WP_Query Object
(
[query] => Array
(
[paged] => 7
[news-type] => blog
)
[query_vars] => Array
(
[paged] => 7
[news-type] => blog
[error] =>
[m] =>
[p] => 0
[post_parent] =>
[subpost] =>
[subpost_id] =>
[attachment] =>
[attachment_id] => 0
[name] =>
[pagename] =>
[page_id] => 0
[second] =>
[minute] =>
[hour] =>
[day] => 0
[monthnum] => 0
[year] => 0
[w] => 0
[category_name] =>
[tag] =>
[cat] =>
[tag_id] =>
[author] =>
[author_name] =>
[feed] =>
[tb] =>
[meta_key] =>
[meta_value] =>
[preview] =>
[s] =>
[sentence] =>
[title] =>
[fields] =>
[menu_order] =>
[embed] =>
[category__in] => Array
(
)
[category__not_in] => Array
(
)
[category__and] => Array
(
)
[post__in] => Array
(
)
[post__not_in] => Array
(
)
[post_name__in] => Array
(
)
[tag__in] => Array
(
)
[tag__not_in] => Array
(
)
[tag__and] => Array
(
)
[tag_slug__in] => Array
(
)
[tag_slug__and] => Array
(
)
[post_parent__in] => Array
(
)
[post_parent__not_in] => Array
(
)
[author__in] => Array
(
[0] => 6
)
[author__not_in] => Array
(
)
[search_columns] => Array
(
)
[ignore_sticky_posts] =>
[suppress_filters] =>
[cache_results] => 1
[update_post_term_cache] => 1
[update_menu_item_cache] =>
[lazy_load_term_meta] => 1
[update_post_meta_cache] => 1
[post_type] =>
[posts_per_page] => 10
[nopaging] =>
[comments_per_page] => 50
[no_found_rows] =>
[taxonomy] => news-type
[term] => blog
[order] => DESC
)
[tax_query] => WP_Tax_Query Object
(
[queries] => Array
(
[0] => Array
(
[taxonomy] => news-type
[terms] => Array
(
[0] => blog
)
[field] => slug
[operator] => IN
[include_children] => 1
)
)
[relation] => AND
[table_aliases:protected] => Array
(
[0] => wp_term_relationships
)
[queried_terms] => Array
(
[news-type] => Array
(
[terms] => Array
(
[0] => blog
)
[field] => slug
)
)
[primary_table] => wp_posts
[primary_id_column] => ID
)
[meta_query] => WP_Meta_Query Object
(
[queries] => Array
(
)
[relation] =>
[meta_table] =>
[meta_id_column] =>
[primary_table] =>
[primary_id_column] =>
[table_aliases:protected] => Array
(
)
[clauses:protected] => Array
(
)
[has_or_relation:protected] =>
)
[date_query] =>
[queried_object] => WP_Term Object
(
[term_id] => 56
[name] => Blog van medewerkers
[slug] => blog
[term_group] => 0
[term_taxonomy_id] => 56
[taxonomy] => news-type
[description] =>
[parent] => 0
[count] => 1441
[filter] => raw
)
[queried_object_id] => 56
[request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS wp_posts.ID
FROM wp_posts LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT JOIN wp_icl_translations wpml_translations
ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type)
WHERE 1=1 AND (
wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (56)
) AND wp_posts.post_author IN (6) AND ((wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft'))) AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR (
wpml_translations.language_code = 'nl'
AND wp_posts.post_type IN ( 'attachment' )
AND ( (
( SELECT COUNT(element_id)
FROM wp_icl_translations
WHERE trid = wpml_translations.trid
AND language_code = 'nl'
) = 0
) OR (
( SELECT COUNT(element_id)
FROM wp_icl_translations t2
JOIN wp_posts p ON p.id = t2.element_id
WHERE t2.trid = wpml_translations.trid
AND t2.language_code = 'nl'
AND (
p.post_status = 'publish' OR p.post_status = 'private' OR
( p.post_type='attachment' AND p.post_status = 'inherit' )
)
) = 0 ) )
) ) AND wp_posts.post_type IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','our_sector','our_rechtsgebieden','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker','backoffice','rechtsgebied-detail' ) ) OR wp_posts.post_type NOT IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','our_sector','our_rechtsgebieden','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker','backoffice','rechtsgebied-detail' ) )
GROUP BY wp_posts.ID
ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC
LIMIT 60, 10
[posts] => Array
(
[0] => WP_Post Object
(
[ID] => 31965
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-09-05 15:21:16
[post_date_gmt] => 2022-09-05 13:21:16
[post_content] => Wanneer een patiënt meent dat een zorgverlener een medische fout heeft gemaakt, komt het regelmatig voor dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar een andere arts inschakelt om de situatie te beoordelen. Aan de hand van diens bevindingen kan de verzekeraar inventariseren of de behandelend arts correct heeft gehandeld en of zij al dan niet gehouden is tot vergoeding van de door de patiënt geleden schade.
Een kritisch advies kan de juridische positie van de gedupeerde patiënt dan ook ten goede komen. Vandaar dat een patiënt vaak inzage probeert te krijgen in het medisch advies op grond van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) of de Algemene Vordering Gegevensbescherming (AVG). Volgens advocaat-generaal (A-G) Hartman zou dit niet mogelijk moeten zijn. Naar aanleiding van verschillende uitspraken van (tucht)rechters over dit onderwerp, heeft hij namens de procureur-generaal (PG) een vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld bij de Hoge Raad. In deze blog worden de belangrijkste overwegingen uit zijn conclusie nader toegelicht.[1]
Wat ging eraan vooraf?
Een patiënte meent dat er bij haar behandeling een medische fout is gemaakt. Zij stelt haar gynaecoloog en het ziekenhuis daarvoor aansprakelijk. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis heeft vervolgens een beoordelend arts ingeschakeld om advies uit te brengen met betrekking tot de vraag of de gynaecoloog lege artis (volgens de regelen der kunst) heeft gehandeld.
Nadat het onderzoek was afgerond, heeft de advocaat van de patiënte om een kopie van het medisch advies gevraagd. De verzekeraar weigerde echter een kopie te verschaffen. Zij stelde zich namelijk op het standpunt dat men in het kader van een aansprakelijkheidsprocedure vrijelijk en vertrouwelijk van gedachten moet kunnen wisselen over de verschillende inhoudelijke aspecten en de juridische beoordeling van een casus
De patiënte heeft vervolgens een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG). De patiënte vindt namelijk dat de beoordelend arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen inzage te verschaffen. In dat kader verwijst de patiënte (onder meer) naar artikel 7:464 lid 1 BW, waarin staat dat de bepalingen uit de WGBO – en dus het inzagerecht uit artikel 7:456 BW – eveneens van toepassing zijn, wanneer een arts anders dan uit hoofde van een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunde verricht.
Uitspraak van het Regionaal en Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG/CTG)
Het RTG heeft geoordeeld dat – voor zover het adviseren al als handeling op het gebied van de geneeskunst kan worden aangemerkt – de aard van de rechtsbetrekking zich tegen toepasselijkheid van het inzagerecht verzet (artikel 7:464 lid 1 BW). Volgens het RTG heeft iedere partij namelijk het recht om een partijdeskundige in te schakelen en diens eigen verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Aan dat recht zou afbreuk worden gedaan wanneer er een verplichting bestaat tot het openbaar maken/verlenen van inzage in het medisch advies van een partijdeskundige. Het RTG concludeert dan ook dat de beoordelend arts in het onderhavige geval niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen inzage te verschaffen.
De patiënte heeft aansluitend daarop beroep ingesteld tegen de beslissing van het RTG bij het CTG. Het CTG heeft echter de uitspraak van het RGT gevolgd: de klacht van de patiënte werd ongegrond verklaard en het beroep werd verworpen.
Conclusie van de A-G
Volgens de A-G zijn de bepalingen uit de WGBO in de voornoemde uitspraken verkeerd toegepast. Daartoe voert hij de volgende argumenten aan.
Geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst
Volgens de A-G is er geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, omdat er in het onderhavige geval geen handelingen zijn verricht op het gebied van de geneeskunst. Het advies ziet namelijk enkel op de vraag of de behandelend arts lege artis heeft gehandeld. Het advies draagt verder niet bij aan de gezondheid van de patiënte.
Bovendien heeft de beoordelend arts de patiënte noch gezien, noch is de patiënte op enige andere wijze betrokken geweest bij het onderzoek. Het advies is dus enkel gebaseerd op (de bestudering van) het bestaande medische dossier. Volgens de A-G is deze gang van zaken zó ver verwijderd van een geneeskundige behandeling, dat een gelijkstelling daarmee niet te rechtvaardigen is.
Het CTG had volgens de A-G dus kunnen volstaan met de conclusie dat het advies niet onder de definitie van de geneeskundige behandelingsovereenkomst valt (artikel 7:446 lid 2 BW). Het CTG heeft haar betoog echter gebaseerd op artikel 7:446 lid 4 BW, waarin het volgende staat:
Geen behandelingsovereenkomst is aanwezig, indien het betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.
Volgens de A-G volgt uit de wetsgeschiedenis dat deze bepaling enkel ziet op medische keuringen. In het onderhavige geval is er echter sprake van een papieren exercitie die buiten de patiënte om heeft plaatsgevonden. De A-G stelt zich dan ook op het standpunt dat het advies eerder doet denken aan een juridische beoordeling dan aan een medische keuring. Het medisch advies van de beoordelend arts kan dan ook niet op één lijn worden gesteld met een medische keuring.
