WP_Query Object
(
[query] => Array
(
[news-type] => blog
)
[query_vars] => Array
(
[news-type] => blog
[error] =>
[m] =>
[p] => 0
[post_parent] =>
[subpost] =>
[subpost_id] =>
[attachment] =>
[attachment_id] => 0
[name] =>
[pagename] =>
[page_id] => 0
[second] =>
[minute] =>
[hour] =>
[day] => 0
[monthnum] => 0
[year] => 0
[w] => 0
[category_name] =>
[tag] =>
[cat] =>
[tag_id] =>
[author] =>
[author_name] =>
[feed] =>
[tb] =>
[paged] => 0
[meta_key] =>
[meta_value] =>
[preview] =>
[s] =>
[sentence] =>
[title] =>
[fields] => all
[menu_order] =>
[embed] =>
[category__in] => Array
(
)
[category__not_in] => Array
(
)
[category__and] => Array
(
)
[post__in] => Array
(
)
[post__not_in] => Array
(
)
[post_name__in] => Array
(
)
[tag__in] => Array
(
)
[tag__not_in] => Array
(
)
[tag__and] => Array
(
)
[tag_slug__in] => Array
(
)
[tag_slug__and] => Array
(
)
[post_parent__in] => Array
(
)
[post_parent__not_in] => Array
(
)
[author__in] => Array
(
[0] => 2
)
[author__not_in] => Array
(
)
[search_columns] => Array
(
)
[ignore_sticky_posts] =>
[suppress_filters] =>
[cache_results] => 1
[update_post_term_cache] => 1
[update_menu_item_cache] =>
[lazy_load_term_meta] => 1
[update_post_meta_cache] => 1
[post_type] =>
[posts_per_page] => 10
[nopaging] =>
[comments_per_page] => 50
[no_found_rows] =>
[taxonomy] => news-type
[term] => blog
[order] => DESC
)
[tax_query] => WP_Tax_Query Object
(
[queries] => Array
(
[0] => Array
(
[taxonomy] => news-type
[terms] => Array
(
[0] => blog
)
[field] => slug
[operator] => IN
[include_children] => 1
)
)
[relation] => AND
[table_aliases:protected] => Array
(
[0] => wp_term_relationships
)
[queried_terms] => Array
(
[news-type] => Array
(
[terms] => Array
(
[0] => blog
)
[field] => slug
)
)
[primary_table] => wp_posts
[primary_id_column] => ID
)
[meta_query] => WP_Meta_Query Object
(
[queries] => Array
(
)
[relation] =>
[meta_table] =>
[meta_id_column] =>
[primary_table] =>
[primary_id_column] =>
[table_aliases:protected] => Array
(
)
[clauses:protected] => Array
(
)
[has_or_relation:protected] =>
)
[date_query] =>
[queried_object] => WP_Term Object
(
[term_id] => 56
[name] => Blog van medewerkers
[slug] => blog
[term_group] => 0
[term_taxonomy_id] => 56
[taxonomy] => news-type
[description] =>
[parent] => 0
[count] => 1488
[filter] => raw
)
[queried_object_id] => 56
[request] => SELECT SQL_CALC_FOUND_ROWS wp_posts.ID
FROM wp_posts LEFT JOIN wp_term_relationships ON (wp_posts.ID = wp_term_relationships.object_id) LEFT JOIN wp_icl_translations wpml_translations
ON wp_posts.ID = wpml_translations.element_id
AND wpml_translations.element_type = CONCAT('post_', wp_posts.post_type)
WHERE 1=1 AND (
wp_term_relationships.term_taxonomy_id IN (56)
) AND wp_posts.post_author IN (2) AND ((wp_posts.post_type = 'post' AND (wp_posts.post_status = 'publish' OR wp_posts.post_status = 'acf-disabled' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-success' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-failed' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-schedule' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-pending' OR wp_posts.post_status = 'tribe-ea-draft'))) AND ( ( ( wpml_translations.language_code = 'nl' OR (
wpml_translations.language_code = 'nl'
AND wp_posts.post_type IN ( 'attachment' )
AND ( (
( SELECT COUNT(element_id)
FROM wp_icl_translations
WHERE trid = wpml_translations.trid
AND language_code = 'nl'
) = 0
) OR (
( SELECT COUNT(element_id)
FROM wp_icl_translations t2
JOIN wp_posts p ON p.id = t2.element_id
WHERE t2.trid = wpml_translations.trid
AND t2.language_code = 'nl'
AND (
p.post_status = 'publish' OR p.post_status = 'private' OR
( p.post_type='attachment' AND p.post_status = 'inherit' )
)
) = 0 ) )
