggen. In grote lijnen is een tussenvonnis een vonnis waarna de civiele procedure wordt voortgezet. Een deelvonnis is een eindbeslissing over een deel van het geschil, gegeven in een tussenvonnis, waarmee dat deel van het geschil al in dat tussenvonnis eindigt. Een eindvonnis is een vonnis waarmee het gehele geschil eindigt. Het eerste deelvonnis wijst de rechtbank op 16 oktober 2013, waarbij de vorderingen (c) en (d) worden toegewezen. Wat betreft vordering (a) mogen partijen zich uitlaten over een deskundige en voor vordering (b) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren met betrekking tot de voorshands door de rechtbank bewezen geachte koopovereenkomst. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld tegen het eerste deelvonnis. Daarbij heeft hij grieven gericht tegen de toewijzing van vordering (d). Daarnaast heeft hij grieven gericht tegen overwegingen met betrekking tot vordering (a). Op 14 januari 2015 heeft de rechtbank een tweede deelvonnis gewezen. Daarin is verweerder veroordeeld mee te werken aan de levering van het perceel grond voor de overeengekomen koopsom van € 24.000,--. Hiermee heeft de rechtbank beslist op vordering (b). Verweerder heeft ook tegen dit tweede deelvonnis hoger beroep ingesteld. Daarin heeft hij grieven aangevoerd tegen de beslissingen van de rechtbank over vordering (b), niet alleen in het tweede, maar ook in het eerste deelvonnis. In de (gevoegde) appelprocedures heeft het hof vordering (b) afgewezen op de grieven van verweerder. Daar richt het cassatieberoep zich tegen. Het hof zou hebben miskend dat het hof gebonden was aan het bewijsoordeel van de rechtbank, omdat daartegen geen grieven waren gericht in het hoger beroep van het eerste deelvonnis. Verweerder heeft weliswaar grieven gericht tegen dat bewijsoordeel in het hoger beroep van het tweede deelvonnis, maar dat was te laat. Deze klacht slaagt. Omdat verweerder het eerste deelvonnis in zijn hoger beroep betrok, had hij bij die gelegenheid al zijn bezwaren tegen de eindbeslissingen in het tussenvonnis-gedeelte van dat vonnis naar voren moeten brengen. De partij die tussentijds beroep instelt, is immers gehouden daarin al haar bezwaren tegen de tot dan toe gewezen tussenvonnissen aan te voeren en verliest de mogelijkheid dat bij een latere gelegenheid in appel te doen[2]. Die regel geldt ook als het gaat om een appel tegen het tussenvonnis-gedeelte van een deelvonnis. Nu verweerder in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis-gedeelte van dat vonnis niet tegen die beslissing is opgekomen, was het hof daaraan gebonden. De partij die tussentijds beroep instelt moet daarin al haar bezwaren tegen de tot dan toe gewezen tussenvonnissen aanvoeren en kan dat niet meer bij een latere gelegenheid te doen. Deze “één keer schieten” regel was al door de Hoge Raad vastgesteld in het arrest uit 2012. Daar was weliswaar sprake van een echt tussenvonnis en niet van een deelvonnis. Met dit recente arrest stelt de Hoge Raad vast dat deze regel ook geldt als het gaat om hoger beroep tegen het tussenvonnis-gedeelte in een eindvonnis. De Hoge Raad is onverbiddelijk: één kans om raak te schieten, daarna is de kans verkeken. Het arrest brengt ook nog een andere wat oudere kwestie boven water, waarvoor de Hoge Raad verwijst naar een uitspraak uit 2011[3]. Voor de begroting van de schade had het hof zich niet beperkt tot de feiten die door partijen waren aangedragen, maar daarvoor had het hof zelf op internet gegoogled en verwezen naar door haar gevonden websites. Door die informatie mede ten grondslag te leggen aan haar beslissing, zonder die eerst aan partijen voor te leggen, had het hof het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Daar moet de rechter dus erg mee oppassen, zo blijkt maar weer. De Hoge Raad vernietigt in deze zaak de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst naar het hof Den Bosch voor verdere afdoening. Eens te meer is duidelijk geworden dat een advocaat die hoger beroep instelt tegen een deelvonnis, alle grieven in moet brengen tegen alle overwegingen en feiten waartegen gegriefd kan worden, op straffe van verval van de mogelijkheid dat later nog te doen. [1] HR 25-01-2019, ECLI:NL:HR:2019:96 [2] HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3160 [3] HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1654                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 1 maart 2019. [post_title] => Een schot in de roos ! [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => een-schot-in-de-roos [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:55:35 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:55:35 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17352 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [4] => WP_Post Object ( [ID] => 17104 [post_author] => 7 [post_date] => 2018-10-26 15:42:49 [post_date_gmt] => 2018-10-26 13:42:49 [post_content] => Een procespartij in bewijsnood, heeft een doeltreffend middel ter beschikking in de vorm van artikel 843a Rv, om met een beroep daarop inzage te krijgen in bepaalde bescheiden of daarvan zelfs een afschrift of uittreksel te krijgen. Zodoende kan voorzien worden in bewijs dat noodzakelijk geleverd moet worden in een procedure na het betrekken van processuele stellingen. Artikel 843b Rv geeft een procespartij, aan wie bewijs opgedragen is, een soortgelijk instrument voor het geval die procespartij wel over bewijsmiddelen beschikt heeft, maar die verloren is (denk aan een wederkerige overeenkomst die in tweevoud is opgemaakt door de debiteur en de crediteur, waarvan één van beiden die schriftelijke overeenkomst kwijt is, of aan een harde schijf die gecrashed is). Hoewel de tekst van het artikel niet de eis stelt van een rechtmatig belang, wordt er in het algemeen wel vanuit gegaan dat ook de partij die zich op artikel 843b Rv beroept, een rechtmatig belang moet hebben. Artikel 843a Rv duikt met enige regelmaat op in de rechtspraak omdat het vaak onjuist wordt toegepast of omdat het gebruikt wordt als een schot hagel. Fishing expeditions zijn niet toegestaan en een te ruim geformuleerde vordering wordt afgewezen. Een voorbeeld daarvan is Rechtbank Rotterdam, 19-12-2016, [ECLI:NL:RBROT:2016:10190]: r.o. 4.5: Ook het in de bodemprocedure op 21 september 2016 gewezen tussenvonnis is, gelet op het ingenomen standpunt van [eisers], van belang voor de beoordeling in dit kort geding. Tot slot is van belang dat volgens vaste rechtspraak artikel 843a Rv geen grond biedt voor een fishing expeditie. r.o. 4.8: Wat er ook zij van het aanbod van [gedaagden] om vrijwillig stukken af te geven, de vordering van [eisers] dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter, wanneer die gestelde vrijwillige bereidheid buiten beschouwing wordt gelaten, te worden afgewezen, omdat [eisers] onvoldoende rechtmatig belang heeft bij de gevorderde afgifte van stukken en (deels) sprake lijkt te zijn van een fishing expedition. Daarom is het goed dit artikel af en toe in de schijnwerpers te zetten om de lijn in de lagere rechtspraak vast te houden en ontwikkelingen daarin onder ogen te zien. Ook in 2018 zijn enkele uitspraken, zelfs van de Hoge Raad, voorbij gekomen die het bespreken waard zijn. Voor een goed begrip herhaal ik de tekst van het artikel.
Artikel 843a Rv
  1. Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.
  2. De rechter bepaalt zo nodig de wijze waarop inzage, afschrift of uittreksel zal worden verschaft.
  3. Hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.
  4. Degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, is niet gehouden aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
Wanneer een partij bekend is met de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel maar dit niet in zijn bezit heeft kan hij, wanneer hij deze in een procedure over zou willen leggen, een vordering op grond van artikel 843a Rv instellen. Deze vordering kan zowel in een lopende procedure worden ingesteld (door het opwerpen van een incident) als voorafgaand aan een procedure (bij wijze van voorziening in kort geding). Uit artikel 843a lid 1 Rv blijkt dat de verzoeker moet voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden: 1) de verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, 2) het moet gaan om bepaalde bescheiden, en 3) het verzoek moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de aanvrager partij is. Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Met name dit lid ontbreekt in artikel 843b Rv en dat geeft ook het onderscheid aan. De partij die ooit over het bewijsmiddel beschikte maar het verloren is, mag vorderen dat die in dezelfde positie komt te verkeren als waarin die zich bevond vóór het bewijsmiddel verloren ging. Ook de eis van het partij zijn bij de rechtsbetrekking, waar artikel 843a Rv op ziet, is voor artikel 843b Rv om die reden niet van belang. Ook kan een verzoek op grond van 843a Rv niet worden ingewilligd, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Op deze situatie ziet het arrest van de Hoge Raad van 16 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:365). Op grond van artikel 6 EVRM heeft elke procespartij het recht een eigen processtrategie te voeren. De Hoge Raad zag hierin, in navolging van het Hof, reden de ingestelde exhibitievordering af te wijzen. Het Hof had overwogen: “Een aanspraak op inzage in correspondentie die is gewisseld tussen de advocaat van een procespartij en de door die advocaat geraadpleegde deskundige(n), maakt inbreuk op het recht van die partij om haar eigen procespositie te kunnen bepalen. Het gaat hier alleen om een medische analyse van bestaande gegevens, welke analyse niet door de Wet bescherming persoonsgegevens wordt beschermd. [eiseres] staan voldoende andere mogelijkheden ten dienste om zelf een deskundige duiding van die gegevens te verkrijgen. Dit is een afwijzing op grond van artikel 843a lid 4. De klacht dat het Hof niet de toetsingsmaatstaf van artikel 35 WBP gehanteerd had, werd gepasseerd omdat het een vordering betrof tot het verkrijgen van gegevens voor die specifieke procedure, niet om het verkrijgen van medische gegevens waar de WBP betrekking op heeft. Door overlegging van het volledige medisch dossier had de verweerder voldoende gegevens ter beschikking gesteld en was voor toewijzing van een verder strekkende vordering op grond van 843a Rv geen plaats. Hieronder zullen de drie kernpunten kort worden besproken.
(i) Rechtmatig belang
Een verzoeker heeft belang bij het opvragen van stukken als deze relevant zijn voor zijn rechtspositie. Het gaat daarbij in de eerste plaats om een bewijsbelang dat dient te corresponderen met de op hem rustende bewijslast. Het ligt daarbij op de weg van de verzoeker om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt. Het komt er hierbij in beginsel op aan of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt, doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. Betoogd wordt dat de verzoeker bij ieder opgevraagd bescheid een rechtmatig belang dient aan te tonen.