Schakelbepaling
Het CTG verwijst in haar uitspraak naar de schakelbepaling van artikel 7:464 lid 1 BW. Daarin wordt het toepassingsgebied van een aantal bepalingen uit de WGBO uitgebreid naar bepaalde situaties waarin geen sprake is van een behandelovereenkomst. Volgens het CTG is deze bepaling – en dus het inzagerecht – in het onderhavige geval niet van toepassing, omdat de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet.
Volgens de A-G bestaat er echter geen rechtsbetrekking tussen de beoordelend arts en de patiënte. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat er sprake moet zijn van een niet contractuele, doch daarmee vergelijkbare relatie, waarbij de arts handelingen verricht op het gebied van de geneeskunst. De A-G heeft al eerder betoogd dat daar in het onderhavige geval geen sprake is van een handeling op het gebied van de geneeskunst, omdat het advies op geen enkele wijze bijdraagt aan de gezondheid van de patiënte.
Waar het CTG bovendien verwijst naar artikel 7:464 lid 1 BW, stelt de A-G – omdat het CTG (ten onrechte) uitgaat van artikel 7:446 lid 4 BW (medische keuring) – dat men in dergelijke gevallen is aangewezen op artikel 7:464 lid 2 aanhef en onder b BW. Dit is een apart regime dat het inzagerecht bij medische keuringen regelt. De schakelbepaling in artikel 4:464 lid 1 BW zou dus – gelet op de argumentatie van het CTG – überhaupt niet van toepassing zijn.
Inzage via een andere grondslag?
Om discussie in de toekomst te voorkomen, heeft de A-G volledigheidshalve onderzocht of inzage wellicht mogelijk is op basis van een andere rechtsgrond.
Medisch dossier
In dat kader zou artikel 7:456 BW toch relevant kunnen zijn, wanneer de patiënt zich daarop beroept ten opzichte van het ziekenhuis. Tussen de patiënt hen het ziekenhuis bestaat namelijk wel een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Volgens de A-G behoort het medisch advies echter niet tot het medisch dossier en hoeft er derhalve geen inzage te worden verschaft. Het advies wordt namelijk niet opgesteld in het kader van de behandeling en is evenmin noodzakelijk voor een goede hulpverlening.
AVG
De A-G komt tot de conclusie dat het medisch advies wel degelijk (althans gedeeltelijk) aangemerkt kan worden als een persoonsgegeven. In dat kader wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), waarin wordt bepaald dat het begrip persoonsgegeven niet beperkt is tot persoonlijke informatie, maar zich mogelijk ook uitstrekt tot iedere soort informatie (zowel objectieve informatie als subjectieve informatie in de vorm van meningen/beoordelingen) voor zover deze informatie de betrokkene betreft.[2] Er is dus sprake van een persoonsgegeven wanneer de informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon.
Ondanks dat er in het onderhavige geval dus sprake kan zijn van een persoonsgegeven, schept de AVG enige ruimte voor het beperken van het inzagerecht. Meer in het bijzonder verwijst de A-G naar artikel 23 lid 1 sub i AVG jo 41 lid 1 sub 1 AVG. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om het inzagerecht te beperken, wanneer dit noodzakelijk is ter waarborging van de rechten en vrijheden van derden.
Volgens de A-G is het belang om bijzondere persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de verdediging tegen een rechtsvordering een in de AVG onderkend belang (e.g. artikel 9 lid 2 sub f AVG). Uit deze bepaling blijkt dan ook dat men dit belang in enige mate heeft willen beschermen en dat hiervoor andere aanspraken van derden (e.g. het inzagerecht) soms moeten wijken.
De A-G concludeert dan ook dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor een beperking van het inzagerecht op grond van artikel 23 AVG is voldaan.
Conclusie
De vraag of aan een patiënt inzage moet worden verleend in het medisch advies dat door een beoordelend arts is opgesteld, speelt in veel zaken. In zijn conclusie probeert de A-G de correcte toepassing van de bepalingen uit de WGBO te bewaken, waarbij meer in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de bepalingen inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst en het inzagerecht. In dat kader heeft de A-G (volledigheidshalve) ook gekeken naar de bepalingen uit de AVG. Volgens de A-G vloeit uit deze bepalingen doorgaans geen recht op inzage voort. Het belang van partijen om hun verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te kunnen bereiden, weegt namelijk – in het onderhavige geval – zwaarder dan het belang van de betrokkene bij inzage in het medisch advies.
Heeft u vragen met betrekking tot het inzagerecht in een medisch advies of dossier? Neem dan contact op.
[1] HR 26 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:726 (concl. A-G T. Hartlief).
[2] HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:994 (Nowak / Data Protection Commissioner).
[post_title] => Recht op inzage in een medisch advies van een beoordelend arts na een aansprakelijkheidsclaim?
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => recht-op-inzage-in-een-medisch-advies-van-een-onafhankelijk-arts-na-een-aansprakelijkheidsclaim
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-10-25 12:20:56
[post_modified_gmt] => 2023-10-25 10:20:56
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31965
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[1] => WP_Post Object
(
[ID] => 31935
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-09-02 14:42:14
[post_date_gmt] => 2022-09-02 12:42:14
[post_content] => Dit weekend vindt de Grand Prix in Zandvoort plaats. Het evenement is al geruime tijd officieel uitverkocht. Dus proberen F1-liefhebbers nog op het laatste moment tickets te kopen via niet-erkende doorverkopers.
Sommige bedrijven verkopen de toegangskaarten als onderdeel van een verzorgd hospitality-arrangement, daarmee wordt de koper volledig ontzorgt en van hapjes en drankjes voorzien tijdens de race. DGP Race B.V. (de organisatie achter de Nederlandse versie van de Grand Prix, hierna: ‘DGP’) heeft een kort geding aangespannen tegen twee van dit soort bedrijven: Premium Sport Travel en Number1 (hierna gezamenlijk: ‘PST’). DGP eist dat PST niet adverteert met de woordmerken van de Grand Prix en dat ze geen toegangskaarten doorverkoopt.
Wat ging eraan vooraf?
PST heeft ongeveer 400 toegangstickets verkocht als onderdeel van haar hospitality-arrangement. DGP vindt dat deze doorverkoop van toegangskaarten in strijd is met haar algemene voorwaarden. Daarin staat namelijk dat alleen erkende resellers de tickets mogen doorverkopen. Hiermee wil DGP voorkomen dat de toegangskaarten tegen ‘woekerprijzen’ worden doorverkocht.
DGP vindt bovendien dat PST bij het aanbieden van haar hospitality-arrangement inbreuk heeft gemaakt op de handelsnamen en woordmerken van DGP. DGP heeft een licentie om de Grand Prix naam te gebruiken in Nederland en ook eigen Benelux-woordmerken, namelijk ‘Dutch Grand Prix’ en ‘Formula 1 Dutch Grand Prix’.
DGP vordert in het kort geding dat PST het promoten en het aanbieden van de toegangskaarten stopt. Daarnaast vordert DGP dat PST zowel de woordmerken als de handelsnaam niet meer mag gebruiken in haar reclameactiviteiten. Tot slot vordert DGP een lijst met de ticketnummers en persoonsgegevens van de afnemers van tickets van PST.
Oordeel van de voorzieningenrechter
DGP komt er niet goed van af in het oordeel van de rechter. Ze wordt in het ongelijk gesteld op alle vlakken en moet ook de kosten van PST vergoeden. Per eis van DGP heeft de rechter het volgende geoordeeld:
Ongeautoriseerde verkoop
PST heeft haar volledige voorraad toegangskaarten al verkocht. Hoewel deze kaarten nog geleverd moeten worden, heeft PST niks meer om te verkopen. PST heeft alleen nog verplichtingen om kaarten te leveren aan haar afnemers. Dus oordeelt de rechter dat DGP geen belang meer heeft bij een verkoopverbod of een verbod op het maken van reclame door PST.
Inbreuk op merkenrechten
De tickets die PST aan haar klanten heeft verkocht zijn officiële tickets waarvoor DGP dus al is betaald. Daarmee zijn de merkrechten op die tickets in principe uitgeput. Een koper van een product mag dat product namelijk in principe inclusief merk doorverkopen. Wel moet de koper loyaal handelen tegenover de merkhouder. Aangezien DGP niet heeft aangetoond dat PST niet loyaal heeft gehandeld, oordeelt de rechter dat er geen sprake is van inbreuk op de merkrechten van DGP.
Inbreuk handelsnaamrecht
Volgens DGP gebruikt PST haar handelsnaam ‘Dutch Grand Prix’ op een onrechtmatige wijze. Volgens DGP zou dit kunnen leiden tot verwarring tussen DGP en PST. PST gebruikt de aanduiding ‘Dutch Grand Prix’ echter alleen voor het aanbieden van het hospitality-arrangement. De rechter oordeelt dat dit onvoldoende is om te kunnen spreken van een handelsnaaminbreuk.
Inzage en afgifte van klantgegevens
De laatste eis van DGP is een lijst met afnemers van tickets. DGP claimt namelijk dat ze wil voorkomen dat er straks bezoekers met ongeldige tickets aan de toegang staan die dan weg worden gestuurd, met imagoschade voor DGP tot gevolg. PST stelt echter dat het voor haar heel belangrijk is dat haar klanten geen problemen hebben met hun tickets, dus dat ze nooit ongeldige tickets zou verkopen. De rechter gaat mee in het verweer van PST en oordeelt dat PST geen lijst met klantgegevens over hoeft te dragen.