) ) AND wp_posts.post_type IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','our_sector','our_rechtsgebieden','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker','backoffice','rechtsgebied-detail' ) ) OR wp_posts.post_type NOT IN ('post','page','attachment','wp_block','wp_template','wp_template_part','wp_navigation','our_sector','our_rechtsgebieden','acf-field-group','tribe_venue','tribe_organizer','tribe_events','mc4wp-form','slider-data','actualiteiten','accordion','failissementens','advocaten','blogs','seminar','juridisch-medewerker','backoffice','rechtsgebied-detail' ) )
GROUP BY wp_posts.ID
ORDER BY wp_posts.menu_order, wp_posts.post_date DESC
LIMIT 0, 10
[posts] => Array
(
[0] => WP_Post Object
(
[ID] => 45435
[post_author] => 2
[post_date] => 2025-08-06 15:32:36
[post_date_gmt] => 2025-08-06 13:32:36
[post_content] => Inleiding
Op 20 mei 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de eerste inhoudelijke uitspraak gedaan over onteigening onder de Omgevingswet. De rechtbank gaat uitgebreid in op het toetsingskader van de bekrachtigingsprocedure en verwijst daarbij naar de wettekst, de parlementaire geschiedenis en literatuur. In dit artikel bespreken wij de overgang van het oude systeem van onteigening naar het systeem onder de Omgevingswet en gaan wij in op de uitspraak van de rechtbank.
Onteigening
Onteigening is een instrument onder de Omgevingswet waarmee de overheid het eigendom op een onroerende zaak (gedwongen) kan ontnemen. Het instrument onteigening bestond al in het ‘oude’ omgevingsrecht, maar de procedure is met de inwerkingtreding wel veranderd. In het oude systeem werd bij Koninklijk Besluit door de Kroon bepaald of onteigening in het algemeen belang én noodzakelijk was. De rechtmatigheid van het Kroonbesluit kon vervolgens door de civiele rechter worden getoetst, waarna de civiele rechter ook de hoogte van de schade moest vaststellen.
Onder de Omgevingswet neemt het bestuursorgaan een onteigeningsbeschikking (art. 11.4 Ow). De onteigeningsbeschikking moet dan worden bekrachtigd door de bestuursrechter op basis van een ambtshalve toets. Pas na bekrachtiging treedt de onteigeningsbeschikking in werking (art. 16.33e Ow). De civiele rechter oordeelt vervolgens over de hoogte van de schadeloosstelling (art. 11.14 Ow).
Onteigening is alleen mogelijk wanneer aan drie voorwaarden is voldaan. Er moet een onteigeningsbelang zijn (te vinden in het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving), het moet noodzakelijk zijn en het moet urgent zijn (art. 11.5 Ow). Naast deze drie voorwaarden moet sprake zijn van een onteigeningsgrondslag. Dit betekent dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving is opgenomen in een vastgesteld omgevingsplan, of is mogelijk gemaakt in een verleende bopa-omgevingsvergunning of in een vastgesteld projectbesluit (art. 11.6 Ow). Als laatste moet zijn voldaan aan de wettelijke vormvoorschriften die zien op de totstandkoming van de onteigeningsbeschikking (art. 16.107 Ow).
Uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De gemeenteraad van Gemeente Gilze en Rijen wil het stationsgebied herontwikkelen door onder andere een onderdoorgang naar de perrons en de fietsenstalling te realiseren. Voor de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente de grond van twee percelen nodig. Voor de twee percelen is daarom een onteigeningsbeschikking vastgesteld. Vervolgens heeft de gemeente een verzoek tot bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank moet altijd ambtshalve toetsen of aan de voorwaarden voor onteigening is voldaan, of er een grondslag voor onteigening is, en of aan de formele vormvoorschriften is voldaan (art. 16.107 Ow). Daarnaast kunnen belanghebbenden eventuele bedenkingen indienen (art. 16.97 Ow).