Jurisprudentie
Rechtbank Limburg, 30 mei 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:4925: r.o. 4.4: Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel, is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Rechtbank Rotterdam, 13-06-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4716: r.o. 4.4: Bij de beoordeling van de vraag of de eisende partij een rechtmatig belang heeft bij inzage, afschrift of uittreksel, is van belang of een partij een onredelijk voordeel geniet dan wel of haar wederpartij een onredelijk nadeel lijdt doordat een bepaald (bewijs)stuk in de procedure niet als bewijsmiddel ter beschikking komt. De enkele interesse in een stuk is niet voldoende. Het rechtmatige belang kan onder meer voortvloeien uit de rechtsverhouding tussen partijen of uit de wet en is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 17 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3151: r.o. 4.2: [eisers 1 t/m 5] hebben hun vordering gebaseerd op het bepaalde in artikel 843a Rv en daaraan ten grondslag gelegd dat zij de informatie uit het dossier nodig hebben om hun vorderingen wegens aansprakelijkheid jegens de notaris en jegens hun zussen te kunnen onderbouwen. r.o. 4.8: Gezien de vorenstaande, uit de rechtspraak voortvloeiende norm is afgifte of inzage van een dossier van een notaris - kort gezegd - slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk. Dat met de afgifte aan dan wel de inzage door [eisers 1 t/m 5] van het dossier van de notaris een maatschappelijk belang gediend is dat zwaarder weegt dan het belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, en zo ja, waarin dit maatschappelijke (lees: niet het persoonlijke, alleen de betrokken partijen betreffende) belang in dit concrete geval is gelegen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken of inzichtelijk gemaakt. Reeds om die reden dient het door [eisers 1 t/m 5] gevorderde afgewezen te worden. Rechtbank Zeeland-West-Brabant,18 juli 2018, niet gepubliceerd (E. vs. M.): r.o. 3.52: E. grondt zijn vordering ten eerste op artikel 843a Rv. De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Hierbij gaat het om gevallen waarin de inhoud van een schriftelijk bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is maar deze dat stuk niet in haar bezit heeft, terwijl zij het desbetreffende stuk bijvoorbeeld in een procedure zou willen overleggen. In Nederland bestaat geen algemene exhibitieplicht voor partijen, in die zin dat partijen jegens elkaar verplicht kunnen worden tot het verschaffen van informatie en documenten. Met het oog daarop verbindt artikel 843a lid 1 Rv aan de toewijsbaarheid van een vordering als de onderhavige drie cumulatieve voorwaarden. Ten eerste dient de eisende partij een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede moet de vordering 'bepaalde bescheiden' betreffen. Ten derde moet de eiser partij zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. r.o. 3.54: Voorop staat dat het vorderen van 'afgifte' van stukken op grond van dit artikel niet mogelijk is. Subsidiair vordert E. om inzage. Uit het betoog van E. volgt dat hij de gevorderde informatie wenst te verkrijgen omdat hij dan de executie uit hoofde van het arrest van het hof kan voortzetten. Artikel 843a Rv leent zich hier niet voor. De exhibitieplicht van voornoemd artikel dient een bewijsbelang, hetgeen hier ontbreekt. r.o. 3.58: Het recht kent een andere wijze van rechtsbescherming dan zoals E. die zoekt. Artikel 475 g Rv en de daarop volgende bepalingen bevatten diverse mogelijkheden informatie te verkrijgen van de schuldenaar, beslagenen en derden-beslagenen en regelen de gevolgen van niet of ondeugdelijk meewerken.
(ii) Bepaalde bescheiden
Nu er geen sprake is van een algemeen inzagerecht dient de verzoeker de opgevraagde bescheiden met naam en toenaam te benoemen. Deze specificering is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de verzoeker een rechtmatig belang heeft bij inzage. Een verzoek tot inzage in een ‘volledig cliëntendossier’ zal mede op deze grond worden afgewezen. De toelichting bepaalt dat het ook kan gaan om gegevens op andere gegevensdragers dan papier zoals film, foto, cd-rom, dvd, geluidsbanden, computerbestanden, e-mail, USB-stick, tachograafschijf.
Jurisprudentie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17-07-2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6544: r.o. 4.5: Uit art 843a Rv volgt dat voor toewijzing van deze vordering vereist is dat [appellante] de betreffende stukken tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. [appellante] heeft gemotiveerd betwist dat zij deze stukken onder zich heeft. Artikel 150 Rv brengt mee dat het aan [Curator] is om bij voldoende gemotiveerde betwisting te bewijzen dat [appellante] de beschikking heeft over de stukken waarvan afgifte wordt gevorderd. r.o. 4.9: Het hof komt op grond van hetgeen onder 4.5 - 4.8 is overwogen tot het oordeel dat thans onvoldoende is komen vast te staan dat [appellante] de bedoelde bescheiden tot haar beschikking of onder haar berusting heeft. In verband met de aard van de procedure in kort geding zal [Curator] niet in de gelegenheid worden gesteld om via het doen horen van getuigen tot bewijs te worden toegelaten. Rechtbank Rotterdam, 13-06-2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4716: r.o. 3.2: [gedaagde] vordert voor het geval de rechtbank wil ingaan op het inhoudelijke debat, dat de rechtbank Rabobank gelast het volledige dossier in het geding te brengen, teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen om, des nodig, adequaat verweer te voeren op inhoudelijke gronden. [gedaagde] voert daartoe aan dat sprake is van een onredelijk tijdsverloop en dat hij niet beschikt over het gehele dossier dat Rabobank onder zich heeft. In het bijzonder wenst [gedaagde] de beschikking te krijgen over de correspondentie tussen de advocaat van Rabobank en de deurwaarder die destijds de dagvaarding heeft betekend. r.o. 4.4: Een partij kan slechts bepaalde stukken vorderen. De stukken moeten in ieder geval zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of de eiser een rechtmatig belang heeft. De bescheiden hoeven niet zeer exact omschreven te worden, maar duidelijk moet wel zijn wat precies gevraagd wordt. De vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is. r.o 4.5: De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [gedaagde] om Rabobank te gelasten het volledige dossier in het geding te brengen moet worden afgewezen omdat de vordering van [gedaagde] niet voldoet aan het vereiste dat de stukken zodanig concreet worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of [gedaagde] een rechtmatig belang heeft. [gedaagde] heeft immers geen enkel concreet stuk genoemd.
(iii) Aangaande een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is
Het bovengenoemde recht is enkel toegekend aan een verzoeker met betrekking tot bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Deze rechtsbetrekking kan ook uit onrechtmatige daad ontstaan. Het enkel hebben van een rechtens relevant belang is hierbij niet voldoende.
Jurisprudentie
Hoge Raad, 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834: r.o. 3.6.5: Noch uit de tekst van art. 843a lid 1 Rv zoals deze luidt sinds 1 januari 2002, noch uit zijn totstandkomingsgeschiedenis vloeit voort dat art. 843a lid 1 Rv tevens eist dat degene tegen wie de vordering is gericht, partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking. In de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden is bevestigd dat de zinsnede in art. 843a lid 1 Rv “van degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft” een verplichting schept voor eenieder, ongeacht of hij partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking. r.o. 3.6.6: Gezien het voorgaande kan een vordering op de voet van art. 843a lid 1 Rv worden ingesteld tegen wederpartijen bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking, en tegen derden die bij die rechtsbetrekking geen partij zijn.
Samenloop met artikel 22 Rv
De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Anderzijds kunnen partijen aan artikel 22 Rv geen rechten ontlenen, in de zin zoals artikel 843a Rv bedoeld is. Wat wel voor komt is het verzoek van partijen in de processtukken aan de rechtbank, om in het kader van artikel 22 Rv in het geding brengen van bepaalde stukken te eisen. Het blijft te allen tijde een discretionaire bevoegdheid van de rechter of dit verzoek ingewilligd wordt (Hof Arnhem-Leeuwarden 29 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014;6079).
Jurisprudentie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant,18 juli 2018, niet gepubliceerd (E. vs. M.): r.o. 3.55: E. baseert zijn vordering ten tweede op artikel 22 Rv. Dit artikel bepaalt — voor zover voor deze zaak van belang — dat de rechter in alle gevallen en in elke stand van de procedure een partij kan bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. De stukken die E. op het oog heeft, hebben geen betrekking op de vorderingen die de rechtbank in de huidige zaak dient te beoordelen. Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-07-2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2997: r.o. 6.5.3.9: [geïntimeerde] heeft betwist dat de van [ex-partner] geleende gelden zich nog op (een van) haar bankrekening(en) bevinden. Zij stelt dat deze gelden “op” zijn, maar zij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Nu het, zoals blijkt uit de vordering in incident, gaat om bankrekeningen die enkel op naam van [geïntimeerde] staan, had het op haar weg gelegen deze stelling nader te onderbouwen aan de hand van bankrekening overzichten. [appellant] q.q. was hiertoe immers niet in staat. Het hof zal gelet op het voorgaande op grond van het bepaalde in art. 22 Rv [geïntimeerde] (ambtshalve) bevelen de volgende bescheiden over te leggen ….. Voor zover [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft, kan het hof daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
Vorderen
Artikel 843a Rv gaat in het eerste lid uit van “vorderen” van inzage, afschrift of uittreksel van de bedoelde bescheiden. Dat impliceert dat de bescheiden alleen opgevraagd kunnen worden in een dagvaardingsprocedure. Het is bepleitbaar dat ook in een verzoekschrift procedure de “vordering” ex artikel 843a Rv ingesteld kan worden.
Jurisprudentie
Rechtbank Noord-Holland 30 juni 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:5889: r.o. 3.8: De rechtbank oordeelt dat het bij verzoekschrift ingestelde verzoek ex artikel 843a Rv ontvangen kan worden. Hiertoe is het volgende redengevend. In de literatuur wordt wisselend gedacht over de vraag of een 843a-verzoek alleen bij dagvaarding of ook bij verzoekschrift kan worden ingesteld. Van doorslaggevende betekenis acht de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533). Hierin wordt geoordeeld dat artikel 223 Rv analogisch van toepassing is in verzoekschriftprocedures. Net als in de bepaling van artikel 843a Rv, wordt in deze bepaling de term ‘vorderen’ gebezigd. Blijkens het arrest heeft dit enkele feit niet in de weg gestaan aan overeenkomstige toepassing van de bepaling op verzoekschriftprocedures. Daarbij is overwogen dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet tegen die toepassing verzetten. De rechtbank oordeelt dat dit laatste eens te meer geldt voor de bepaling van artikel 843a Rv. Waar artikel 223 Rv staat in het deel van Rv dat expliciet handelt over de dagvaardingsprocedure, staat artikel 843a Rv in de afdeling voor “Enige bijzondere rechtsplegingen”, zodat eens te minder reden bestaat aan te nemen dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid uit te sluiten om een vordering ex artikel 843a Rv bij verzoekschrift in te stellen.
Kort geding
Een vordering ex artikel 843a Rv kan als incident in een lopende bodemprocedure ingesteld worden. Een beroep op artikel 223 Rv, wat voorziet in voorlopige voorzieningen tijdens een lopende bodemprocedure, voor het krijgen van inzage, afgifte of uittreksel van bepaalde bescheiden, zal worden afgewezen. Het bevel tot inzage heeft naar haar aard een definitief karakter en kan daarom niet gelden voor alleen de duur van het geding (vgl. Rb Midden-Nederland 17 december 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6832). Het is wel mogelijk een vordering ex artikel 843a Rv in te stellen in een afzonderlijk kort geding, zelfs als over de hoofdzaak al een bodemprocedure loopt. Natuurlijk spelen ook daar argumenten als onomkeerbaarheid van de vordering, wat zal leiden tot terughoudendheid. Daarom is het in kort geding meer nog dan in een bodemprocedure dat de vordering concreet, voldoende bepaalbaar en toegespitst wordt geformuleerd.