Overdraagbaarheid
PST maakt bezwaar tegen het feit dat ze door DGP wordt aangesproken op het doorverkopen van tickets. Het distributiesysteem voor de meer dan 300.000 tickets van de Grand Prix is namelijk niet zo waterdicht als DGP claimt met haar algemene voorwaarden. Er zijn veel bedrijven die zonder toestemming tickets doorverkopen en er zijn ook veel tickets die niet eens op naam staan. DGP kan dus alleen barcodes controleren en niet wie de originele koper was.
De rechter krijgt de indruk dat het hele kort geding niet bedoeld is om het voorkomen van doorverkoop met woekerprijzen maar om de monopolie positie van DGP en haar partners te beschermen.
Conclusie
De rechter erkent dat een gesloten ticketsysteem, wat DGP probeert te handhaven, een maatschappelijk belang kan dienen, zoals het tegengaan van het opkopen van tickets om die tegen woekerprijzen door te verkopen. Echter kan DGP op dit moment niet hard maken dat haar systeem ook echt gesloten is en dat ze actief optreedt tegen andere partijen die tickets doorverkopen. Hierdoor is de focus op PST, met een totale verkoop van 400 tickets, niet proportioneel. Dus wordt DGP op al haar eisen in het ongelijk gesteld.
Heeft u het vermoeden dat uw afnemers in strijd handelen met uw algemene voorwaarden? Of meent u dat er inbreuk wordt gemaakt op uw merken- of handelsnaamrecht? Neem dan contact op met Robin Verhoef.
[post_title] => Doorverkoop van Formule 1-tickets wordt niet verboden
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => doorverkoop-van-formule-1-tickets-wordt-niet-verboden
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-10-25 12:21:16
[post_modified_gmt] => 2023-10-25 10:21:16
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31935
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[2] => WP_Post Object
(
[ID] => 31770
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-08-25 11:41:21
[post_date_gmt] => 2022-08-25 09:41:21
[post_content] => Deze vraag is recent voorgelegd aan de rechtbank Den Haag (Rb. Den Haag 17 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8269). In deze kwestie had de merkhouder van het kledingmerk Elisabetta Franchi, te weten Betty Blue S.P.A. (hierna: Betty Blue) bezwaar gemaakt tegen het gebruik van de website www.elisabetta-franchi.nl door een derde partij. Deze domeinnaam was geregistreerd en werd gebruikt door CS 24 B.V., handelend onder de naam VLVT (hierna: CS 24). Dit was een partij waarmee Betty Blue geen commerciële band had. Op de website werden wel echte Elisabetta Franchi producten verkocht. Kon Betty Blue (de merkhouder) hier iets tegen doen?
Terug naar de basis
Een merkhouder kan zich verzetten tegen het gebruik van zijn merk door een ander, tenzij het merkrecht is uitgeput. Uitputting houdt in dat een specifiek merkproduct door of met toestemming van de merkhouder op de Europese markt is gebracht, oftewel de merkhouder heeft al een keer aan het merkproduct verdiend.
Een wederverkoper die dit product heeft gekocht, mag het dan gebruiken ter aanduiding van de producten die hij of zij doorverkoopt. De merkhouder kan zich dan enkel nog verzetten tegen het merkgebruik als daar een gegronde reden voor bestaat. Anders gezegd houdt dit in dat een wederverkoper die geen commerciële band heeft met de merkhouder bij de doorverkoop van merkproducten rekening moet houden met gerechtvaardigde belangen van de merkhouder.
Dit houdt ook in dat de wederverkoper niet de indruk mag wekken dat er een commerciële band bestaat tussen de merkhouder en de wederverkoper als daar geen sprake van is. Wordt die indruk wel gewekt, dan is er sprake van een merkinbreuk.
WIPO Procedure
Terug naar het geschil tussen Betty Blue en CS 24. Via een WIPO procedure had Betty Blue eerder de afgifte van de domeinnaam www.elisabetta-franchi.nl door CS 24 aan Betty Blue gevorderd.
Het WIPO overwoog in haar oordeel het volgende. Op basis van de zogenoemde OKI-data criteria moet het voor de bezoeker van de website in ieder geval duidelijk zijn dat er geen commerciële band bestaat tussen de merkhouder (in dit geval Betty Blue) en de wederverkoper (in dit geval CS24). Volgens het WIPO was dit echter onvoldoende duidelijk. Ook werden er andere merken via de website verkocht waardoor het merk niet enkel werd gebruikt ter aanduiding van de Elisabetta Franchi merkproducten. Dit leverde volgens het WIPO ongerechtvaardigd merkgebruik op. Het WIPO oordeelde dan ook dat CS 24 geen rechtmatig belang had bij het gebruik van de domeinnaam. Het oordeel; CS 24 moest de domeinnaam overdragen aan Betty Blue.
Procedure bij de rechtbank Den Haag
Om te voorkomen dat CS 24 de domeinnaam moest overdragen is CS 24 een bodemprocedure gestart bij de rechtbank Den Haag. In deze procedure vorderde CS 24 van de rechter om voor recht te verklaren dat CS 24 geen inbreuk had gemaakt op het merkenrecht van Betty Blue, dan wel de handelsnaam, dan wel dat geen sprake was van enig onrechtmatig handelen van CS 24 jegens Betty Blue. Dit zou tot gevolg hebben dat CS 24 de domeinnaam niet zou hoeven over te dragen.
Merkenrecht
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van merkinbreuk. CS 24 heeft haar website sinds de uitspraak van het WIPO namelijk aangepast. Waar voorheen de website www.elisabetta-franchi.nl een website toonde waar ook andere merken werden getoond, leidt de nieuwe website nu enkel naar een website waarop Elisabetta Franchi producten worden verkocht. Ook wordt op de website duidelijk(er) gemaakt dat er geen commerciële band bestaat tussen Betty Blue en CS24 doordat bovenaan iedere webpagina het volgende staat: “VLVT – onafhankelijke dealer van Elisabetta Franchi merkkleding. Gevestigd aan de Cornelis Schuytstraat 22-24 te Amsterdam.” Verder staat er onderaan de homepage een tekst waarin nader wordt toegelicht dat er géén sprake is van een commerciële band tussen Betty Blue en CS 24.
Over het ontbreken van een commerciële band tussen Betty Blue en CS 24 kan volgens de rechter dan ook geen onduidelijkheid bestaan bij de bezoekers van de website. Het merk wordt dus rechtmatig door CS 24 gebruikt. Er is geen sprake van merkinbreuk.
Handelsnaamrecht
Volgens de rechter is er tevens geen sprake van handelsnaamrechtinbreuk. Daar kan pas sprake van zijn als CS 24 de domeinnaam www.elisabetta-franchi.nl als handelsnaam zou gebruiken. Daarvan is sprake als CS 24 deze domeinnaam zou gebruiken ter aanduiding van haar onderneming en/of bepaalde bedrijfsactiviteiten. Om dat te beoordelen wordt naar alle omstandigheden van het geval gekeken. Ook de inhoud van de website is daarbij relevant. Juist doordat CS 24 de naam VLVT als handelsnaam op de website gebruikt en de naam Elisabetta Franchi niet anders dan ter aanduiding van de merkproducten gebruikt, gebruikt zij de domeinnaam niet als handelsnaam en maakt CS 24 dus geen handelsnaamrechtinbreuk.
Onrechtmatige daad
Volgens de rechtbank is er ook geen sprake van onrechtmatig handelen door CS 24. Het registreren van een domeinnaam is in beginsel niet onrechtmatig. Dit kan anders zijn als er sprake is van voldoende bijkomende omstandigheden. Die omstandigheden zijn niet gebleken in de procedure.
Conclusie
In dit geval kon de merkhouder dus niets doen tegen het gebruik van de merknaam door een andere partij die de merkproducten van de merkhouder doorverkocht.
Kan de merkhouder hier dan helemaal niets tegen doen? Jawel. Niet op basis van het merkenrecht, maar wel op basis van de nieuwe Groepsvrijstellingsverordening Verticale Overeenkomsten. Op basis van deze nieuwe wetgeving kan het gemakkelijker worden om een verbod voor doorverkoop van merkproducten op te leggen aan distributeurs én afnemers van die distributeurs.
Vragen?
Heb je vragen over het merkenrecht of het mededingingsrecht? Neem vrijblijvend contact op met Jos van der Wijst of Mustafa Kahya.
[post_title] => Mag een ander jouw merk als domeinnaam gebruiken?
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => mag-een-ander-jouw-merk-als-domeinnaam-gebruiken
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2022-10-03 10:46:56
[post_modified_gmt] => 2022-10-03 08:46:56
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31770
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[3] => WP_Post Object
(
[ID] => 31714
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-08-19 14:05:23
[post_date_gmt] => 2022-08-19 12:05:23
[post_content] => Steeds meer software wordt enkel als dienst aangeboden. Dit wordt ook wel Software as a Service (SaaS) genoemd. De software draait dan niet ‘on-premise’ bij de afnemer, maar is enkel toegankelijk via de cloud.
In dergelijke gevallen kan de afnemer een abonnement afsluiten bij de softwareleverancier, op grond waarvan hij toegang krijgt tot de netwerkomgeving en gebruik mag maken van de software. De afspraken die daarop zien, worden vastgelegd in een SaaS-overeenkomst. Denk bijvoorbeeld aan afspraken op het gebied van het intellectueel eigendom, de geheimhouding van vertrouwelijke informatie en de functionaliteit van de software.
In deze blog vind je nog vijf andere onderwerpen waar in de SaaS-overeenkomsten afspraken over gemaakt moeten worden.