Voor perceel 1 wijst de rechtbank het bekrachtigingsverzoek toe, maar voor perceel 2 wordt het verzoek afgewezen. Op basis van de volgende overwegingen komt de rechtbank tot dit oordeel.
-
Grondslag
De grondslag voor onteigening is terug te vinden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In een bestemmingsplan opgenomen in het tijdelijk deel zijn de functies ‘verkeer-railverkeer’, ‘fietsenstalling’ en ‘verkeer’ aan de percelen toegekend. De belanghebbende voert aan dat dit niet voldoet als grondslag omdat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is. Dit is volgens de rechtbank niet het geval. Er is dus wel voldaan aan een grondslag voor onteigening. Wel is het zo dat pas wanneer het bestemmingsplan (opgenomen in het omgevingsplan) onherroepelijk is geworden, de onteigeningsakte door de notaris kan worden opgesteld (art. 11.16 Ow). Dit was door de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak in de Raad van State al eerder vorig jaar bevestigd.
-
Wettelijke vormvoorschriften
De onteigeningsbeschikking moet voldoen aan de vormvoorschriften die volgen uit de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt onder andere dat de ontwerponteigeningsbeschikking en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage moeten worden gelegd. Een van de verplichte stukken die betrekking heeft op de onteigeningsbeschikking is het logboek waarin de pogingen tot minnelijk overleg zijn opgenomen. Volgens de belanghebbende had het logboek ter inzage moeten zijn gelegd. Hier gaat de rechtbank niet in mee vanwege de persoonsgegevens en financiële gegevens die in het logboek zijn opgenomen. Wel had de gemeente de belanghebbenden de mogelijkheid moeten geven het logboek op te vragen. Omdat het logboek tijdens de rechterlijke procedure alsnog is overgelegd wordt het gebrek door de rechtbank gepasseerd.
-
Onteigeningsbelang, noodzaak en urgentie
Het onteigeningsbelang volgt uit het omgevingsplan waarin de beoogde ontwikkeling is mogelijk gemaakt. Het belang bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder de bereikbaarheid van het station en het verhelpen van knelpunten bij het spoor. Ook is sprake van urgentie. Er is namelijk voldaan aan de wettelijke urgentie-eis dat de gronden binnen drie jaar nodig zijn. De gemeente heeft hiervoor voldoende gemotiveerd toegelicht dat de feitelijke werkzaamheden binnen drie jaar van start zullen gaan. Voor perceel 1 is ook aan het noodzaak-criterium voldaan omdat de gemeente een redelijke poging heeft gedaan om het perceel te verwerven door minnelijk overleg. Voor perceel 2 is er echter geen noodzaak meer omdat inmiddels overeenstemming is bereikt om de grond te verkopen in ruil voor een ander stuk grond. Hierdoor bekrachtigt de rechtbank alleen voor perceel 1 de onteigeningsbeschikking.
Concluderend
In deze uitgebreide uitspraak is het toetsingskader voor bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking duidelijk uiteengezet door de rechtbank. Het toetsingskader dat volgt uit de Omgevingswet wordt nauw gevolgd door de rechtbank en er wordt ook uitgebreid verwezen naar de
relevante wettelijke bepalingen. Daarnaast is duidelijk geworden dat het bestuursorgaan de eigenaar van de betreffende grond zal moeten wijzen op de mogelijkheid het logboek in te zien, maar dat deze niet voor een ieder ter inzage hoeft te worden gelegd.
Dit artikel is geschreven door
Kim Albert en
Anne Verberne.

[post_title] => Onteigening onder de Omgevingswet: eerste uitspraak over bekrachtiging door bestuursrechter
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => onteigening-onder-de-omgevingswet-eerste-uitspraak-over-bekrachtiging-door-bestuursrechter
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2025-08-06 15:34:10
[post_modified_gmt] => 2025-08-06 13:34:10
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=45435
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[1] => WP_Post Object
(
[ID] => 45376
[post_author] => 2
[post_date] => 2025-08-01 10:17:21
[post_date_gmt] => 2025-08-01 08:17:21
[post_content] =>
Inleiding
Op 29 april 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch
uitspraak gedaan over de termijnen voor elektriciteitsaansluiting. Het ging daarbij om de vraag of de netbeheerder Enexis
aansprakelijk is voor schade ontstaan door het overschrijden van de 18-wekentermijn die voortvloeit uit artikel 23, vierde lid, van de
Elektriciteitswet 1998. In dit artikel bespreken wij de achtergrond van de zaak en het oordeel van het Gerechtshof.