Jurisprudentie
Rechtbank Gelderland, 05-07-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2828: r.o. 3.1: [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter Thermen Bussloo veroordeelt over te gaan tot:
  1. het verstrekken van een afschrift aan [eiseres] van de NAW-gegevens inclusief de geboortedatum, het telefoonnummer en e-mailadres van de vrouwelijke medewerkster die ten tijde van het incident d.d. 21 december 2015 in Thermen Bussloo vrijwel direct ter plaatse kwam;
  2. het verstrekken van afschrift aan eiseres van de hierna sub 3.2 te noemen stukken dan wel dusdanige gegevens/bescheiden over een dusdanige periode als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
r.o 5.1: De rechtbank veroordeelt Thermen Bussloo om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis afschrift te verstrekken aan [eiseres] van: (i) de onderhoudshistorie (inclusief offertes, werkbonnen en facturen) van de whirlpool over de jaren 2015 en 2016; (ii)de geanonimiseerde ongevallenregistratie over de jaren 2015 en 2016. Vordering (gedeeltelijk) toegewezen. Rechtbank Amsterdam, 27-06-2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:4494: r.o. 3.1: Eiseres vordert: (4) GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij de minimumprijs ex paragraaf 3.7.2 van de aanbestedingsleidraad heeft bepaald; (5) GVB te gebieden, al dan niet op grond van artikel 843a Rv, om aan te tonen hoe zij – vanwege de door CAF bij haar inschrijving ingediende motivering – tot de conclusie is gekomen dat CAF haar inschrijving niet abnormaal laag was. r.o. 4.5: GVB heeft ter zitting toegelicht dat het richtbedrag van 134 miljoen euro hoofdzakelijk is bepaald naar aanleiding van informatie verkregen uit de marktconsultatie, die is gehouden voorafgaand aan de onderhavige aanbesteding. Zoals hiervoor is overwogen heeft zij op basis van de door CAF gegeven toelichting voorshands in redelijkheid kunnen concluderen dat geen sprake is van een abnormaal lage prijs. Anders dan Alstom stelt, rust op GVB geen verdergaande (motiverings)verplichting. GVB is ook niet verplicht aan te tonen hoe zij precies tot het richtbedrag van 134 miljoen euro is gekomen. Vordering afgewezen.
Conclusie
Ook in 2018 heeft artikel 843a Rv de gemoederen aardig bezig gehouden, zoals blijkt uit dit beknopte jurisprudentieoverzicht. De conclusie moet zijn dat een vordering het beste in een lopende bodemprocedure kan worden ingesteld en dat die toegespitst geformuleerd wordt, om uit de sfeer van een fishing expedition te blijven. Daarbij dient per inzage, afgifte of uittreksel voldoende concreet en bepaalbaar uitgelegd te worden wat het rechtmatige belang bij het verkrijgen er van is en zal de eiser uit moeten leggen op welke wijze hij/zij partij is bij de rechtsbetrekking waar het over gaat. In alle gevallen zal de rechter beoordelen of het toewijzen van de vordering noodzakelijk is om bewijs te kunnen leveren, of dat daar op andere wijze in kan worden voorzien. Het komt dus vooral aan op zorgvuldig formuleren aan de voorkant, om teleurstelling aan de achterkant te voorkomen.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 5 oktober 2018. [post_title] => De Exhibitieplicht van artikel 843a Rv [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-exhibitieplicht-van-artikel-843a-rv [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:12 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:12 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17104 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [5] => WP_Post Object ( [ID] => 17114 [post_author] => 7 [post_date] => 2018-06-15 16:15:27 [post_date_gmt] => 2018-06-15 14:15:27 [post_content] => In veel contracten komt een boeteclausule voor. Deze “stok achter de deur” is vaak nodig om de nakoming van een prestatie of het nalaten van een gedraging kracht bij te kunnen zetten. Kennelijk is het nodig een dergelijk dwangmiddel achter de hand te hebben als het vertrouwen ontbreekt als contractpartners zich vrijwillig aan de verplichtingen uit een overeenkomst zullen houden. Er moet een bepaalde dreiging uit gaan van een boetebeding en dat punitieve karakter maakt dat men wel twee keer nadenkt voor een contractuele verplichting wordt geschonden. In de praktijk wordt nog wel eens de denkfout gemaakt dat op contractschending überhaupt een boete staat, ook zonder contractueel beding. Dat is onjuist, omdat in een dergelijk geval grosso modo alleen de vordering tot nakoming of ontbinding met schadevergoeding open staat. De contractuele boete moet ook duidelijk onderscheiden worden van de dwangsom die door een rechter opgelegd wordt in een vonnis, strekkende tot nakoming van dat vonnis. In de kern hebben beide instrumenten dezelfde werking, zij het dat de contractuele boete lichter van variant is dan de dwangsom. Dat is ook niet voor niets, omdat het schenden van een rechterlijk vonnis ernstiger verondersteld wordt dan het schenden van een afspraak tussen private partijen. Daarom biedt de wettelijke regeling van de dwangsom (artikelen 611a t/m 611i Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) minder speelruimte dan de wettelijke regeling van de boete (artikelen 6:91 t/m 6:94 Burgerlijk Wetboek (BW)). Een belangrijk verschil komt tot uitdrukking in de mogelijkheid van matiging achteraf, waar ik verder in dit artikel nader op in zal gaan. De dwangsom is direct executabel, mits opgelegd in een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis. Dat is een boete niet, voor de executie daarvan zal eerst een titel verkregen moet worden. Een dwangsom kan niet worden opgelegd voor een vordering tot betaling van een geldsom, terwijl de niet nakoming van een verplichting tot betaling van een geldsom wel met een boete verzwaard kan worden. Dwangsommen die eenmaal verbeurd zijn, kunnen in een faillissement van de debiteur niet als vordering worden ingediend (artikel 611 e lid 2 Rv), terwijl de regeling van de contractuele boete daarin niet voorziet. Ook kan een dwangsom pas verbeurd worden nadat het vonnis waarin de dwangsom is opgelegd, betekend is aan de veroordeelde (artikel 611a lid 3 Rv) terwijl een boete verbeurd kan worden zonder betekening. Een eenmaal verbeurde dwangsom verjaart door verloop van zes maanden na de dag waarop ze verbeurd is (artikel 611g lid 1 Rv), terwijl de verjaring van de boete onderhevig is aan de algemene verjaringstermijn van vijf jaar vanaf de dag volgend op de dag waarmee de benadeelde zowel met de opeisbaarheid van de boete als met de aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW). Dit zijn enkele in het oog springende verschillen tussen een dwangsom en een boete, hoewel beide figuren hetzelfde karakter hebben en dezelfde werking beogen. Dwangsommen zullen over het algemeen redelijk geacht kunnen worden, omdat aan het opleggen ervan een rechterlijke toets vooraf is gegaan. Toch kan onder omstandigheden ook een door een rechter beoordeelde dwangsom onredelijk uitpakken. De wet biedt de mogelijkheid een opgelegde dwangsom te laten opheffen, opschorten of verminderen, vóór het moment dat de dwangsom verbeurd is door de rechter die haar opgelegd heeft (artikel 611d lid 1 Rv). Dat kan bijvoorbeeld indien een veroordeelde tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert aan de veroordeling te voldoen. Als een dwangsom eenmaal verbeurd is, kan de rechter niet meer vanwege die onmogelijkheid de dwangsom alsnog opheffen of verminderen (artikel 611d lid 2 Rv). Een eenmaal verbeurde dwangsom komt ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft en die kan de dwangsom executeren (artikel 611c Rv). Hoogstens kan de veroordeelde proberen in een kort geding tot schorsing van de executie de rechter te overtuigen dat door de executie van de dwangsommen misbruik van recht gemaakt wordt, maar daarmee gaan voorzieningenrechters terughoudend om. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen laat niet toe dat een pseudo rechtsmiddel ontstaat door lichtvaardig met een executiegeschil tegen (de werking van) een veroordelend vonnis op te komen. Anders dan bij een dwangsom kan een verbeurde boete wel achteraf door een rechter worden gematigd. Omdat dit een van de belangrijkste verschillen is tussen een verbeurde dwangsom en een verbeurde boete, is het zinvol verderop in dit artikel in te gaan op de mogelijkheid van de rechterlijke matigingsbevoegdheid, voorafgegaan door een bredere uitwerking van de wettelijke regeling van de contractuele boete. Naast de functie van de boete als straf op het niet nakomen van contractuele verplichtingen, kan een boete ook gedefinieerd worden als een fixatie van schadevergoeding, in de vorm van een vast bedrag of afhankelijk van andere parameters. Boetebepalingen komen in veel contracten voor, te denken valt aan handelscontracten, huur- en onroerend goed contracten, managementovereenkomsten en arbeidscontracten. In beginsel is het overeenkomen van een boeteclausule vormvrij en dat zou in het uiterste geval zelfs mondeling kunnen, behoudens een wettelijk schriftelijkheidsvereiste, zoals bij arbeidsovereenkomsten (artikel 7:650 BW). Veel vaker wordt een boetebeding opgenomen in algemene voorwaarden. Dat is mogelijk omdat het boetebeding als zodanig niet verboden is op grond van de artikelen 6:236/237 BW. Een boetebeding in algemene voorwaarden sneuvelt alleen als het door een rechter als onredelijk bezwarend beoordeeld wordt op grond van artikel 6:233 sub a BW. Hier is een onderscheid te maken tussen zakelijke transacties en consumententransacties. In zakelijke transacties kan een rechter een onredelijk bezwarend beding matigen, in consumententransacties vervalt een onredelijk bezwarend boetebeding in het geheel als het onredelijk bezwarend is (HvJ 14-6-2012, ECLI:EU:C:2012:349 en HvJ 30-5-2013, ECLI:EU:C:2013:341). Op 8 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2275) besliste de Hoge Raad over de vraag of twee naast elkaar in een overeenkomst opgenomen sancties ieder apart of gezamenlijk de toets van de richtlijn moeten kunnen doorstaan. In een huurovereenkomst had de verhuurder een verbod van onderverhuur opgenomen, verzwaard met een boete en het terugbetalen van de met de illegale onderverhuur genoten winst. Deze cumulatieve sanctie werd door de kantonrechter richtlijn conform getoetst aan artikel 6:233a BW, die de combinatie onredelijk bezwarend oordeelde. Het hof vernietigde. In cassatie kwam de vraag aan de orde of elk van de sancties apart moet worden beoordeeld, of dat de combinatie van sancties moet worden beoordeeld. Met verwijzing naar het Radlinger arrest van het Europese hof (HvJEU 21-4-2016, C-377/14) oordeelde de Hoge Raad dat gekeken moet worden naar het gezamenlijke effect van de opgelegde maatregelen en dat de rechter dus moet beoordelen of dit gezamenlijke effect onredelijk bezwarend is in de zin van de richtlijn. De wettelijke regeling van het boetebeding ligt vast in de artikelen 6:91 t/m 94 BW. Deze artikelen zijn van regelend recht, wat inhoudt dat partijen daar in een overeenkomst van af mogen wijken. De enige uitzondering hierop is de rechterlijke matigingsbevoegdheid van artikel 6:94 lid 1. Voordat een boete kan worden opgeëist is een voorafgaande ingebrekestelling noodzakelijk (artikel 6:93 BW). In beginsel is boete alleen verschuldigd bij toerekenbare niet-nakoming, tenzij partijen ook andere omstandigheden overeen gekomen zijn waarin een boete verbeurd wordt. Hoewel de wet een voorafgaande ingebrekestelling verplicht stelt, komt in veel contracten de toevoeging voor: “…. verbeurt de nalatige partij een direct opeisbare boete, zonder dat daarvoor een voorafgaande ingebrekestelling nodig is”. Dit is een rechtsgeldige afwijking van de wettelijke regel. Aanmaning of in gebreke stelling