Tip 1: Beschikbaarheid
Wanneer de software enkel toegankelijk is via de cloud, kan het wel eens voorkomen dat de desbetreffende netwerkomgeving niet goed bereikbaar is. Het is dan ook belangrijk om concrete afspraken te maken over de beschikbaarheid van de software. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een Service Level Agreement (SLA), die als bijlage bij de SaaS-Overeenkomst kan worden gevoegd.
Tip 2: Privacy
Vaak wordt software gebruikt om persoonsgegevens te verwerken. Bij het gebruik van SaaS-diensten wordt de verwerkingsactiviteit uitbesteed aan de softwareleverancier, die op haar beurt weer (sub-)verwerkers kan inschakelen (e.g. hostingproviders en andere software developers). Met ieder van deze partijen moet (al dan niet direct) een (sub-)verwerkersovereenkomst worden gesloten om te kunnen voldoen aan de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en aanverwante wet- en regelgeving.
Tip 3: Bescherming van data
De waarde van een onderneming zit steeds meer in de gegevens en data waar zij over beschikken. Wanneer deze gegevens extern worden opgeslagen, is het verstandig om afspraken te maken over de beveiliging van de desbetreffende (netwerk)omgeving. Denk bijvoorbeeld aan afspraken over het aantal back-ups dat de softwareleverancier binnen een bepaald tijdsbestek dient te maken.
Tip 4: Aansprakelijkheid
Mocht het toch onverhoopt fout gaan, dan is het belangrijk om ervoor te zorgen dat duidelijk is wie aansprakelijk gesteld kan worden voor de geleden schade. Leg bijvoorbeeld in d SaaS-overeenkomst vast welke situaties wel/niet voor vergoeding in aanmerking komen, welke partij daarvoor (uitsluitend) aansprakelijk gesteld kan worden en welk deel van de schade (maximaal) voor vergoeding in aanmerking komt.
Tip 5: Beëindiging en continuïteit
Voorkomen moet worden dat het faillissement van een SaaS-leverancier de bedrijfsprocessen van de afnemer in gevaar brengt. Een continuïteitsregeling mag dan ook niet ontbreken in een SaaS-overeenkomst. Hiermee wordt de SaaS-leverancier verplicht om haar dienstverlening voort te zetten gedurende het faillissement. Dit biedt de afnemer de gelegenheid om zijn data veilig te stellen en op zoek te gaan naar een alternatief.
Er komt dus aardig wat kijken bij het opstellen van een SaaS-overeenkomst. Ben je van plan om een SaaS-overeenkomst te sluiten of ben je voornemens om zelf een SaaS-dienst aan te bieden? Neem dan contact op.
[post_title] => Vijf tips voor het sluiten van SaaS-Overeenkomsten
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => vijf-tips-voor-het-sluiten-van-saas-overeenkomsten
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-10-25 12:21:32
[post_modified_gmt] => 2023-10-25 10:21:32
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31714
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[4] => WP_Post Object
(
[ID] => 31695
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-08-18 11:22:23
[post_date_gmt] => 2022-08-18 09:22:23
[post_content] => Op 15 juli 2022 heeft het Tsjechisch voorzitterschap van de Europese Raad een aangepast voorstel gepubliceerd van de AI Verordening (AI Act). Dit aangepast voorstel borduurt voort op het voorstel van de Europese Commissie en het aangepast voorstel dat onder het Sloveens en het Frans voorzitterschap is aangepast. De definitieve versie van het voorstel zal tot stand moeten komen in onderhandelingen tussen het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Europese Raad (de regeringen).
In dit blog bespreek ik de meest in het oog springende aanpassingen van het voorstel.
1. Definitie
In het voorstel van de Europese Commissie van 21 april 2021 is in artikel 3 een definitie opgenomen van een Artificial Intelligence system, waarbij wordt verwezen naar een bijlage I. In die bijlage is een brede definitie opgenomen van een AI systeem. In de bijlage wordt AI zo breed gedefinieerd dat, volgens critici, er zaken onder vallen die wij nu niet als AI zouden aanmerken.
In het aangepaste voorstel is de definitie aangepast tot “a system that is designed to operate with a certain level of autonomy and that, based on machine and/or human-provided data and inputs, infers how to achieve a given set of human-defined objectives using machine learning and/or logic- and knowledge based approaches, and produces system-generated outputs such as content (generative AI systems), predictions, recommendations or decisions , influencing the environments with which the AI system interacts”.
Ook komt bijlage I te vervallen.
Kortom, het is een systeem dat is ontwikkeld met machine learning techniek en/of een ‘logic- or knowledge based approach’. Verder is de mogelijkheid voor de Europese Commissie om de definitie aan te passen gewijzigd. In plaats van het aanpassen van de bijlage, wordt nu in artikel 4 aan de Europese Commissie de mogelijkheid gegeven om met uitvoeringsbesluiten (‘implementation acts’) uitleg te geven aan de termen machine learning en logic-/knowledge bases approach.
Gevolg
Het gevolg van deze aangepaste definitie lijkt te zijn dat het aantal systemen dat onder de definitie van AI systeem vallen nu beperkter is. Daarnaast is met het schrappen van bijlage I ook de bevoegdheid van de Commissie om de desbetreffende bijlage te wijzigen via delegated acts komen te vervallen. Dit houdt in dat het de Commissie nu alleen is toegestaan om uitvoeringsbesluiten vast te stellen ter verduidelijking van bestaande categorieën. [L. Bertuzzi, ‘Czech Presidency sets out path for AI Act discussions’, EURACTIV, 22 juni 2022] Hiermee wordt dus de mate waarin de Commissie in staat is wijzigingen aan te brengen in de technieken en benaderingen, die voorheen gedefinieerd stonden in bijlage I, ingeperkt. De flexibiliteit en toekomstbestendigheid worden nu dus gewaarborgd door middel van de uitleg die de Europese Commissie kan blijven geven aan de bestaande categorieën.
2. High risk AI systemen
In het voorstel van de Europese Commissie moeten alle AI systemen, door middel van een self-assessment, in één van vier risico categorieën worden ingedeeld. De AI systemen die in de categorie ‘hoog risico’ vallen, zijn beschreven in bijlage III. De AI systemen in deze categorie moeten voor het op de markt brengen en daarna, aan verschillende vereisten (blijven) voldoen.
Hier was veel kritiek op. Niet alleen omdat AI toepassingen ten onrechte wel of niet op de lijst stonden, maar ook omdat het een hele administratieve last betekende.
In het aangepaste voorstel blijft de bijlage III lijst met High riks AI systemen bestaan. Maar niet ieder AI systeem dat op de bijlage staat is per definitie een ‘High Riks’ AI systeem. Dat is alleen het geval wanneer:
- De output van het AI systeem wordt gebruikt zonder dat een mens deze valideert, of
- De output van het AI systeem niet wordt gebruikt als louter ondersteunend voor de beslissing die een mens neemt en daardoor tot een aanmerkelijk risico kan leiden voor de gezondheid, veiligheid of fundamentele rechten.
De Europese Commissie moet in uitvoeringsbesluiten (‘implementation acts’) uitleg geven aan de term ‘louter ondersteunend’ (‘purely accessory’).
Gevolg
Het gevolg hiervan is dat, waarschijnlijk, een aantal AI systemen die op de bijlage III staan, toch niet als high risk aangemerkt zullen worden. De administratieve last lijkt daardoor beperkt te zijn tot de vaststelling dat er geen sprake is van een high risk AI systeem.
De bijlage III lijst is ook aangepast.
De volgende AI systemen zijn geschrapt van de lijst:
- AI systems intended to be used to control emissions and pollution
- AI systems intended to be used for insurance premium setting, underwritings and claims assessments
- AI systems intended to be used by law enforcement authorities or on their behalf for law enforcement purposes to detect deep fakes as referred to in article 52(3)
- AI systems intended to be used by law enforcement authorities or on their behalf for crime analytics regarding natural persons, allowing law enforcement authorities to search complex related and unrelated large data sets available in different data sources or in different data formats in order to identify unknown patterns or discover hidden relationships in the data.
Een aantal beschrijvingen zijn aangepast zoals:
- Biometrische systemen; in het oude voorstel waren daar beperkingen aangebracht: Biometric identification systems intended to be used for the ‘real-time’ and ‘post’ remote biometric identification of natural persons without their agreement”. De beperkingen zijn geschrapt zodat nu alle biometrische systemen high risk zijn.
De
Europese Commissie zal in staat zijn om de voorbeelden in bijlage III waar nodig aan te passen, aan te vullen en te verwijderen.
Wat betekent dit voor de praktijk nu
De definitieve tekst van de AI verordening is er nog niet. Dit betekent dat het voorbereiden op de AI verordening daardoor gehinderd wordt. Desalniettemin lijkt er al wel op grote lijnen overeenstemming te bestaan. Daarbij kan gedacht worden aan het indelen in risico categorieën, dat organisaties zelf moeten vaststellen in welke risicocategorie een AI systeem valt, en dat test omgevingen (AI regulatory sandbox) mogelijk worden.
Ook nu kunnen organisaties al vaststellen of het AI systeem dat zij gebruiken of willen gaan gebruiken compliant is. BG.legal heeft daarvoor enkele tools ontwikkeld om bedrijven / organisaties hierin te ondersteunen:
Meer informatie
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met
Jos van der Wijst.

[post_title] => Aangepast voorstel AI Verordening
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => aangepast-voorstel-ai-verordening
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2022-08-29 11:26:19
[post_modified_gmt] => 2022-08-29 09:26:19
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31695
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[5] => WP_Post Object
(
[ID] => 31632
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-08-11 09:25:43
[post_date_gmt] => 2022-08-11 07:25:43
[post_content] => Recent boog het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich over de vraag of
het monitoren van een zakelijk e-mailaccount van een werknemer is toegestaan.