Het geschil
ZT Netherlands heeft in 2020 een aanvraag voor een elektriciteitsaansluiting gedaan bij Enexis. Voor de aansluiting werd door Enexis een realisatietermijn van gemiddeld 45 weken gegeven in de offerte. De offerte is vervolgens getekend door ZT Netherlands. 25 weken na ondertekening is de aansluiting gerealiseerd. Tot aan de realisatie van de aansluiting maakte ZT Netherlands gebruik van dieselaggregaten om de bedrijfsvoering door te laten lopen. Voor de gemaakte kosten stelde ZT Netherlands vervolgens Enexis aansprakelijk vanwege het overschrijden van de termijn.
Wettelijke termijn voor elektriciteitsaansluiting
In de Elektriciteitswet stond een wettelijke bepaling waaruit volgde dat een aansluiting op het elektriciteitsnet binnen redelijke termijn gerealiseerd moest worden. Deze redelijke termijn verstreek 18 weken na de aanvraag. Na uitspraken door het Europese Hof van Justitie in 2020 en 2021 werd echter bekend gemaakt door de ACM dat niet meer zou worden gehandhaafd op de wettelijke 18-wekentermijn en dat zou worden gekeken naar de norm van een ‘redelijke aansluittermijn, die afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval nader kan worden vastgesteld’. De 18-wekentermijn was namelijk in strijd met het Europese recht omdat deze had moeten worden vastgesteld door de nationale regulerende instantie in plaats van de wetgever. Ondanks het afzien van handhaving door de ACM is de 18-wekentermijn de afgelopen jaren wel toegepast door de rechters. Zo ook in de uitspraak in eerste aanleg over het geschil tussen ZT Netherlands en Enexis door de Rechtbank Oost-Brabant.
Uitspraak Gerechtshof
In 2023 oordeelde de Rechtbank Oost-Brabant dus dat de 18-weken termijn verbindend was ondanks de uitspraken van het Europese Hof en het afzien van handhaving door de ACM. Enexis werd dus aansprakelijk gehouden voor de schade van ZT Netherlands als gevolg van de langere aansluittermijn.
In
hoger beroep deed Enexis een beroep op het Europese recht. Uit de Elektriciteitsrichtlijn volgt dat netbeheerders in beroep moeten kunnen gaan over de nationale voorwaarden die worden gesteld door de nationale regulerende instantie (de ACM) over de toegang tot het net. De 18-wekentermijn volgt echter uit een wet in formele zin, namelijk de Elektriciteitswet en is dus niet vastgesteld door het ACM. Hierdoor kon Enexis de termijn niet ter discussie stellen. Het Gerechtshof gaat mee in het betoog van Enexis en oordeelt dat de 18-wekentermijn uit de Elektriciteitswet buiten toepassing moet worden gelaten omdat de totstandkoming strijd oplevert met het Europese recht.
Vervolgens moest het Gerechtshof beoordelen of sprake is van een ‘redelijke’ termijn. Dit is volgens het Gerechtshof het geval. Hierbij speelde onder andere een rol dat de gemiddelde aansluittermijn op het moment van de aanvraag van ZT Netherlands 35 weken bedroeg, dat Enexis meermaals heeft aangegeven dat de realisatie langer zou duren dan 18 weken, en dat het redelijk is dat Enexis een ‘first-come-first-served’ principe hanteerde en dus
geen voorrang gaf aan ZT Netherlands.
Concluderend
De 18-wekentermijn waar het in deze zaak om draaide is niet in de nieuwe Energiewet opgenomen en is per 22 februari 2025 vervallen. In plaats daarvan moet de netbeheerder de aansluiting realiseren ‘binnen een redelijke termijn’. Duidelijk is geworden dat op grond van het Europese recht de ACM bevoegd is om aansluittermijnen vast te stellen. Deze termijnen zijn vastgelegd in de
Netcode elektriciteit, waarin onder andere uitzonderingen zijn opgenomen wanneer sprake is van netcongestie of overmacht.