kan überhaupt achterwege blijven als de nakoming van de hoofdverbintenis blijvend onmogelijk geworden is (HR 22-7-2007, NJ 2007-343), maar voor het vorderen van wettelijke rente over de boete is weer wel een aanmaning vereist (HR 5-9-2008, NJ 2010-272). Artikel 6:92 lid 1 BW regelt dat geen nakoming van zowel het boetebeding gevorderd kan worden als nakoming van de hoofdverbintenis waaraan het boetebeding verbonden is. Dit is anders als de boete enkel op vertraging in de nakoming van verbintenissen gesteld is. Dit komt vaak voor in bouwcontracten met een uiterste opleverdatum of in handelscontracten met een uiterste leveringsdatum. De boete wordt dan verbeurd bij het enkele overschrijden van die fatale termijn, ook al wordt daarna de hoofdverbintenis alsnog perfect uitgevoerd. Lid 2 van artikel 92 regelt dat boete in beginsel de wettelijke schadevergoeding vervangt. Hiervan wordt in vrijwel alle contracten afgeweken door een aanvulling op te nemen: “… kan de schuldeiser een boete vorderen, onverminderd het recht volledige schadevergoeding te vorderen op grond van de wet of uit welke andere hoofde dan ook”. Deze kunnen in dat geval naast elkaar gevorderd worden (artikel 6:94 lid 2 BW). Mits juist geformuleerd kan op grond van het boetebeding dus boete gevorderd worden, met behoud van alle overige vorderingen die een schuldeiser op grond van het contract en de wet heeft, zoals nakoming van de hoofdverbintenis en ontbinding van de overeenkomst. Dat een juiste formulering vereist is, blijkt wel uit het arrest X/Goed Vast Goed (HR 7-2-2014, ECLI:NL:HR:2014:259). De Hoge Raad sanctioneerde in dit arrest de onzorgvuldige formulering van Goed Vast Goed, dat zij recht heeft op schadevergoeding voor zover haar schade de contractuele boete te boven zou gaan. In met name oudere contracten komt nog wel eens de toevoeging voor: “… een niet voor rechterlijke matiging vatbare boete …”. Deze bepaling is nietig op grond van artikel 6:94 lid 3 BW en dus zinloos om op te nemen in een contract. Dit is het enige deel van de regeling dat dwingendrechtelijk is voorgeschreven. De rechter kan te allen tijde een boetebeding, maar ook achteraf een eenmaal verbeurde boete matigen “indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist” (artikel 6:94 lid 1 BW). Onder omstandigheden kan in het algemeen het vorderen van een overeengekomen boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (HR 17-12-2004, NJ 2005-271) maar artikel 6:94 lid 1 geeft een eigen matigingsmogelijkheid. Die kan overigens niet ambtshalve toegepast worden, partijen moeten daar een beroep op doen. De uitleg daarvan leidt soms tot interpretatieproblemen, zoals ook in het arrest X/Stichting Trudo (HR 26-2-2016, ECLI:NL:HR:2016:340). Hierin had een huurder illegaal onderverhuurd en een boete verbeurd tegen de verhuurder Trudo. De verhuurder vorderde schadevergoeding en aanvullende boete. De kantonrechter toetste of het boetebeding in strijd was met Richtlijn 93/13/EEG, de Richtlijn oneerlijke bedingen. Daarop was door de huurder geen beroep gedaan. De kantonrechter oordeelde dat de richtlijn van toepassing was en veroordeelde de huurder tot betaling van schadevergoeding en de boete. In appel vorderde de huurder vernietiging van het vonnis en deed alsnog een beroep op matiging, zonder grief tegen het oordeel dat het boetebeding niet onredelijk bezwarend was in de zin van de richtlijn. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter omdat Trudo zelf de boete al aanzienlijk gematigd had. In cassatie klaagt de huurder dat het hof niet ambtshalve de onredelijkheid van het boetebeding getoetst heeft aan de richtlijn, hoewel daar geen grief tegen gericht was. De Hoge Raad oordeelt dat de bepalingen van de richtlijn van openbare orde zijn en dat het hof ze dus ook buiten het “door de grieven ontsloten gebied” moet toepassen, met dien verstande dat hij de “grenzen van de rechtsstrijd” dient te respecteren. Omdat de huurder vernietiging van het vonnis gevorderd had viel de discussie over de boete weliswaar buiten het door de grieven ontsloten gebied, maar wel binnen de grenzen van de rechtsstrijd en dus had het hof ambtshalve moeten toetsen. Het criterium “indien de billijkheid dat klaarblijkelijk eist” uit artikel 6:94 lid 1 BW duidt op terughoudendheid van de rechter bij het toepassen van de matigingsbevoegdheid. Niet voor niets zijn partijen een boete overeengekomen en de contractsvrijheid is een krachtig beginsel: Pacta Sunt Servanda. Natuurlijk zijn er voorbeelden denkbaar dat het vorderen van een boete tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt, wat noopt tot rechterlijk ingrijpen (HR 27-4-2007, NJ 2007-272: Intrahof/Bart Smit). Alle omstandigheden van het concrete geval zullen door de rechter in ogenschouw worden genomen bij het nemen van een dergelijke beslissing. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen, aldus de Hoge Raad. Onlangs, op 16 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:207, ook aangehaald door Van Rossum in JutD 2018-0052) oordeelde de Hoge Raad opnieuw over het criterium van artikel 6:94 BW, in de kwestie van Turan tegen Easystaff (voorheen Cardan Payroll), een uitspraak die vraagt om een nadere uitwerking omdat daarin de criteria uit het standaard arrest Intrahof/Bart Smit tegen het licht worden gehouden, maar ook omdat de Hoge Raad hier het oordeel van de A-G Hartlief niet gevolgd heeft. Het ging in deze kwestie om twee professionele partijen, die geacht worden de strekking van het boetebeding te begrijpen. Turan is een uitzendbureau en Easystaff is een payrollingbedijf. In de samenwerkingsovereenkomst is een exclusiviteitsclausule met een boetebeding opgenomen. Turan meent op enig moment dat Easystaff dat beding geschonden heeft en dat ze boetes verbeurd heeft tot een bedrag van € 1.230.000,-. In de procedure die daarover volgde matigde de rechtbank dat bedrag tot € 26.500,- en het hof tot € 21.150,-. In cassatie klaagde Turan over de toepassing door het hof van de tot terughoudendheid nopende maatstaf van artikel 6:94 en over de motivering van de beslissing van het hof. In r.o. 3.4.3 oordeelt de Hoge Raad dat het hof de maatstaf van artikel 6:94 niet heeft miskend, onder verwijzing naar het in r.o 3.4.2. overwogene. Voor het overige toetst de Hoge Raad het oordeel van het hof niet, “verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard”. De Hoge Raad volgt dus het hof en verwerpt het cassatieberoep, op de gronden waarop het hof geoordeeld had dat zich geen situatie had voorgedaan die leidde tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Het hof had belang gehecht aan de volgende omstandigheden:
  • Turan (voorheen Protec) had zelf de overeenkomst opgesteld, had de hoogte van de boetes bepaald en daarover was niet onderhandeld;
  • Turan had niet aangegeven op grond waarvan zij de wel erg hoge boetes had bepaald;
  • De verbeurde boetes zijn buitensporig hoog in verhouding tot de werkelijk geleden schade;
  • De overtredingen door Easystaff betreffen slechts enkele incidenten die in het begin van de contractperiode hebben plaats gevonden en sindsdien hebben geen nieuwe overtredingen plaats gevonden;
  • De bedoeling van de overeenkomst is om Turan te beschermen tegen concurrentie en dat de beboete handelingen niet tot verlies van klanten hebben geleid.
De A-G Hartlief had in een uitgebreide conclusie[1] betoogd dat het arrest van het hof onvoldoende blijk had gegeven van een weging van het geheel van de relevante omstandigheden, in onderling verband beschouwd. Hij meent dat gezien de ratio van de hoge eisen die aan de motivering van een matiging van een boete kunnen worden gesteld, een degelijke weging van alle omstandigheden wel kan worden verlangd. Ook meent de A-G dat de motivering van het oordeel van hof de toets der kritiek niet kan doorstaan en dat om die reden een van de daartegen gerichte klachten terecht is voorgesteld. Zo niet de Hoge Raad die tot een ander oordeel kwam. Alles overziende kan de conclusie geen andere zijn dan dat het in contracten zaak is aandacht te besteden aan de formulering van het boetebeding en de plaats en functie die het in een contract heeft. Over het algemeen zullen partijen een punitief karakter beogen en het is wrang als door onzorgvuldigheid een wederpartij aan een boete kan ontkomen. Wat altijd in ogenschouw moet worden genomen is de matigingsbevoegdheid van de rechter. Een boete is opeisbaar als die verbeurd is, en voor de executie ervan kan een titel van de rechter gekregen worden. Natuurlijk doet een beklaagde er verstandig aan niet alleen de verschuldigdheid van de boete, maar ook de hoogte ervan te betwisten. In dat geval komt het er op aan dat de beklaagde feiten en omstandigheden aandraagt en die ook bewijst, waarop de rechter het oordeel kan baseren dat de boete zoals die gevorderd wordt, leidt tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Alleen dan kan bepleit worden dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete gematigd wordt. Welke feiten en omstandigheden dat zijn is niet in één zin te vangen. De jurisprudentie daarover is casuïstisch. Gezond verstand en een goed ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid kunnen helpen. [1] De conclusie van de A-G is alleen al het lezen waard omdat deze vol staat van verwijzingen die een uitstekende aanvulling zijn op de inhoud van dit artikel.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 25 mei 2018. [post_title] => Boete [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => boete [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:39 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:39 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17114 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [6] => WP_Post Object ( [ID] => 12094 [post_author] => 7 [post_date] => 2018-04-19 09:06:49 [post_date_gmt] => 2018-04-19 07:06:49 [post_content] => Omstreeks 2009 kwamen de eerste Bitcoins in omloop. Aanvankelijk werd deze cryptovaluta gedolven in peer-to-peer verband door op internet blockchains van transacties op te zetten in een open source. Deze blockchains zijn voor elke deelnemer toegankelijk en volledig transparant en toch onttrekt deze handel in valuta zich aan overheidstoezicht. Dat maakt deze onderlinge handel interessant voor criminele activiteiten en zo is op darkweb alles te koop in Bitcoin wat de wet verbiedt. Of het nu gaat om wapens, drugs, gokken of witwassen, sodom en gomorra zijn er heilig bij. Van 2009 tot 2016 zijn 100 miljoen transacties in Bitcoin geregistreerd, van 2016 tot 2018 is dat aantal al gestegen tot 300 miljoen. Het valt dus niet te ontkennen dat Bitcoin, maar ook andere cryptovaluta’s enorm aan populariteit winnen, niet in de laatste plaats door de enorme waarde-explosie die zich in de afgelopen jaren heeft afgetekend. Die toename van waarde heeft een groot aantal speculanten aangetrokken en niet alleen uit crimineel milieu. Cryptovaluta is populair geworden bij een groter publiek en de gelukkigen zij daarmee zelfs miljonair geworden. Het is evident dat onze samenleving verder digitaliseert en we staan aan de vooravond van de derde stroming automatisering die artificial intelligence heet. Het is dus niet intelligent om cryptovaluta nog langer te demoniseren als “het geld van de onderwereld”. Het zal niet lang meer duren voor crytogeld een geduchte concurrent is van de meer “wereldse” valuta, zonder dat de wereld daar nog banken en overheden voor nodig heeft. In dat licht is het dus ook geen gekke gedachte dat Bitcoins een plaats krijgen in een juridisch landschap om te kunnen bepalen hoe daar in situaties mee om te moeten gaan. Toch is de juridische duiding van Bitcoins niet eenvoudig en nog niet volledig