[1] In de desbetreffende zaak verweet ING een van haar werknemers dat hij
in strijd handelde met de arbeidsovereenkomst en vermoedelijk
betrokken was geweest bij verschillende strafbare feiten. Voldoende aanleiding om het zakelijke e-mailverkeer van de werknemer te monitoren, aldus ING.
Benieuwd naar wat het Hof ervan vindt? Je leest het in de onderstaande blog.
Controle zakelijke e-mail door werkgever
ING ontving in april 2021 een anonieme melding, waarin stond dat de werknemer betrokken was geweest bij
witwassen en hypotheekfraude. Naar aanleiding van deze melding raadpleegde ING het incidentenregister. Daaruit bleek dat het Openbaar Ministerie (
OM) en een (niet nader genoemde) overheidsinstantie in 2018-2019 een bevel aan ING hadden gegeven om informatie over verweerder te verstrekken, aangezien deze (vermoedelijk) betrokken was bij het plegen van strafbare feiten.
Gelet op de inhoud van de
anonieme melding en de
bevelen tot het verstrekken van informatie, was er volgens de ING voldoende aanleiding om de
zakelijke e-mailaccounts van de werknemer te controleren.
Uit het onderzoek kwam naar voren dat de werknemer (i) niet-gemelde nevenwerkzaamheden (onder werktijd) verrichte, (ii) zijn zakelijke e-mailadres (inclusief handtekening met ING-logo) gebruikte voor privéaangelegenheden en (iii) meerdere keren – zonder zakelijke reden – de gegevens van ING klanten raadpleegde. Mede omdat het functioneren van de werknemer in 2018 en 2020 als onvoldoende werd beoordeeld, verzocht ING de kantonrechter de
arbeidsovereenkomst te ontbinden.
De werknemer bepleitte dat het verzoek van ING moest worden afgewezen. Als het verzoek toch zou worden toegewezen, wenste de werknemer een transitievergoeding en een forse billijke vergoeding omdat ING
ernstig verwijtbaar zou handelen.
Voorwaarden inzage werkgever werkmail
Voor het antwoord op de vraag of ING het zakelijke e-mailaccount van de werknemer mocht monitoren, verwijst het hof naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (
EHRM) in de zaak Bărbulescu.
[2] Daarin worden de volgende richtsnoeren gegeven:
I. Is de werknemer
vooraf geïnformeerd over (de aard van) de mogelijke monitoring van correspondentie en andere communicatie door de werkgever?
II. Wat is de
omvang van de monitoring en
hoe ernstig is de inbreuk op de privacy van de werknemer?
III. Heeft de werkgever
legitieme gronden die de toegepaste monitoring rechtvaardigen?
IV. Was monitoring met
minder indringende methoden en maatregelen mogelijk geweest?
V. Welke
gevolgen heeft de monitoring voor de werknemer gehad?
VI. Zijn de werknemer
adequate waarborgen geboden, in het bijzonder bij indringende vormen van monitoring?
In de Bărbulescu-richtlijnen zie je verschillende kernbegrippen en -waarden uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) terugkomen: (ad I.) transparantie/informatieplicht, (ad II.) proportionaliteit, (ad III.) gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke en (ad IV.) subsidiariteit.
Volgens het hof moeten deze richtsnoeren
in onderlinge samenhang worden bezien, waarbij het gewicht dat wordt toegekend aan de verschillende richtsnoeren afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.
Het niet voldoen aan één van de richtsnoeren, hoeft dus niet perse in negatieve zin doorslaggevend te zijn.
Volgens het hof staat vast dat de werknemer van ING niet vooraf is
geïnformeerd over (de aard van) de mogelijke monitoring (richtsnoer I). Wat betreft richtsnoer III, heeft ING aangevoerd dat zij een
gerechtvaardigd belang (
legitieme reden) had om de e-mails van de werknemer te controleren, namelijk het voorkomen/bestrijden van financieel economische delicten. Deze poortwachtersfuncties wordt ook door de wetgever onderschreven.
Wat betreft de overige richtsnoeren, is er volgens het hof nog onvoldoende bekend om een sluitend oordeel te geven. Zonder kennis over de aard en inhoud van de meldingen, kan het hof niet beoordelen of het monitoren van het e-mailaccount
proportioneel was. Zij kan evenmin vaststellen of de beschuldigingen
direct verband houden met de meldingen of dat er slechts sprake was van ‘
bijvangst’.
Het hof stelt ING dan ook in de gelegenheid om aanvullend bewijs aan te dragen en houdt iedere verdere beslissing aan.
Mag werkgever werkmail van werknemers lezen?
Er zitten aardig wat
haken en ogen aan het monitoren van een zakelijk e-mailaccount. Allereerst dient de werknemer vooraf geïnformeerd te worden over (de aard van) de mogelijke monitoring. Dit kan via een
intern protocol of door dergelijke bepalingen te verwerken in de
gedragsregels.
De werkgever dient ook een gerechtvaardigd belang te hebben bij het monitoren van het zakelijke e-mailverkeer. Denk bijvoorbeeld aan het
beschermen van bedrijfsgeheimen of het
voorkomen/bestrijden van strafbare feiten.
Zelfs wanneer aan al deze richtsnoeren is voldaan, kan het monitoren alsnog niet toegestaan zijn wanneer dit
disproportioneel of anderszins
niet noodzakelijk is.
Het monitoren van een zakelijk e-mailaccount is dus een verstrekkende maatregel waar een
uitgebreide belangenafweging aan vooraf dient te gaan. Ben je voornemens om deze maatregel toch in te zetten? Neem dan contact op met
Marlies Hol. Wij helpen je graag bij het inventariseren van de mogelijkheden/risico’s.
[1] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 juli 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:6203 (
ING/Verweerder)
[2] EHRM 5 september 2017, ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD006149608 (
Bărbulescu).
[post_title] => Zakelijke e-mail en privacy: wanneer mag je de mailbox van een werknemer controleren?
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => zakelijke-e-mail-en-privacy-wanneer-mag-je-de-mailbox-van-een-werknemer-controleren
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-10-25 12:29:56
[post_modified_gmt] => 2023-10-25 10:29:56
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31632
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[6] => WP_Post Object
(
[ID] => 31507
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-08-05 10:57:13
[post_date_gmt] => 2022-08-05 08:57:13
[post_content] => De
handelsnaam Mr. Jobs (bedrijf in de arbeidsbemiddeling) maakt
géén handelsnaaminbreuk op Mister Jobs (ook een bedrijf in arbeidsbemiddeling). Lees hierover mijn
eerdere blog. De handelsnaam First Fatfreeze (een bedrijf in schoonheidsbehandelingen) maakt
wél handelsnaaminbreuk op de handelsnaam Next Fatfreeze (ook een bedrijf in schoonheidsbehandelingen), zie de
uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Hoe zit dit?
Zoek de verschillen
Het
verschil tussen deze uitspraken zit hem er vermoedelijk in dat Mister Jobs en Mr. Jobs
niet in dezelfde stad gevestigd waren en
andere diensten aanboden (over dat laatste denk ik overigens anders). De Fatfreeze bedrijven waren
allebei in Amsterdam gevestigd en gebruikten een
soortgelijk logo en boden
dezelfde diensten aan. De kans op
verwarring bij het publiek bij de Fatfreeze salons is dan ook groter.
Vrijhoudingsbehoefte beschrijvende handelsnamen?
Ondanks dat de
handelsnamen beschrijvend zijn en er rekening gehouden zou moeten worden met een
vrijhoudingsbehoefte, geniet de ene beschrijvende handelsnaamnaam dus wel bescherming en de andere niet.
Zo zie je maar weer. Uitspraken over (gedeeltelijk) beschrijvende handelsnamen kunnen nog steeds alle kanten op gaan. Ook na de rechtspraak van de Hoge Raad in
DOC Dairy Partners /Dairy Partners.
Bekijk hier de video over handelsnaamrecht:
https://www.youtube.com/watch?v=uH_mIpqfJ8M
Vragen?
Advies nodig over je handelsnaam? Neem vrijblijvend contact op met mij op.
[post_title] => Handelsnaamgeschillen: Kunnen we het nog volgen?
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => handelsnaamgeschillen-kunnen-we-het-nog-volgen
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2022-10-03 10:49:35
[post_modified_gmt] => 2022-10-03 08:49:35
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31507
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[7] => WP_Post Object
(
[ID] => 31420
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-07-28 14:56:22
[post_date_gmt] => 2022-07-28 12:56:22
[post_content] => Veel ondernemers maken gebruik van een nieuwsbrief. Het is een van de beste manieren om producten/diensten aan te prijzen en klanten te binden.
Om ongewenste reclame te voorkomen, worden er in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (
AVG) en de Telecommunicatiewet (
Tw) bepaalde voorwaarden verbonden aan het verzenden van nieuwsbrieven. In deze blog worden de meest belangrijke criteria nader toegelicht.
Het verzenden van digitale nieuwsbrieven
In artikel 11.7 Tw worden een aantal situaties omschreven waarin het is toegestaan om een digitale nieuwsbrief te verzenden:
- de ontvanger heeft
toestemming gegeven;
- de ontvanger is een bestaande klant en de inhoud van de nieuwsbrief ziet op
gelijksoortige producten en/of diensten; of
- de ontvanger is een
rechtspersoon en de door haar kenbaar gemaakte contactgegevens zijn bestemd om digitale post en/of nieuwsbrieven te ontvangen.
Iedere situatie zal hierna afzonderlijk worden toegelicht.