[post_title] => Redelijke termijn voor elektriciteitsaansluiting
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => redelijke-termijn-voor-elektriciteitsaansluiting
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2025-08-01 10:17:21
[post_modified_gmt] => 2025-08-01 08:17:21
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=45376
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[2] => WP_Post Object
(
[ID] => 44891
[post_author] => 2
[post_date] => 2025-04-24 13:43:12
[post_date_gmt] => 2025-04-24 11:43:12
[post_content] =>
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking getreden. In beide wetten speelt het begrip ‘bouwwerk’ een belangrijke rol. In de Omgevingswet is een definitie van het begrip ‘bouwwerk’ opgenomen. Met de inwerkingtreding van de Wkb is ook een aantal wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek (BW) doorgevoerd, in zowel de Wkb als het BW is het begrip echter niet gedefinieerd. Als gevolg hiervan was het in de praktijk nog niet duidelijk wat onder de definitie ‘bouwwerk’ viel. Een duidelijke definitie van het begrip is van belang omdat dit bepalend is voor onder andere de toepasselijkheid van de Wkb. In dit artikel bespreken wij een recent rapport van het Instituut voor Bouwrecht waarin het begrip in detail is besproken, hiermee is meer duidelijkheid gecreëerd over de invulling en reikwijdte van het begrip ‘bouwwerk’ in het BW.
Rapport IBR: De betekenis van het begrip ‘bouwwerk’
Onder het oude omgevingsrechtelijke stelsel was het begrip ‘bouwwerk’ niet gedefinieerd in formele wetgeving. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is daar verandering in gekomen. In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is ‘bouwwerk’ gedefinieerd als:
“een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart”.
Uit de Memorie van Toelichting volgt dat met deze definitie is aangesloten bij de definitie die Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) al hanteerde. Eerdere jurisprudentie blijft hierdoor van toepassing. In de Wkb wordt de definitie voor het begrip ‘bouwwerk’ niet opnieuw gegeven, maar wordt volgens de toelichting aangesloten bij de definitie in de Omgevingswet.
Het Instituut voor Bouwrecht (IBR) is in een
rapport ingegaan op de betekenis van het begrip ‘bouwwerk’ in de historische context, onder de Omgevingswet en de Wkb en in relatie tot het BW. De definitie die onder de Omgevingswet wordt gehanteerd is niet van toepassing voor het private recht (BW). Voor het BW volgt uit het rapport een ruime reikwijdte van het begrip ‘bouwwerk’. Het moet gaan om een fysieke constructie die met de aarde is verbonden. Hieronder kan dus bijvoorbeeld ook infrastructuur vallen, wat onder de Omgevingswet juist apart is gedefinieerd. Het bouwwerk-begrip is onder het BW dan ook breder dan onder de Omgevingswet.
‘Bouwwerk’ onder de Omgevingswet (Rb. Oost-Brabant ECLI:NL:RBOBR:2025:1591)
Zoals besproken in het rapport van het IBR is het begrip ‘bouwwerk’ in de Omgevingswet wel gedefinieerd. In een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant stond deze definitie ter discussie.
De voorzieningenrechter oordeelt, zoals ook in de Memorie van Toelichting staat, dat de definitie in de Omgevingswet aansluit bij eerdere rechtspraak. Hierdoor kan aan de definitie dezelfde uitleg en betekenis worden gegeven. Uit eerdere jurisprudentie volgt dat de duur van plaatsing niet bepalend is voor de vraag of het al dan niet een bouwwerk is. Van belang is dat de constructie bedoeld is om ter plaatste te functioneren en dat het op de grond staat, is dit het geval, dan gaat het om een bouwwerk.
Concluderend
Met het IBR rapport is er meer duidelijkheid gecreëerd over het verschil tussen
het omgevingsrechtelijke bouwwerk-begrip en het
privaatrechtelijke bouwwerk-begrip in het BW zoals geïntroduceerd door de Wkb. Waar onder de Omgevingswet bijvoorbeeld het begrip ‘infrastructuur’ apart gedefinieerd is, valt dit volgens het rapport mogelijk wel onder de privaatrechtelijke reikwijdte. Hetzelfde geldt voor bijvoorbeeld waterstaatswerken en watersystemen. De uitleg van het begrip ‘bouwwerk’ in het BW is dus ruimer dan onder de
Omgevingswet.