uitgekristalliseerd. Enkele voorbeelden. Op 31 januari 2012 liet de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2012:BQ9251) zich in een strafzaak uit over de vraag of een virtueel amulet en masker in het spel Runescape aangemerkt kunnen worden als een “goed” in de zin van artikel 310 Sr. De verdachte had zich onder andere verweerd met de stelling dat de “goederen” uit het spel slechts bestaan uit bits en bytes en om die reden niet als zodanig kwalificeren. De Hoge Raad kwam tot de conclusie dat de in het spel opgebouwde bezittingen reële waarde hebben, die kunnen worden afgenomen en door inspanning en tijdsinvestering zijn verworven of zijn te verwerven. Bovendien had de bezitter over deze waarden de feitelijke en exclusieve heerschappij. Deze elementen maakten dat de virtuele waarden volgens de Hoge Raad kwalificeren als “goed” in de zin van artikel 310 Sr. De aangelegde criteria lijken één op één te passen op de bezittingen in Bitcoins die een houder in zijn “wallet” kan hebben. In de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 22 oktober 2015 (C-264/15; Hedqvist) stond de vraag centraal of de bemiddeling bij het omwisselen van Bitcoins in Zweedse Kronen aangemerkt wordt als een met BTW belaste transactie. Het ging over de uitleg van de artikelen 2, lid 1 en 135, lid 1 van de BTW richtlijn 2006/112/EG. Het oordeel luidde dat het hier ging om het verlenen van een dienst onder bezwarende titel, die een van BTW vrijgestelde handeling vormt. Dat komt volgens het Hof omdat het verhandelen van Bitcoins geen handel is in een “goed” in de zin van de richtlijn (artikel 2) maar het leveren van een dienst, die bovendien vrijgesteld is van BTW heffing (artikel 135) omdat “…de handelingen betreffende niet traditionele valuta’s, dat wil zeggen andere dan de munten die in een of meerdere landen het wettelijke betaalmiddel vormen, voor zover deze valuta’s door de partijen bij een transactie zijn aanvaard als alternatief betaalmiddel op de wettelijke betaalmiddelen en geen ander doel hebben dan te worden gebruikt als betaalmiddel, financiële handelingen vormen.”  Volgens het Hof zou binnen de context en de doelstelling van artikel 135, lid 1, sub e, deze bepaling worden uitgehold als ze alleen gericht zou zijn op handelingen die betrekking hebben op traditionele valuta’s. Omdat vast staat dat Bitcoins enkel tot doel hebben te dienen als betaalmiddel en door partijen daarbij als zodanig worden geaccepteerd, meent het Hof dat de handel in Bitcoins gelijk gesteld moet worden met de handel in reguliere valuta’s. Rechtvaardigt dit de conclusie dat Bitcoins dus als geld kunnen worden gezien in de zin van artikel 6:112 BW en 6:114 BW? Deze vraag lag voor bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 mei 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:4219). In die zaak hadden koper en verkoper een overeenkomst gesloten voor de levering van een aantal Bitcoins tegen een afgesproken prijs, welke afspraak door verkoper niet werd nagekomen. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat Bitcoins niet kunnen worden gezien als geld in de zin van afdeling 6.1.11 BW, maar kwalificeren als ruilmiddel. Volgens de rechtbank kan de Bitcoin niet dienen ter voldoening van een verplichting tot betaling van een geldsom en dient een vordering met als grondslag artikel 6:125 BW te stranden. De verkoper is slecht schadeplichtig op grond van 6:74 BW wegens niet nakoming. Omdat koper de overeenkomst wegens niet nakoming inmiddels had ontbonden vorderde die in hoger beroep een schadevergoeding anders dan in geld, namelijk door het alsnog leveren van de resterende Bitcoins. Dit deel wijst het Hof af omdat de schade eenvoudig in geld uit te drukken is. De subsidiaire vordering voor schadevergoeding met een beroep op artikel 6:125 BW wijst het Hof ook af omdat het Hof van mening is dat dit artikel geen betrekking heeft op waarde schommelingen van gekochte maar niet geleverde goederen. Ook als kapstok kan het artikel geen dienst doen omdat het ziet op vertraging in de nakoming van een verplichting tot betaling van een geldsom. Nu het artikel niet kan dienen als grondslag voor de vordering, meent het hof dat om die reden niet onderzocht hoeft te worden of Bitcoins als geld in de zin van artikel 6:112 of 6:114 BW zijn aan te merken. Een gemiste kans. Uit lagere en meer recente rechtspraak is wellicht een indicatie af te leiden over het antwoord op de vraag of Bitcoins geld zijn. De rechtbank Midden-Nederland deed uitspraak op 7 december 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:6646) in een zaak waarin eiser levering van een aantal computers met de daarop geminede Ethers (een kleine broer van Bitcoins) eiste. De rechtbank wees die vordering toe en moest oordelen over de vraag of op afgifte van de Ethers een dwangsom kon worden gesteld op grond van artikel 611a Rv. Op de betaling van een geldsom kan immers geen dwangsom gesteld worden, op het leveren van goederen wel. De rechtbank zocht voor de beantwoording van die vraag aansluiting bij de Hedqvist uitspraak van het Europese Hof uit 2015 en concludeerde dat de Ethers niet hoofdzakelijk werden gebruikt als betaalmiddel en met dat doel door sommige marktdeelnemers worden geaccepteerd. Daarom vond de rechtbank de Ethers geen geld in de zin van afdeling 6.1.11 BW en wees de vordering tot het verbeuren van dwangsommen toe. Bitcoins duiken ook op in een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:869). In januari 2018 is KOINZ veroordeeld tot betaling van de miningopbrengst van een aantal Bitcoins op verbeurte van een dwangsom. Daaraan voldoet KOINZ niet en daarom vraagt eiser het faillissement aan. Voor het aanvragen van het faillissement moet eiser een verifieerbare vordering te hebben. De rechtbank kwalificeert Bitcoins als op zich staande waarde-bestanden, die bij een betaling rechtstreeks door de betaler aan de begunstigde worden geleverd. Hieruit volgt dat een Bitcoin een waarde vertegenwoordigt en overdraagbaar is. De rechtbank meent dat een Bitcoin hiermee kenmerken vertoont van een vermogensrecht en dat een betaling in Bitcoin dus te beschouwen is als een vordering die voor verificatie in aanmerking komt. De vordering van eiser op KOINZ is bovendien een verbintenis die strekt tot betaling in Bitcoins waaraan KOINZ niet heeft voldaan. Van een vorderingsrecht is dus summierlijk gebleken, aldus de rechtbank. Vervolgens constateert de rechtbank dat de term “betalen” niet alleen ziet op het betalen van een geldvordering, maar meer algemeen op voldoening aan een verbintenis. Omdat KOINZ de verbintenis aan eiser niet heeft voldaan en er steunvorderingen zijn, concludeert de rechtbank dat KOINZ verkeert in de toestand dat ze heeft opgehouden te betalen en verklaart KOINZ failliet. Deze laatste overweging van de rechtbank komt verraderlijk dicht bij het gebruiken van cryptovaluta als betaalmiddel, die met dat doel door marktdeelnemers worden geaccepteerd. Zouden Bitcoins dan toch kunnen kwalificeren als geld? Voorlopig moet de conclusie zijn dat de rechtspraak verdeeld is. En dat kan ook niet anders. De rechtspraak heeft de taak ontwikkelingen in de maatschappij juridisch te duiden en in te passen in rechtsfiguren die voortkomen uit wetten, richtlijnen, verdragen en andere bronnen die recht scheppen. Zo lang die wetten e.d. niet aangepast worden aan maatschappelijke veranderingen, die bovendien ontwikkelen met de snelheid van het licht, dan is het niet zo raar dat die juridische duiding soms mank gaat en achter actualiteiten aan loopt. Afdeling 6.1.11 BW stamt uit 1992, toen de eerste stroming automatisering met de opkomst van de PC nog moest beginnen. En in dat juridische landschap moeten nu Bitcoins ingebed worden, wat bijna onmogelijk is. De enige oplossing is dat de wet aangepast wordt, waarin de maatschappelijke ontwikkeling van cryptovaluta een eigen plaats krijgt. Niet dat de wet aangepast moet worden voor elke internet-gril, maar Bitcoins en andere cryptovaluta zijn dat stadium inmiddels voorbij. Deze betaalmiddelen nemen in rap tempo klassiek betalingsverkeer over, zonder dat banken en overheden daar nog veel van kunnen vinden. Dat is maatschappelijk te belangrijk en het verdient daarom meer rechtszekerheid dan een versnipperde rechtspraak.                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 13 april 2018. [post_title] => Zijn Bitcoins geld? [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => zijn-bitcoins-geld [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:44 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:44 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=12094 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [7] => WP_Post Object ( [ID] => 11676 [post_author] => 7 [post_date] => 2017-10-23 14:50:10 [post_date_gmt] => 2017-10-23 12:50:10 [post_content] =>
De term "burenrecht" roept onwillekeurig een associatie op met De Rijdende Rechter en elkaar om futiliteiten in het haar vliegende particulieren. Toch is die conclusie niet geheel terecht. Ook voor ondernemers kan hinder van buren serieuze proporties aannemen en tot hoge schade leiden. Het burenrecht staat dan ineens in een ander daglicht en naarmate de financiële belangen oplopen, neemt ook het besef toe dat deze osmose tussen zakenrecht en verbintenissenrecht serieus genomen moet worden. In deze bijdrage zal ik een recente uitspraak van de Hoge Raad centraal stellen, waarin is uitgemaakt dat het verkeren in een rechtmatige situatie, toch kan leiden tot het onrechtmatig toebrengen van hinder. Ik zal ter adstructie van de grote belangen twee voorbeelden van dergelijke situaties bespreken. Het onderwerp zal ik inbedden in een beschouwing over de jurisprudentie op dit gebied en de ontwikkelingen daarin. De conclusie zal zijn dat niet elke vorm van overlast als hinder aan te merken valt en dat niet elke vorm van hinder onrechtmatig is. De omstandigheden van elk concreet geval zijn bepalend voor deze afweging. Op 16 juni 2017 wees de Hoge Raad arrest in een kwestie waarin stankoverlast werd toegebracht door een pluimveebedrijf aan een nabij gelegen park met recreatiewoningen.1 In Groesbeek werd door appellanten een pluimveebedrijf geëxploiteerd tussen 2002 en 2008. De gemeente verleende bij herhaling vergunningen, die telkens werden vernietigd maar de gemeente gedoogde gedurende zeker periodes het bedrijf. In dezelfde periode lag in de buurt van het pluimveebedrijf het villapark "De Zeven Heuvelen". De eigenaren van de recreatiewoningen hadden al die jaren hinder ondervonden van de stank van het pluimveebedrijf en vorderden in een procedure een verklaring voor recht dat al die jaren de hinder onrechtmatig was en dat ze recht hebben op schadevergoeding, die bestond uit de verminderde huurwaarde van de recreatiewoningen tussen 2002 en 2008. De rechtbank wees de vorderingen grotendeels toe en ook het gerechtshof bekrachtigde grotendeels dat vonnis. Het hof moest voor zijn uitspraak wel aansluiting zoeken bij een rapport van de zijde van verweerders op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), die pas op 1 januari 2007 in werking was getreden. Op basis daarvan kon het hof de stankoverlast als "onaangenaam tot zeer onaangenaam" kwalificeren. Hier klaagden de exploitanten van het pluimveebedrijf natuurlijk over in cassatie, omdat ze meenden dat de onrechtmatige situatie op grond van de Wgv pas kon ingaan op 1 januari 2007, omdat anders impliciet terugwerkende kracht gegeven zou worden aan de wet. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de exploitanten en betrekt in zijn oordeel de wettelijke regeling van artikel 5:37 BW en de daarover gewezen arresten. Volgens de Hoge Raad is voor de vraag of in deze situatie sprake was van onrechtmatige geurhinder niet zonder meer bepalend of werd voldaan aan de destijds geldende publiekrechtelijke regelgeving. Mede omdat de voordien geldende beleidsregels geen bruikbare milieutechnische inzichten boden voor de vaststelling van het geurhinderniveau, heeft het hof in dit geval 'inspiratie geput' uit de maatstaven van de Wgv. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn op art. 5:37 BW gegronde oordeel te baseren op een rapport waarin het feitelijke geurhinderniveau was berekend naar objectieve maatstaven volgens recente inzichten. Eerder in 1972 maakte de Hoge Raad al uit dat het antwoord op de vraag of en in hoeverre een door de overheid verstrekte vergunning invloed heeft op de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van degene die overeenkomstig die vergunning handelt, maar daarbij schade of hinder toebrengt aan anderen, afhangt van de aard van de vergunning en het belang dat wordt nagestreefd met de regeling waarop de vergunning berust, alles in verband met de omstandigheden van het geval2. Daarbij geldt wel dat de vergunninghouder er in het algemeen van uit mag gaan dat hij de aan hem verleende vergunning mag gebruiken voor het doel waarvoor die is verstrekt.3 Het blijft dus uitkijken, zo veel maakt het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2017 wel duidelijk. Hoewel voldaan is aan publiekrechtelijke regelgeving in een bepaalde periode, kan latere wetgeving een zodanige invulling geven aan het begrip hinder, dat die hinder onrechtmatig is over een ruimere periode. Dit vraagt om een nadere beschouwing van de begrippen hinder en onrechtmatig. Daarvoor zal ik aanhaken bij twee voorbeelden uit de praktijk, die duidelijk maken welke omstandigheden tot hinder kunnen leiden en met welke enorme belangen dat gepaard kan gaan. De eerste situatie doet zich voor op een bedrijventerrein waar een modestylist al sinds 2006 een atelier heeft met een showroom voor zeer exclusieve avondkleding. Het bedrijfspand ligt in een rij van 10 gelijke panden. Dit pand is van het buurpand gescheiden door een muur van kalkzandsteen. Zo lang de styliste haar bedrijf voert, heeft ze geen last van haar buurman, die in het buurpand een bedrijf heeft voor de verwerking van groente. Als die buurman het pand verlaat, vestigt zich een bedrijf dat zich bezig houdt met de productie van voer voor katten en honden. Voor dit productieproces wordt een verhoogde vloer aangelegd met een put voor de afvoer van water, omdat de productieruimte elke dag schoon gespoten moet worden. Kort na de vestiging van het nieuwe bedrijf krijgt de styliste last van een erg vervelende geur van rottend vlees dat voortgebracht wordt door het vleesverwerkende bedrijf en dat in haar bedrijfsruimte door dringt. De stank is zo indringend, dat klanten die haar showroom bezoeken direct te kennen geven deze situatie zeer onaangenaam te vinden. Daar komt na korte tijd nog bij dat door de muur water de showroom binnen dringt dat ook naar rottend vlees stinkt. De styliste beklaagt zich hierover bij de buren, maar bij herhaling blijft het water door de muur heen dringen en ontstaan schimmelplekken en roest op de stalen delen. Hoe zeer de veroorzaker dit probleem ook probeert op te lossen met deskundigen, onderzoeken en diverse kleine ingrepen, de oorzaak wordt niet weggenomen. De situatie is uiteindelijk zodanig dat de styliste haar bedrijf niet meer kan uitoefenen zoals ze normaal gewend was en dus niet meer het vrije genot van haar bedrijfspand heeft. Zij derft zeer aanzienlijke inkomsten en vreest dat haar pand onverkoopbaar wordt. Uiteindelijk zal de voorzieningenrechter er aan te pas komen om een voorlopige voorziening te geven om verdere inbreuken te staken. In dat geding staat de vraag centraal of de overlast kwalificeert als hinder in de zin van artikel 5:37 BW, of die onrechtmatig is en of een voorziening gerechtvaardigd is. Een ander voorbeeld doet zich voor in de binnenstad van een grote gemeente. Daar woont een man op leeftijd al meer dan twintig jaar in een woning tegenover een parkeerterrein dat grenst aan de achterzijde van een kantoorgebouw. De auto's die van dat parkeerterrein gebruik maken rijden dat terrein op en af via een in-/uitrit die ongeveer dertig meter verderop gelegen is. Het parkeerterrein grenst ook aan de achterzijde van een gebouw dat aangekocht wordt door een ondernemer die daarin een centrum voor dagbesteding van gehandicapten wil vestigen. Deze ondernemer koopt tegelijk met het pand ook het parkeerterrein, en wil dat deels ten behoeve van de eigen bezoekers gaan gebruiken. Een ander deel van het terrein wordt afgesplitst en doorverkocht aan een bedrijf in de directe omgeving. De oude ingang blijft op het deel dat aan de nieuwe eigenaar verkocht is, en de koper van het bedrijfspand legt een nieuwe in-/uitrit aan op eigen terrein. Daarvoor heeft de ondernemer geen vergunning nodig, een melding bij de gemeente volstaat volgens de APV. Die melding wordt correct gedaan en de gemeente keurt de aanleg van de nieuwe in-/uitrit goed. Nadat die is aangelegd klaagt de eerder genoemde bewoner van het huis dat pal tegenover de nieuwe in-/uitrit ligt over lichthinder van auto's die met koplampen bij hem naar binnen schijnen bij het verlaten van het parkeerterrein. De man meent dat hij woongenot derft en vordert in een procedure dat de in-/uitrit verlegd wordt naar de andere zijde van het terrein op verbeurte van dwangsommen. De ondernemer verzet zich omdat de keuze voor de ligging van de in-/uitrit niet willekeurig was. Op termijn mag hij op het parkeerterrein namelijk woningen bouwen en dan heeft hij de in-/uitrit op deze plek nodig om via een strook toegang te kunnen blijven houden tot de achterkant van zijn bedrijfspand. Als de in-/uitrit verlegd zou moeten worden, zal de woningbouw in de toekomst niet door kunnen gaan en daarmee leidt de ondernemer een enorme schade. Ook in de procedure die hierover gevoerd wordt staat dezelfde vraag centraal. Deze voorbeelden maken duidelijk dat ondernemers in een hachelijke situatie kunnen komen als zich, hoewel sprake is van een volstrekt legale situatie, toch onrechtmatige hinder voor doet, die tot schade leidt, waarvan de belangen behoorlijk kunnen oplopen. De juridische grondslag voor onrechtmatige hinder is te vinden in artikel 5:37 BW, waarin verwezen wordt naar artikel 6:162 BW. Hier vermengt het zakenrecht van boek 5 BW zich dus met het verbintenissenrecht van boek 6 BW. Artikel 5:37 BW luidt: "Een eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun". De opsomming in dit artikel is niet limitatief, daar kan ook het veroorzaken van wateroverlast of lichthinder onder worden volstaan4. Onder "erf" moet worden verstaan iedere onroerende zaak, waaronder ook een gebouw zonder de grond moet worden begrepen5. Reeds om die reden is artikel 5:37 BW rechtstreeks van toepassing op de eigenaar van een gebouw. De aard en de inhoud van de rechten en verplichtingen die toekomen aan, dan wel rusten op een huurder/gebruiker, die op grond van een huurovereenkomst met de eigenaar bevoegd is tot het gebruik van het pand, kunnen in samenhang met de aard en de strekking van het burenrecht meebrengen dat bepalingen van burenrecht van overeenkomstige toepassing zijn op de gebruiker/niet-eigenaar6. Om die reden is artikel 5:37 ook van toepassing op de huurder/gebruiker. Dit geldt zowel voor het veroorzaken van hinder als voor het ondergaan van hinder. Door de Hoge Raad is in 1991 uitgemaakt: "De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt - daargelaten de betekenis van ter zake geldende specifieke wettelijke regels - af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor aangebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden"7, en dat is sindsdien vaste rechtspraak. Voorts is van belang of degene die hinder ervaart zich gevestigd heeft vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In dat laatste geval zal hij "een zekere mate van hinder" eerder hebben te dulden, maar in het eerste geval zeker niet8. Degene met de "oudste rechten" gaat dus voor. Per geval moet bezien worden of sprake is van hinder. Daarvoor moeten de vier door de Hoge Raad geformuleerde aspecten nagelopen worden. De aard van de hinder kan gelegen zijn in geluid, stank, licht, maar ook in water, explosiegevaar, brandgevaar, overlast van dieren en overhangende takken. Hinder moet wel voldoende ernstig zijn om als onrechtmatig gekwalificeerd te kunnen worden. In het algemeen wordt aanvaard dat enige vorm van hinder wel geduld moet worden, in een tolerante omgang met elkaar. Als hinder zich eenmalig voordoet kan bezwaarlijk van onrechtmatig handelen gesproken worden. Als hinder gedurende een langere periode aanhoudt, wordt eerder een onrechtmatige daad aangenomen. Voorts moet sprake zijn van schade, omdat de gedraging net als onrechtmatige daad kan kwalificeren. Artikel 5:37 BW noemt niet voor niets artikel 6:162 BW in, zodat ook aan de eisen van dat artikel moet worden voldaan. Daarnaast spelen als sluitstuk in de beoordeling van hinder de omstandigheden van het geval een rol, waarmee een rechter doorgaans alle kanten uit kan. Bij de beoordeling van de geleden schade wordt primair gekeken naar de materiële schade, gelegen in de normale vermogensschade zoals beschadigde goederen, gederfde winst, maar ook doordat de benadeelde een advocaat in heeft moeten schakelen, om de problemen op te lossen. Hiermee is aan het conditio-sine-qua-non-vereiste voldaan. De kosten die gemaakt zijn, moeten redelijk en in redelijkheid gemaakt zijn en in een zodanig verband met de onrechtmatige gedragingen staan dat ze aan de veroorzaker kunnen worden toegerekend. Daarmee zijn de gemaakte advocaatkosten als schade toewijsbaar, los van de vraag of uiteindelijk de schade ten gronde komt vast te staan.9 Daarnaast kan onder omstandigheden ook gekeken worden naar immateriële schade bijvoorbeeld omdat een benadeelde continue in angst leeft dat de overlast zich op een onverwacht moment zal realiseren.10 Een rechtsingang die dicht tegen onrechtmatige hinder op grond van 5:37 BW aan ligt is misbruik van recht. Artikel 3:13 lid 2 BW regelt: "Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij verleend is of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen." Dit artikel regelt de belangenafweging die noodzakelijk is, wil gebruik van een recht niet als misbruik van recht (3:13 lid 1 BW) aangeduid kunnen worden. de eerste twee gronden voor misbruik zullen niet vaak voorkomen, de derde grond des te vaker. Het belang van de ondernemers in het eerder genoemde voorbeeld is er louter in gelegen het eigen bedrijf uit te kunnen oefenen. Beiden zijn daartoe bevoegd en hebben dat recht. Toch kan zich de situatie voordoen dat de uitoefening van het bedrijf van de een, misbruik van recht ten opzichte van de ander oplevert, indien de afweging van beider belangen doorwegen naar degene die hinder ervaart van de ander. Die belangen moeten gewogen worden en op redelijkheid worden getoetst. Komt vast te staan dat een rechthebbende dat recht in redelijkheid niet kan uitoefenen ten koste van een ander dan is misbruik van recht gegeven als die bevoegdheid toch wordt uitgeoefend. De conclusie is dat als iemand hinder toebrengt aan een ander, eerst vast moet komen staan of die hinder onrechtmatig is, voor dat er tegen opgetreden kan worden. Wat onder onrechtmatige hinder wordt verstaan is in de jurisprudentie uitgewerkt. Het hebben van een recht en het verkeren in een rechtmatige situatie is geen garantie dat het uitoefenen van dat recht geen misbruik oplevert. Als in die rechtmatige toestand onrechtmatige hinder wordt toegebracht, is de weg naar de rechter geopend. In alle gevallen blijft het dus oppassen.