(i) toestemming
Het is toegestaan om een nieuwsbrief te versturen, wanneer voorafgaand aan het verzenden van de nieuwsbrief toestemming is gekregen van de persoon aan wie de brief wordt verzonden.
Onder de AVG is pas sprake van (rechts)geldig verkregen toestemming, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
Vrij: de ontvanger moet een vrije keuze hebben gehad bij het geven van zijn toestemming. Dit betekent dat de ontvanger zich niet gedwongen mag voelen om toestemming te geven, dan wel negatieve gevolgen zal ondervinden indien de ontvanger zijn toestemming weigert te geven of deze intrekt.
Specifiek: de ontvanger moet specifiek toestemming hebben gegeven voor het gebruik van zijn (contact)gegevens voor bepaalde doeleinden (e.g. het verzenden van een nieuwsbrief).
Geïnformeerd: de ontvanger moet weten waarvoor zijn gegevens worden verzameld (het verzenden van een nieuwsbrief). Daarnaast dient de ontvanger geïnformeerd te worden over het feit dat hij zijn toestemming te allen tijde kan intrekken.
Ondubbelzinnige wilsuiting: de ontvanger moet toestemming verlenen middels een actieve handeling of verklaring. Het is dus niet toegestaan om gebruik te maken van een vooraf aangevinkt selectievakje.[1]
(ii) bestaande klant en gelijksoortige producten en/of diensten
Er is geen toestemming nodig voor het verzenden van een nieuwsbrief, wanneer het om een
bestaande klant gaat en de inhoud van de nieuwsbrief ziet op
soortgelijke producten en/of diensten. Bij het verkrijgen van de contactgegevens moet de (toekomstige) ontvanger van de nieuwsbrief de mogelijkheid zijn geboden om
verzet aan te tekenen tegen het gebruik van zijn contactgegevens. Deze mogelijkheid moet eveneens worden geboden in iedere nieuwsbrief die daaropvolgend aan de ontvanger wordt verzonden.
(iii) rechtspersonen
Het is ook toegestaan om een nieuwsbrief naar een
rechtspersoon te versturen, indien de rechtspersoon
bepaalde contactgegevens ter beschikking stelt die daarvoor bestemd zijn. In dergelijke gevallen is geen voorafgaande toestemming nodig en hoeft de rechtspersoon ook niet een bestaande klant te zijn.
Conclusie
Er zijn een aantal situaties denkbaar waarin het mogelijk is om (ongevraagd) een digitale nieuwsbrief te verzenden. Om het overzicht te bewaren, is het verstandig om bij iedere
ontvanger in de mailinglijst te vermelden welke situatie op hem/haar van toepassing is. Hierdoor is het mogelijk om snel te handelen wanneer een ontvanger verzet aantekent tegen het gebruik van zijn contactgegevens.
Voor alle ondernemers die nog een eerste stap moeten zetten op het gebied van privacy compliance, bieden wij het
AVG-startpakket aan. Voor een vast bedrag van € 750,- ex btw haal je vrijwel alle documentatie in huis om in overeenstemming te handelen met de geldende privacy wet- en regelgeving. Meer weten? Klik dan
hier.
[1]EDPB, ‘
Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679’ (v1.1), 4 mei 2020, par. 3.
[post_title] => Digitale nieuwsbrieven en privacy: wat kan wel en niet?
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => digitale-nieuwsbrieven-en-privacy-wat-kan-wel-en-niet
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-10-25 12:22:05
[post_modified_gmt] => 2023-10-25 10:22:05
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31420
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[8] => WP_Post Object
(
[ID] => 31431
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-07-27 16:13:09
[post_date_gmt] => 2022-07-27 14:13:09
[post_content] => Recent heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (
ABRvS) bepaald dat VoetbalTV geen boete hoeft te betalen, omdat het besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens op onjuiste gronden is gebaseerd (
AP). De AP stelde zich namelijk op het standpunt dat het uitsluitend commerciële belang van VoetbalTV niet aangemerkt kan worden als een ‘gerechtvaardigd belang’ voor het verwerken van persoonsgegevens. Volgens de ABRvS had VoetbalTV ook nog andere, niet-commerciële belangen die de AP niet heeft meegewogen in haar beoordeling.
In de onderstaande blog wordt
de uitspraak van de ABRvS nader toegelicht.
[1]
Wat ging eraan vooraf?
VoetbalTV is een online videoplatform waarop videobeelden van amateurvoetbalwedstrijden worden verspreid. De beelden van (minderjarige) sporters worden aangemerkt als persoonsgegevens, waardoor het verspreiden van deze beelden gezien kan worden als een verwerkingsactiviteit waarop de Algemene Verordening Gegevensbescherming (
AVG) van toepassing is.
Volgens de AP heeft VoetbalTV de persoonsgegevens van de sporters onrechtmatig verwerkt. De AP is namelijk van mening dat een
uitsluitend commercieel belang niet aangemerkt kan worden als een
gerechtvaardigd belang in de zin van artikel 6 lid 1 sub f AVG. Volgens de AP is er slechts sprake van een gerechtvaardigd belang, indien
dit belang volgt uit de wet. De AP concludeert dan ook dat de verwerkingsactiviteiten van VoetbalTV in strijd zij met de AVG, hetgeen zich heeft vertaald in een boete van € 575.000,-.
VoetbalTV is in beroep gegaan tegen deze boete bij de rechtbank Midden-Nederland, omdat zij van mening is dat de AP
haar belang ten onrechte als zuiver commercieel heeft gekwalificeerd: het belang van VoetbalTV zou ook zijn gelegen in (i) het vergroten van de betrokkenheid en spelplezier van voetballiefhebbers, (ii) het kunnen uitvoeren van technische analyses door trainers van voetbalclubs en (iii) het bieden van de mogelijkheid aan andere geïnteresseerden om wedstrijden op afstand terug te kijken.
Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank heeft geoordeeld dat de AP is uitgegaan van een
verkeerde interpretatie van het begrip ‘gerechtvaardigd belang’. Het standpunt dat een gerechtvaardigd belang uit de wet moet volgen is namelijk niet terug te vinden in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (
HvJEU) en strookt evenmin met de opinie van WP29 inzake het begrip gerechtvaardigd belang.
[2] Door de verwerkingsactiviteiten van VoetbalTV
niet te toetsen aan de overige voorwaarden van artikel 6 lid 1 sub f AVG, is het besluit niet voldoende zorgvuldig genomen en kan de boeteoplegging derhalve niet in stand blijven.
De AP heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de ABRvS.
Uitspraak van de ABRvS
De ABRvS verwijst naar het Fashion ID arrest van het HvJEU, waarin de drie voorwaarden worden genoemd voor een geslaagd beroep op artikel 6 lid 1 sub f AVG:
[3]
- het belang dat de verwerkingsverantwoordelijke nastreeft moet een
gerechtvaardigd belang zijn;
- de verwerking van persoonsgegevens moet
noodzakelijk zijn voor de behartiging van dat gerechtvaardigde belang, waarbij getoetst moet worden aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit; en
- er moet een
afweging plaatsvinden tussen de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke en de betrokkenen.
Volgens de ABRvS is het aan de verwerkingsverantwoordelijke (VoetbalTV) om te stellen
wat het belang is bij het verwerken van persoonsgegevens en
waarom dit noodzakelijk is. Het is de taak van de AP om te
controleren welke verwerkingsactiviteiten in dat kader worden verricht en te beoordelen of daarmee de (al dan niet) gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke worden behartigd.
Gelet op de belangen die door Voetbal TV zijn aangevoerd, is de ABRvS (met de rechtbank) van mening dat
er geen sprake is van een louter commercieel belang. Aangezien de AP deze belangen niet had meegenomen in haar besluitvorming, heeft zij op onjuiste gronden vastgesteld dat VoetbalTV in strijd heeft gehandeld met de AVG, waardoor
de boete niet in stand kan blijven.
De ABRvS geeft tot slot aan dat de rechtbank bij haar beoordeling terecht is gestopt bij stap (i) van de toets, aangezien de AP zelf onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar stappen (ii) en (iii).
De ABRvS bevestigt dan ook de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland
waarin het boetebesluit van de AP wordt vernietigd.
Conclusie
Deze uitspraak van de ABRvS ligt in de lijn der verwachtingen. In 2020 is de AP al eerder door het Europees Comité voor gegevensbescherming (
European Data Protection Board, ofwel: ‘EDPB’) aangesproken op haar
strikte interpretatie van het begrip gerechtvaardigd belang.
[4] Het is namelijk niet de bedoeling dat lidstaten een beroep op bepaalde (categorieën van) belangen bij voorbaat uitsluiten.
Deze zaak werd met belangstelling gevolgd, omdat er een antwoord zou kunnen komen op de vraag of een uitsluitend commercieel belang aangemerkt kan worden als een gerechtvaardigd belang.
Het antwoord op deze vraag laat echter nog op zich wachten, aangezien de ABRvS van mening was dat VoetbalTV ook niet-commerciële belangen had bij de verwerking van persoonsgegevens.
Vragen naar aanleiding van deze uitspraak? Neem dan contact op met één van onze privacy specialisten.
[1] ABRvS 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2173
[2] WP29, ‘
Advies 06/2014 over het begrip “gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking verantwoordelijke in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG’ (WP217), 9 april 2014.
[3] HvJEU 29 juli 2019, ECLI:EU:C:2019:629 (
Fashion ID).
[4] Brief van de Europese Commissie, directoraat-generaal Justitie en consumentenzaken (DG JUST) d.d. 6 maart 2020, ref. Ares (2020) 1417369.