Noten
  1. ECLI:NL:HR:2017:1106.
  2. HR 10 maart 1972, NJ 1972/278: Vermeulen/Lekkerkerker.
  3. HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823: Ludlage/Van Paradijs.
  4. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 22 september 2011. [ECLI:NL:RBAMS:2011:BT2463] waarin de rechtbank bij de toepassing van artikel 5:37 BW onrechtmatige hinder als gevolg van wateroverlast aangenomen heeft. Maar ook: Hof Den Bosch 28 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1534, r.o. 5.6.3.: Speelkooi Terneuzen.
  5. MvA II, parl. Gesch. Inv.w. 5, P. 1031.
  6. Hoge Raad 24 januari 1992, NJ 1992/280/1:Van Beek/Jansen en ook Hof Den Bosch 28 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1534, r.o. 5.6.3.: Speelkooi Terneuzen.
  7. HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:191:ZC0235, Overwaaiende zaden, net als: HR 15 februari 1991, NJ 1992, 639: Aalscholvers.
  8. Hoge Raad 18 september 1998, NJ 1999/69: Bijenspat.
  9. HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586: Mark Four/Apotex, in navolging van HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423: B/London Verzekeringen N.V.
  10. Hoge Raad 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106 en Rechtbank Zeeland- West-Brabant 21 september 2016: ECLI:NL:RBZWB:2016:5915.
                Marc Heuvelmans Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date 2017-0114, 22-09-2017. [post_title] => Onrechtmatige hinder [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => onrechtmatige-hinder [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:56:57 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:56:57 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bgadvocaten.nl?p=11676 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) ) [post_count] => 8 [current_post] => -1 [in_the_loop] => [post] => WP_Post Object ( [ID] => 17075 [post_author] => 7 [post_date] => 2019-07-26 10:53:09 [post_date_gmt] => 2019-07-26 08:53:09 [post_content] => Een overeenkomst is een overeenkomst en strekt partijen tot wet: pacta sunt servanda, ook als het een mondelinge overeenkomst is. Zo lang partijen het bestaan van de overeenkomst niet betwisten, is er niets aan de hand. Als een van de partijen het bestaan of de inhoud van de overeenkomst wel gemotiveerd betwist, dan moet de partij die de overeenkomst stelt het bestaan of de inhoud ervan bewijzen. In dat geval is het comfortabel om te beschikken over een contract, een door partijen ondertekend stuk dat het benodigde bewijs kan leveren. Dat lijkt trefzeker, maar schijn bedriegt. Hoe zit dat eigenlijk met het leveren van bewijs? Wie zich beroept op een feit of een recht om een bepaald rechtsgevolg in te roepen, dient het bewijs van dat feit te leveren, dat is de hoofdregel van artikel 150 Rv. De rechter kan een andere bewijslast verdelen, maar dat is uitzondering. Als een bewijs kwalificeert als dwingend bewijs, is de rechter daaraan gebonden in de zin dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen. Bewijs kan geleverd worden met alle middelen en de waardering van het bewijs is overgelaten aan de rechter, tenzij de wet iets anders regelt. Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen (artikel 156 lid 1 Rv). Het bestaan van overeenkomsten wordt in het algemeen geleverd door onderhandse akten. Volgens artikel 156 lid 3 Rv zijn dat alle akten, die geen authentieke akten zijn. Een authentieke akte is een akte die is opgemaakt door een daartoe bestemde ambtenaar, bijvoorbeeld een notaris. Een onderhandse akte is dus een tussen partijen opgemaakt en ondertekend schriftelijk stuk, dat bestemd is tot bewijs te dienen. Uitzondering daarop zijn onderhandse akten die digitaal opgeslagen zijn en dus niet op schrift. Artikel 156a Rv regelt de voorwaarden voor het dienen van dergelijke digitale stukken als akte. Authentieke akten leveren dwingend bewijs op tegen iedereen. Denk bijvoorbeeld aan een notariële akte van levering van een onroerende zaak . Degene die bij notariële akte de eigendom van die zaak geleverd heeft gekregen, kan die eigendom dwingend bewijzen tegenover iedereen tegen wie dat eigendomsrecht ingeroepen wordt. Een onderhandse akte levert doorgaans alleen bewijs op tussen de partijen die bij die akte partij zijn. Indien twee partijen een koopovereenkomst sluiten en de overeenkomst en haar essentialia vastleggen in een onderhandse akte, die door hen beiden wordt ondertekend, dan levert die akte tegen hen beiden dwingend bewijs op, ze zijn aan de bewijskracht daarvan gebonden. Maar wat heeft rechtens te gelden als een van de partijen de echtheid van de akte betwist, of ontkent dat de handtekening onder het contract van die aangesproken partij afkomstig is? Artikel 159 lid 2 Rv regelt dat als een partij de ondertekening van het contract stellig ontkent, dan de akte geen bewijs oplevert, tenzij de wederpartij bewijst van wie de handtekening afkomstig is. Op die manier kan een lelijke streep door de rekening gehaald worden van de partij die zijn wederpartij aanspreekt op zijn verplichtingen uit de overeenkomst, en bij ontkenning van de handtekening moet bewijzen dat degene die hij aanspreekt, ook daadwerkelijk de handtekening gezet heeft. Wat moet men dan nog doen om aan het leveren van dat bewijs toe te komen? Het werken met getuigen is een mogelijkheid. Het maken van een filmpje van het moment waarop de wederpartij zijn handtekening zet zou kunnen helpen, maar dat gaat wel erg ver als men er van uit mag gaan dat bij het sluiten van een overeenkomst een wantrouwen dat tot een dergelijke maatregel noodzaakt, doorgaans nog niet aanwezig is. De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen waarin uitleg gegeven werd van wat verstaan wordt onder stellig ontkennen[1]. In deze zaak speelde het volgende. Een getrouwd stel koopt een woning van de moeder van mevrouw. In die woning woont al jaren de moeder. Vóór het moment van koop en levering heeft de schoonzoon opdracht gegeven aan een aannemer om een verbouwing uit te voeren. Die werkzaamheden beginnen vóór de eigendomsoverdracht en eindigen daarna. Het echtpaar dat eigenaar geworden is, betaalt de rekeningen van de aannemer gedeeltelijk. De problemen bestaan over de meerwerkfactuur. Daarover bestaat discussie en er worden deskundigen ingeschakeld om de kwaliteit van het werk te laten beoordelen. Als de aannemer meent dat hij voldoende munitie heeft om een procedure te starten, brengt hij de dagvaarding uit aan het echtpaar. In die procedure brengt de aannemer een meerwerkoverzicht in het geding, dat ondertekend is door de schoonzoon. Die betwist echter dat de handtekening die onder dat overzicht staat, zijn handtekening is, althans dat hij zijn handtekening gezet heeft onder dat stuk. De rechtbank wijst de vordering van de aannemer toe, stellende dat de schoonzoon niet voldaan heeft aan zijn stelplicht om bewijs te leveren van zijn stelling dat de handtekening onder dat betreffende stuk niet door hem gezet is. Het hof bekrachtigt dat vonnis, overwegende dat de schoonzoon niet stellig heeft ontkent. Niet betwist zou zijn dat schoonzoon wel zijn handtekening gezet heeft onder een meerwerkoverzicht, maar niet dat het de in het geding gebrachte lijst betreft. Daarmee zou volgens het hof de schoonzoon niet hebben betwist dat de handtekening van hem afkomstig was en tegelijk onvoldoende bewijs hebben aangeboden van het feit dat de aannemer geknoeid zou hebben met het door de schoonzoon ondertekende meerwerkoverzicht. In cassatie klaagt de schoonzoon dat rechtbank en hof miskent hebben dat hij geen bewijs hoeft te leveren, maar dat juist de aannemer bewijs moet leveren van de stelling dat de handtekening van de schoonzoon afkomstig is. Vanwege de betwisting heeft volgens de schoonzoon de onderhandse getekende akte tegen hem geen bewijskracht.  De Hoge Raad oordeelt dat als de schoonzoon primair betoogt dat hij de betreffende handtekening niet gezet heeft onder dat betreffende stuk, hij daarmee ook beoogt te stellen dat het niet zijn handtekening is onder dát stuk. In zoverre heeft de schoonzoon dus voldoende gesteld om aan te nemen dat hij de handtekening stellig heeft betwist en had de aannemer moeten bewijzen dat de handtekening wel van de schoonzoon was, respectievelijk dat de schoonzoon zijn handtekening gezet heeft onder dát betreffende stuk. De schoonzoon had dus geen bewijsaanbod hoeven doen, noch hoeven bewijzen. Een soortgelijke kwestie die onlangs geleid heeft tot een uitspraak van de Hoge Raad, is die van Egelinck[2]. Daar was de vraag aan de orde of een meerdere bladzijden tellend stuk, dat slechts op het laatste blad ondertekend is, een akte in de zin van artikel 156 lid 1 Rv is. Egelinck had een appartementsrecht verkocht aan koper die de koopprijs deels meteen zelf betaalde en een deel van de koopprijs aan Egelinck verschuldigd bleef in de vorm van een geldlening met hypotheek. Toen die geldlening afbetaald was, vorderde Egelinck nog eens een bedrag van € 135.000,- als koopsom voor interieur. Hij beriep zich daarvoor op een door koper ondertekende overeenkomst bestaande uit twee bladzijden, waarvan alleen de tweede bladzijde ondertekend was. Koper verweerde zich door te stellen dat hij zijn handtekening weliswaar had gezet, maar niet onder hetgeen op bladzijde 1 stond over de aankoopprijs voor interieur. De rechtbank vond Egelinck in zijn bewijs geslaagd omdat koper onvoldoende gesteld en bewezen had dat de overgelegde akte vals was. Het hof vernietigde de uitspraak en oordeelde dat de overgelegde akte geen akte was in de zin van artikel 156 lid 1 Rv. Daartoe bediende het hof zich van een zeer taalkundige uitleg van dat artikel, door te overwegen dat artikel 156 Rv spreekt van een door partijen ondertekend stuk. Het hof volgt hetgeen uit de Memorie van Toelichting op artikel 156 Rv blijkt: een akte is hetgeen boven de handtekening staat. Het hof overweegt: Niet kan worden gezegd dat de eerste bladzijde van het ‘11 september-stuk’, waarop geen enkele handtekening is geplaatst, ‘boven’ de handtekeningen op de tweede bladzijde staat. Hierbij is van belang dat het te makkelijk tot misbruik zou kunnen leiden wanneer teksten op bladzijden die door een partij worden gepresenteerd als voorafgaand aan de bladzijde met de handtekening, zouden worden beschouwd als te zijn geplaatst ‘boven’ die handtekening. Derhalve kan de eerste bladzijde van het ‘11 september-stuk’ niet