[post_title] => ABRvS stelt AP in het ongelijk: boete VoetbalTV van tafel
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => abrvs-stelt-ap-in-het-ongelijk-boete-voetbaltv-van-tafel
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2024-06-03 13:52:09
[post_modified_gmt] => 2024-06-03 11:52:09
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31431
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[9] => WP_Post Object
(
[ID] => 31234
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-07-20 10:07:12
[post_date_gmt] => 2022-07-20 08:07:12
[post_content] => Het Europese Hof van Justitie heeft op 7 juli 2022 een interessante
uitspraak gedaan. Het hof heeft bepaald dat een
merkhouder, in dit geval Koninklijke Philips N.V., aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door een product waar het merk PHILIPS op was afgebeeld. Het product, een koffieapparaat, was door een Roemeense dochteronderneming van Philips geproduceerd (Saeco). Een Finse dochteronderneming van Philips had het koffieapparaat in Finland in de handel gebracht (Philips Oy). Bij de Finse koper ontstond brand in huis. Vastgesteld werd dat de brand was veroorzaakt door een defect aan het koffieapparaat. De verzekeraar heeft de schade vergoed aan de consument en wil deze schade verhalen op Koninklijke Philips N.V.
De Finse rechter in eerste aanleg (de käräjäoikeus) oordeelt dat Philips, op grond van
productaansprakelijkheidsregelgeving, aansprakelijk is. Philips kan als producent worden aangemerkt omdat zij heeft toegestaan dat haar merk (PHILIPS) op het product is aangebracht.
De Finse rechter in hoger beroep (de hovioikeus) oordeelt dat Philips
niet aansprakelijk kan worden gehouden. Immers, Philips heeft het product niet zelf in de handel gebracht. Dat heeft een dochteronderneming gedaan.
De Finse ‘Hoge Raad’ (de Korkein oikeus) vraagt het Europese Hof om uitleg. De productaansprakelijkheidsregelgeving in Europa is gebaseerd op een Europese richtlijn.
Het hof bepaalt in deze uitspraak dat het de consument makkelijk wordt gemaakt om verhaal te halen wanneer hij schade lijdt door
een gebrekkig product. Meerdere partijen kunnen als ‘producent’ worden aangemerkt en zij zijn allen hoofdelijk aansprakelijk. De consument kan dus kiezen wie hij aansprakelijk stelt. Of hij kan bij meerdere langs zijn totdat zijn schade volledig is vergoed.
Als producent worden aangemerkt:
- de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel,
- EN eenieder die zich als producent presenteert door zijn naam, zijn merk of een ander onderscheidingsteken op het product aan te brengen.
Dus ook Koninklijk Philips N.V. die haar Roemeense dochteronderneming heeft toegestaan (licentie gegeven) om het merk PHILIPS op de producten aan te brengen en haar Finse dochteronderneming heeft toegestaan (licentie gegeven) om de producten met het merk PHILIPS daarop afgebeeld in Finland in de handel te brengen.
Wat betekent dit voor de praktijk:
- Bij het in
licentie geven van een merk aan een derde (dochteronderneming of een ander) moet de merkhouder erop bedacht zijn dat hij door een consument hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor schade door het product
- Dus ook wanneer de merkhouder geen betrokkenheid heeft bij het produceren van het product en/of het in de handel brengen van het product
- In de
licentieovereenkomst zou een merkhouder hierop moeten anticiperen (vrijwaring door licentienemer, informatieplicht, verplichte aansprakelijkheidsverzekering, etc.).
De Europese productaansprakelijkheidsregelgeving wordt mogelijk
herzien. In 2023 wordt daar een voorstel voor verwacht van de Europese Commissie. De huidige regelgeving is geschreven voor schade door fysieke producten (zoals een koffieapparaat). Het lijkt niet geschikt te zijn voor digitale producten zoals AI toepassingen. De huidige definities van ‘product’, ‘producent’ en ‘schade’ lijken niet te passen bij een AI toepassing. En hoe breng je een CE markering aan op een AI toepassing?
Mocht u vragen hebben over productaansprakelijkheid, dan kunt u contact opnemen met
Jos van der Wijst (
wijst@bg.legal).

[post_title] => Merkhouder aansprakelijk voor schade ook wanneer hij niet betrokken is bij productie van het product
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => merkhouder-aansprakelijk-voor-schade-ook-wanneer-hij-niet-betrokken-is-bij-productie-van-het-product
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2022-07-20 10:07:59
[post_modified_gmt] => 2022-07-20 08:07:59
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31234
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
)
[post_count] => 10
[current_post] => -1
[before_loop] => 1
[in_the_loop] =>
[post] => WP_Post Object
(
[ID] => 31965
[post_author] => 6
[post_date] => 2022-09-05 15:21:16
[post_date_gmt] => 2022-09-05 13:21:16
[post_content] => Wanneer een patiënt meent dat een zorgverlener een
medische fout heeft gemaakt, komt het regelmatig voor dat de
beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar een
andere arts inschakelt om de situatie te beoordelen. Aan de hand van diens bevindingen kan de verzekeraar inventariseren of de behandelend arts correct heeft gehandeld en of zij al dan niet gehouden is tot vergoeding van de door de patiënt geleden schade.
Een kritisch advies kan de juridische positie van de gedupeerde patiënt dan ook ten goede komen. Vandaar dat een patiënt vaak
inzage probeert te krijgen in het medisch advies op grond van de
Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (
WGBO) of de
Algemene Vordering Gegevensbescherming (
AVG). Volgens advocaat-generaal (
A-G) Hartman zou dit niet mogelijk moeten zijn. Naar aanleiding van verschillende uitspraken van (tucht)rechters over dit onderwerp, heeft hij namens de procureur-generaal (
PG) een vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld bij de Hoge Raad. In deze blog worden de belangrijkste overwegingen uit zijn conclusie nader toegelicht.
[1]
Wat ging eraan vooraf?
Een patiënte meent dat er bij haar behandeling een medische fout is gemaakt. Zij stelt haar gynaecoloog en het ziekenhuis daarvoor aansprakelijk. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis heeft vervolgens een beoordelend arts ingeschakeld om
advies uit te brengen met betrekking tot de vraag of de gynaecoloog
lege artis (volgens de regelen der kunst) heeft gehandeld.
Nadat het onderzoek was afgerond, heeft de advocaat van de patiënte om een
kopie van het medisch advies gevraagd. De verzekeraar weigerde echter een kopie te verschaffen. Zij stelde zich namelijk op het standpunt dat men in het kader van een aansprakelijkheidsprocedure
vrijelijk en
vertrouwelijk van gedachten moet kunnen wisselen over de verschillende
inhoudelijke aspecten en de
juridische beoordeling van een casus
De patiënte heeft vervolgens een klacht ingediend
bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG). De patiënte vindt namelijk dat de beoordelend arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen inzage te verschaffen. In dat kader verwijst de patiënte (onder meer) naar artikel 7:464 lid 1 BW, waarin staat dat de bepalingen uit de WGBO – en dus het
inzagerecht uit artikel 7:456 BW –
eveneens van toepassing zijn, wanneer een arts
anders dan uit hoofde van een behandelingsovereenkomst handelingen op het gebied van de geneeskunde verricht.
Uitspraak van het Regionaal en Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG/CTG)
Het RTG heeft geoordeeld dat – voor zover het adviseren al als handeling op het gebied van de geneeskunst kan worden aangemerkt –
de aard van de rechtsbetrekking zich tegen toepasselijkheid van het inzagerecht verzet (artikel 7:464 lid 1 BW). Volgens het RTG heeft iedere partij namelijk het
recht om een partijdeskundige in te schakelen en diens eigen verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Aan dat recht zou afbreuk worden gedaan wanneer er een verplichting bestaat tot het openbaar maken/verlenen van inzage in het medisch advies van een partijdeskundige. Het RTG concludeert dan ook dat de beoordelend arts in het onderhavige geval
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door geen inzage te verschaffen.
De patiënte heeft aansluitend daarop beroep ingesteld tegen de beslissing van het RTG bij het CTG. Het CTG heeft echter de uitspraak van het RGT gevolgd: de klacht van de patiënte werd ongegrond verklaard en het beroep werd verworpen.
Conclusie van de A-G
Volgens de A-G zijn de bepalingen uit de WGBO in de voornoemde uitspraken verkeerd toegepast. Daartoe voert hij de volgende argumenten aan.
Geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst
Volgens de A-G is er geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst, omdat er in het onderhavige geval geen
handelingen zijn verricht op het gebied van de geneeskunst. Het advies ziet namelijk enkel op de vraag of de behandelend arts
lege artis heeft gehandeld.
Het advies draagt verder niet bij aan de gezondheid van de patiënte.
Bovendien heeft de beoordelend arts de patiënte noch gezien, noch is de patiënte op enige andere wijze betrokken geweest bij het onderzoek.
Het advies is dus enkel gebaseerd op (de bestudering van) het bestaande medische dossier. Volgens de A-G is deze gang van zaken zó ver verwijderd van een geneeskundige behandeling, dat een gelijkstelling daarmee niet te rechtvaardigen is.
Het CTG had volgens de A-G dus kunnen volstaan met de conclusie dat het advies
niet onder de definitie van de geneeskundige behandelingsovereenkomst valt (artikel 7:446 lid 2 BW). Het CTG heeft haar betoog echter gebaseerd op artikel 7:446 lid 4 BW, waarin het volgende staat:
Geen behandelingsovereenkomst is aanwezig, indien het betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of voor de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.
Volgens de A-G volgt uit de wetsgeschiedenis dat deze bepaling
enkel ziet op
medische keuringen. In het onderhavige geval is er echter sprake van een papieren exercitie die buiten de patiënte om heeft plaatsgevonden. De A-G stelt zich dan ook op het standpunt dat het advies eerder doet denken aan een
juridische beoordeling dan aan een medische keuring. Het medisch advies van de beoordelend arts kan dan ook niet op één lijn worden gesteld met een medische keuring.
Schakelbepaling
Het CTG verwijst in haar uitspraak naar de schakelbepaling van artikel 7:464 lid 1 BW. Daarin wordt het
toepassingsgebied van een aantal bepalingen uit de WGBO uitgebreid naar bepaalde situaties waarin geen sprake is van een behandelovereenkomst. Volgens het CTG is deze bepaling – en dus het inzagerecht – in het onderhavige geval niet van toepassing, omdat
de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet.
Volgens de A-G bestaat er echter
geen rechtsbetrekking tussen de beoordelend arts en de patiënte. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat er sprake moet zijn van een
niet contractuele, doch daarmee vergelijkbare relatie, waarbij de arts
handelingen verricht op het gebied van de geneeskunst. De A-G heeft al eerder betoogd dat daar in het onderhavige geval geen sprake is van een handeling op het gebied van de geneeskunst, omdat het advies op geen enkele wijze bijdraagt aan de gezondheid van de patiënte.
Waar het CTG bovendien verwijst naar artikel 7:464 lid 1 BW, stelt de A-G – omdat het CTG (ten onrechte) uitgaat van artikel 7:446 lid 4 BW (medische keuring) – dat men in dergelijke gevallen is aangewezen op artikel 7:464 lid 2 aanhef en onder b BW. Dit is een
apart regime dat het
inzagerecht bij medische keuringen regelt.
De schakelbepaling in artikel 4:464 lid 1 BW zou dus – gelet op de argumentatie van het CTG –
überhaupt niet van toepassing zijn.
Inzage via een andere grondslag?
Om discussie in de toekomst te voorkomen, heeft de A-G volledigheidshalve onderzocht of inzage wellicht mogelijk is op basis van een andere rechtsgrond.
Medisch dossier
In dat kader zou artikel 7:456 BW toch relevant kunnen zijn, wanneer de patiënt zich daarop beroept ten opzichte van het ziekenhuis. Tussen de patiënt hen het ziekenhuis bestaat namelijk wel een geneeskundige behandelingsovereenkomst. Volgens de A-G
behoort het medisch advies echter niet tot het medisch dossier en hoeft er derhalve
geen inzage te worden verschaft. Het advies wordt namelijk niet opgesteld in het kader van de behandeling en is evenmin noodzakelijk voor een goede hulpverlening.
AVG
De A-G komt tot de conclusie dat het medisch advies wel degelijk (althans gedeeltelijk) aangemerkt kan worden als een
persoonsgegeven. In dat kader wordt verwezen naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), waarin wordt bepaald dat het begrip persoonsgegeven niet beperkt is tot persoonlijke informatie, maar zich mogelijk ook uitstrekt
tot iedere soort informatie (zowel objectieve informatie als subjectieve informatie in de vorm van meningen/beoordelingen)
voor zover deze informatie de betrokkene betreft.
[2] Er is dus sprake van een persoonsgegeven wanneer de informatie wegens haar
inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon.
Ondanks dat er in het onderhavige geval dus sprake kan zijn van een persoonsgegeven, schept de AVG enige ruimte voor
het beperken van het inzagerecht. Meer in het bijzonder verwijst de A-G naar artikel 23 lid 1 sub i AVG jo 41 lid 1 sub 1 AVG. Daarin wordt de mogelijkheid geboden om het inzagerecht te beperken, wanneer dit noodzakelijk is ter waarborging van de rechten en vrijheden van derden.
Volgens de A-G is het belang om bijzondere persoonsgegevens te verwerken ten behoeve van de
verdediging tegen een rechtsvordering een in de AVG
onderkend belang (e.g. artikel 9 lid 2 sub f AVG). Uit deze bepaling blijkt dan ook dat men dit belang in enige mate heeft willen beschermen en dat hiervoor andere aanspraken van derden (e.g. het inzagerecht) soms moeten wijken.
De A-G concludeert dan ook dat in het onderhavige geval aan de voorwaarden voor een
beperking van het inzagerecht op grond van artikel 23 AVG is voldaan.
Conclusie
De vraag of aan een patiënt inzage moet worden verleend in het medisch advies dat door een beoordelend arts is opgesteld, speelt in veel zaken. In zijn conclusie probeert de A-G
de correcte toepassing van de bepalingen uit de WGBO te bewaken, waarbij meer in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de bepalingen inzake de
geneeskundige behandelingsovereenkomst en het
inzagerecht. In dat kader heeft de A-G (volledigheidshalve) ook gekeken naar de bepalingen uit de AVG. Volgens de A-G vloeit uit deze bepalingen doorgaans geen recht op inzage voort. Het belang van partijen om hun
verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te kunnen bereiden, weegt namelijk – in het onderhavige geval – zwaarder dan het belang van de betrokkene bij inzage in het medisch advies.
Heeft u vragen met betrekking tot het inzagerecht in een medisch advies of dossier? Neem dan contact op.
[1] HR 26 augustus 2022, ECLI:NL:PHR:2022:726 (concl. A-G T. Hartlief).
[2] HvJEU 20 december 2017, ECLI:EU:C:2017:994 (
Nowak / Data Protection Commissioner).
[post_title] => Recht op inzage in een medisch advies van een beoordelend arts na een aansprakelijkheidsclaim?
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => recht-op-inzage-in-een-medisch-advies-van-een-onafhankelijk-arts-na-een-aansprakelijkheidsclaim
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-10-25 12:20:56
[post_modified_gmt] => 2023-10-25 10:20:56
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=31965
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[comment_count] => 0
[current_comment] => -1
[found_posts] => 264
[max_num_pages] => 27
[max_num_comment_pages] => 0
[is_single] =>
[is_preview] =>
[is_page] =>
[is_archive] => 1
[is_date] =>
[is_year] =>
[is_month] =>
[is_day] =>
[is_time] =>
[is_author] =>
[is_category] =>
[is_tag] =>
[is_tax] => 1
[is_search] =>
[is_feed] =>
[is_comment_feed] =>
[is_trackback] =>
[is_home] =>
[is_privacy_policy] =>
[is_404] =>
[is_embed] =>
[is_paged] => 1
[is_admin] =>
[is_attachment] =>
[is_singular] =>
[is_robots] =>
[is_favicon] =>
[is_posts_page] =>
[is_post_type_archive] =>
[query_vars_hash:WP_Query:private] => 851904737a00ba4f600045636cff6ee9
[query_vars_changed:WP_Query:private] => 1
[thumbnails_cached] =>
[allow_query_attachment_by_filename:protected] =>
[stopwords:WP_Query:private] =>
[compat_fields:WP_Query:private] => Array
(
[0] => query_vars_hash
[1] => query_vars_changed
)
[compat_methods:WP_Query:private] => Array
(
[0] => init_query_flags
[1] => parse_tax_query
)
[tribe_is_event] =>
[tribe_is_multi_posttype] =>
[tribe_is_event_category] =>
[tribe_is_event_venue] =>
[tribe_is_event_organizer] =>
[tribe_is_event_query] =>
[tribe_is_past] =>
[tribe_controller] => Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller Object
(
[filtering_query:Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller:private] => WP_Query Object
*RECURSION*
)
)
Wanneer een patiënt meent dat een zorgverlener een medische fout heeft gemaakt, komt het regelmatig voor dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar een andere arts inschakelt om de situatie te beoordelen. Aan de...
Lees meer
Dit weekend vindt de Grand Prix in Zandvoort plaats. Het evenement is al geruime tijd officieel uitverkocht. Dus proberen F1-liefhebbers nog op het laatste moment tickets te kopen via niet-erkende...
Lees meer
Deze vraag is recent voorgelegd aan de rechtbank Den Haag (Rb. Den Haag 17 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8269). In deze kwestie had de merkhouder van het kledingmerk Elisabetta Franchi, te weten...
Lees meer
Steeds meer software wordt enkel als dienst aangeboden. Dit wordt ook wel Software as a Service (SaaS) genoemd. De software draait dan niet ‘on-premise’ bij de afnemer, maar is enkel...
Lees meer
Op 15 juli 2022 heeft het Tsjechisch voorzitterschap van de Europese Raad een aangepast voorstel gepubliceerd van de AI Verordening (AI Act). Dit aangepast voorstel borduurt voort op het voorstel...
Lees meer
Recent boog het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich over de vraag of het monitoren van een zakelijk e-mailaccount van een werknemer is toegestaan.[1] In de desbetreffende zaak verweet ING een van haar...
Lees meer
De handelsnaam Mr. Jobs (bedrijf in de arbeidsbemiddeling) maakt géén handelsnaaminbreuk op Mister Jobs (ook een bedrijf in arbeidsbemiddeling). Lees hierover mijn eerdere blog. De handelsnaam First Fatfreeze (een bedrijf...
Lees meer
Veel ondernemers maken gebruik van een nieuwsbrief. Het is een van de beste manieren om producten/diensten aan te prijzen en klanten te binden. Om ongewenste reclame te voorkomen, worden er...
Lees meer
Recent heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bepaald dat VoetbalTV geen boete hoeft te betalen, omdat het besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens op onjuiste gronden is...
Lees meer
Het Europese Hof van Justitie heeft op 7 juli 2022 een interessante uitspraak gedaan. Het hof heeft bepaald dat een merkhouder, in dit geval Koninklijke Philips N.V., aansprakelijk is voor...
Lees meer