als een ‘akte’ in de zin van art. 156 lid 1 Rv worden aangemerkt. Dit zou wellicht anders kunnen zijn in het geval dat vaststaat dan wel is vastgesteld dat de eerste bladzijde bij de tweede bladzijde behoort, doch dat geval doet zich hier (nog) niet voor. [verweerder] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat hij die eerste bladzijde (en overigens ook de teksten op de tweede bladzijde) niet kent”. Egelinck voert in cassatie aan dat als niet de handtekening wordt betwist, maar de echtheid van de tekst wordt betwist, dan degene die dat betwist de bewijsplicht heeft van die stelling. Dit verweer lijkt erg veel op het verweer van de aannemer uit de vorige casus. De Hoge Raad is met Egelinck van mening dat de zuiver taalkundige opvatting van het hof, dat alleen hetgeen letterlijk “boven een handtekening” staat alleen als akte te dienen heeft, een te enge opvatting is van het begrip akte uit artikel 156 Rv. Art. 156 lid 1 Rv ziet ook op een meer bladzijden tellend stuk dat uitsluitend aan het slot daarvan is ondertekend. Een dergelijk stuk levert derhalve een onderhandse akte op als ook voor het overige aan de zojuist genoemde eisen van art. 156 lid 1 Rv is voldaan. Nu vaststaat dat de handtekening van koper op de tweede bladzijde van het door Egelinck overgelegde geschrift staat, en dat de tekst van dat geschrift dient tot bewijs, is sprake van een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv. Als de echtheid van de tekst van de onderhandse akte wordt betwist, dan volgt uit artikel 150 Rv dat degene die de valsheid van de tekst stelt, die ook moet bewijzen, zo heeft de Hoge Raad al in 1993 uitgemaakt (HR 15-01-1993, NJ 1993/179). De rechter kan echter wel op grond van omstandigheden, zoals onverklaard gebleven onregelmatigheden in de tekst van de onderhandse akte, of op grond van de onwaarschijnlijkheid van de stellingen van degene die de akte inroept, met betrekking tot de totstandkoming van de tekst tot het oordeel komen dat, behoudens tegenbewijs, moet worden aangenomen dat die tekst geheel of ten dele later boven de handtekening is geplaatst. Tegen dat voorshandse oordeel kan dan tegenbewijs worden toegelaten. In zijn arrest van  HR 14-01-2002 (ECLI:NL:HR:2000:AA4278) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat de rechter daarbij alle omstandigheden van het geval mag betrekken. De Hoge Raad verwijst naar het hof Amsterdam om te laten vaststellen of er redenen zijn om aan te nemen dat de akte vals is, waartegen Egelinck dan tegenbewijs mag leveren. Als het hof Amsterdam voorshands aanneemt dat van voldoende omstandigheden gebleken is om aan te nemen dat de akte vals is en het hof zodoende aan Egelinck tegenbewijs oplegt, is de uitkomst van deze procedure materieel gelijk aan de procedure uit de eerst besproken casus. Formeel echter is sprake van een evident verschil.  In de eerste uitspraak ging de Hoge Raad er van uit dat als een contractspartij de inhoud van een akte betwist, dit tevens heeft te gelden als een stellige betwisting van de handtekening als bedoeld in artikel 159 lid 2 Rv. In de tweede uitspraak gaat de Hoge Raad uit van de heersende leer, dat als de echtheid van de inhoud van een akte betwist wordt, degene die betwist daarvan het bewijs draagt, en dat als uitzondering voorshands kan worden aangenomen behoudens tegenbewijs, dat degene die de echtheid betwist, gelijk heeft. De vraag dringt zich op hoe het kan dat de Hoge Raad zo kort na elkaar, in situaties die zo veel op elkaar lijken, tot twee verschillende uitspraken komt. Met andere woorden, waar zitten de verschillen? In beide casus is de gelijkenis dat één partij zich er op beroept dat die zijn handtekening weliswaar heeft gezet, maar niet op het stuk dat als akte voorgedragen wordt. Naar mijn idee is het verschil te vinden in het artikel waar de Hoge Raad de zaken op heeft afgedaan. In de uitspraak van Egelinck, heeft de koper alleen de echtheid van de inhoud van de akte betwist, maar geen beroep gedaan op artikel 159 lid 2 Rv, waarmee de handtekening stellig wordt betwist. Dat deed de schoonzoon uit de eerst besproken casus wel. In beide gevallen stond vast dat de handtekening van de schoonzoon/koper afkomstig was. Omdat de koper van Egelinck zich alleen beriep op de valsheid van de akte, kwam het bewijs van die stelling bij hem te liggen. Maar omdat de schoonzoon zich beriep op artikel 159 lid2 Rv en de handtekening stellig betwistte, moest de verkoper in dat geval bewijzen dat de handtekening echt was. Daarbij heeft de Hoge Raad de schoonzoon nog wel moeten helpen door een ontkenning van het plaatsen van de handtekening op dát betreffende stuk gelijk te schakelen met de stellige betwisting van artikel 159 lid 2 Rv. Want sec genomen heeft de schoonzoon uit casus 1 precies hetzelfde gedaan als de koper uit casus 2, namelijk de inhoud van de tekst van de akte betwisten. Weliswaar had de schoonzoon primair de handtekening betwist en subsidiair de echtheid van de tekst, maar materieel bleef dat hetzelfde toen eenmaal vastgesteld was dat de handtekening wel degelijk van de schoonzoon afkomstig was. Het zou bevredigender geweest zijn als de Hoge Raad ook in de uitspraak van de schoonzoon aan hem de bewijslast opgelegd had van zijn stelling dat het meerwerkoverzicht vals was. Nu lijkt het er op dat bij betwisting van de echtheid van een tekst in een akte, die een partij tegen zich moet laten gelden, het verstandiger is de handtekening stellig te betwisten, vanwege de bewijspositie van degene die dat stelt, ook al zou bedoeld zijn dat de tekst van de akte inhoudelijk betwist wordt. Het zijn strikt genomen andere verweren en die moeten ook anders behandeld worden. [1] HR 12-04-2019; ECLI:NL:HR:2019:572 [2] HR 19-04-2019; ECLI:NL:HR:2019:641                 Dit artikel is gepubliceerd in Juridisch up to Date, 5 juli 2019. [post_title] => De onderhandse akte als bewijs [post_excerpt] => [post_status] => publish [comment_status] => open [ping_status] => open [post_password] => [post_name] => de-onderhandse-akte-als-bewijs [to_ping] => [pinged] => [post_modified] => 2020-01-28 08:53:08 [post_modified_gmt] => 2020-01-28 07:53:08 [post_content_filtered] => [post_parent] => 0 [guid] => https://bg.legal/?p=17075 [menu_order] => 0 [post_type] => post [post_mime_type] => [comment_count] => 0 [filter] => raw ) [comment_count] => 0 [current_comment] => -1 [found_posts] => 8 [max_num_pages] => 1 [max_num_comment_pages] => 0 [is_single] => [is_preview] => [is_page] => [is_archive] => 1 [is_date] => [is_year] => [is_month] => [is_day] => [is_time] => [is_author] => [is_category] => [is_tag] => [is_tax] => 1 [is_search] => [is_feed] => [is_comment_feed] => [is_trackback] => [is_home] => [is_privacy_policy] => [is_404] => [is_embed] => [is_paged] => [is_admin] => [is_attachment] => [is_singular] => [is_robots] => [is_posts_page] => [is_post_type_archive] => [query_vars_hash:WP_Query:private] => 9d72bd3991525ce1c9860f9fd6cd8e42 [query_vars_changed:WP_Query:private] => 1 [thumbnails_cached] => [stopwords:WP_Query:private] => [compat_fields:WP_Query:private] => Array ( [0] => query_vars_hash [1] => query_vars_changed ) [compat_methods:WP_Query:private] => Array ( [0] => init_query_flags [1] => parse_tax_query ) [tribe_is_event] => [tribe_is_multi_posttype] => [tribe_is_event_category] => [tribe_is_event_venue] => [tribe_is_event_organizer] => [tribe_is_event_query] => [tribe_is_past] => )
Een overeenkomst is een overeenkomst en strekt partijen tot wet: pacta sunt servanda, ook als het een mondelinge overeenkomst is. Zo lang partijen het bestaan van de overeenkomst niet betwisten, is er niets aan de hand. Als een van de partijen het bestaan of de inhoud van de overeenkomst wel gemotiveerd betwist, dan moet de...
Lees meer
Voor wie met enige regelmaat plaats neemt aan de onderhandelingstafel, zal het geen onbekend fenomeen zijn: het afbreken van onderhandelingen in een vergevorderd stadium. Als dat eenzijdig gebeurt, leidt dat vaak tot teleurstelling in verwachtingen. Degene die niet afbreekt, zal dan proberen de ander te overtuigen door te onderhandelen, om alsnog tot een overeenkomst te...
Lees meer
In haar bijdrage Nieuwsoverzicht in JutD 2019-00037 heeft Mw. mr. G. Galjé-Deckers de uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2019[1] aangehaald en kort besproken. Deze uitspraak is van belang omdat die een grens stelt aan de bevoegdheid van het gerechtshof eenzijdig te beslissen dat een mondelinge behandeling niet voor een meervoudige kamer, maar...
Lees meer
Procederen in een civiel geschil is geen eenvoudige bezigheid waar lichtvaardig tegenaan gekeken moet worden, vooral als het gaat om een procedure in hoger beroep bij het gerechtshof. Een dergelijke procedure kan maar beter over gelaten worden aan gespecialiseerde procesadvocaten, omdat een bok snel geschoten is. Dat is nadelig voor de cliënt, beschadigend voor de...
Lees meer
Een procespartij in bewijsnood, heeft een doeltreffend middel ter beschikking in de vorm van artikel 843a Rv, om met een beroep daarop inzage te krijgen in bepaalde bescheiden of daarvan zelfs een afschrift of uittreksel te krijgen. Zodoende kan voorzien worden in bewijs dat noodzakelijk geleverd moet worden in een procedure na het betrekken van...
Lees meer
15 jun 2018
In veel contracten komt een boeteclausule voor. Deze “stok achter de deur” is vaak nodig om de nakoming van een prestatie of het nalaten van een gedraging kracht bij te kunnen zetten. Kennelijk is het nodig een dergelijk dwangmiddel achter de hand te hebben als het vertrouwen ontbreekt als contractpartners zich vrijwillig aan de verplichtingen...
Lees meer
Omstreeks 2009 kwamen de eerste Bitcoins in omloop. Aanvankelijk werd deze cryptovaluta gedolven in peer-to-peer verband door op internet blockchains van transacties op te zetten in een open source. Deze blockchains zijn voor elke deelnemer toegankelijk en volledig transparant en toch onttrekt deze handel in valuta zich aan overheidstoezicht. Dat maakt deze onderlinge handel interessant...
Lees meer
De term “burenrecht” roept onwillekeurig een associatie op met De Rijdende Rechter en elkaar om futiliteiten in het haar vliegende particulieren. Toch is die conclusie niet geheel terecht. Ook voor ondernemers kan hinder van buren serieuze proporties aannemen en tot hoge schade leiden. Het burenrecht staat dan ineens in een ander daglicht en naarmate de...
Lees meer