[post_title] => Het begrip ‘bouwwerk’ ruimer in het Burgerlijk Wetboek dan onder de Omgevingswet
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => het-begrip-bouwwerk-ruimer-in-het-burgerlijk-wetboek-dan-onder-de-omgevingswet
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2025-04-24 13:43:12
[post_modified_gmt] => 2025-04-24 11:43:12
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=44891
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[3] => WP_Post Object
(
[ID] => 36998
[post_author] => 2
[post_date] => 2023-06-30 08:30:34
[post_date_gmt] => 2023-06-30 06:30:34
[post_content] => Verhuurders maken in de praktijk vaak gebruik van tijdelijke huurovereenkomsten om zelfstandige woonruimten voor maximaal twee jaar en onzelfstandige woonruimten voor maximaal vijf te kunnen verhuren,
zonder dat huurders huurbescherming genieten. Het grote voordeel van deze huurovereenkomsten is namelijk dat deze na afloop van de looptijd van rechtswege eindigen.
De wetgever heeft de wens geuit om de in 2016 ingevoerde mogelijkheid om tot tijdelijke verhuur over te gaan, weer af te schaffen. Lees hier het
artikel van
Robin de Hoon en
Michael de Marco.

Mocht u hierover vragen hebben, neem dan gerust contact op met
één van onze specialisten.

[post_title] => Mogelijkheid tijdelijke woninghuur wordt beperkt
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => mogelijkheid-tijdelijke-woninghuur-wordt-beperkt
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-06-30 08:30:34
[post_modified_gmt] => 2023-06-30 06:30:34
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=36998
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[4] => WP_Post Object
(
[ID] => 35700
[post_author] => 2
[post_date] => 2023-04-06 10:32:33
[post_date_gmt] => 2023-04-06 08:32:33
[post_content] =>
Inleiding
Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. In die wet ligt voor de inrichting van de fysieke leefomgeving de nadruk op
kerninstrumenten als het
omgevingsplan en de
omgevingsvisie.
In dit artikel wordt ingegaan op het programma als kerninstrument van de Omgevingswet. Voor het bereiken van de doelen voor de fysieke leefomgeving worden in het omgevingsplan regels gesteld. Deze regels worden opgenomen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onder de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro) draait alles nog om het begrip “een goede ruimtelijke ordening”. Het begrip de fysieke leefomgeving komt daarvoor dus in de plaats. Naast de regels van het omgevingsplan kunnen de programma’s een belangrijke rol spelen bij het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.
Het programma
Een
programma wordt door het college van B&W, het algemeen bestuur van een waterschap, gedeputeerde Staten van een provincie of door een minister die het aangaat, vastgesteld voor de uitwerking van strategische beleidskeuzes (artikel 3.4 Omgevingswet). In tegenstelling tot een omgevingsvisie, die meer strategisch omgevingsbeleid vastlegt, is een programma vooral
uitvoeringsgericht. De nadruk ligt op het tijdig bereiken van de beleidsdoelen voor het desbetreffende aspect van de fysieke leefomgeving.
Het programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving:
- een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan;
- maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken (artikel 3.5 Omgevingswet).
Voorbeelden van programma’s onder de huidige Wro zijn de Luchtvaartnota 2020-2050 en het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (PAS), waar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 29 mei 2019
[1] een streep door heeft gehaald in het kader van de stikstofproblematiek. Het PAS zal dus niet terugkeren onder de Omgevingswet.
Type programma’s
Een programma kan opgesteld worden voor een onderdeel van de
fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld de inrichting van het landschap, maar kan ook ingezet worden voor gebiedsontwikkeling. Bij
gebiedsontwikkeling zal de overheid in de regel beginnen met een omgevingsvisie waarin op grond van een integrale beschouwing keuzes op hoofdlijnen gemaakt worden voor de gewenste ontwikkelrichting van het plangebied. De omgevingsvisie kan ook een uitwerking in detail bevatten, maar er zal eerder behoefte zijn aan een gebiedsgerichte uitwerking. Dat kan dan in een programma met beleid voor deelgebieden. Voor bestuursorganen bestaat in principe geen verplichting om programma’s vast te stellen. Er bestaat dus beleidsvrijheid, tenzij een verplicht programma is voorgeschreven, bijvoorbeeld op grond van Europese regelgeving. Van een verplicht programma kan ook sprake zijn als uit monitoring blijkt dat niet, of niet meer voldaan wordt aan een omgevingswaarde of een overschrijving daarvan dreigt (artikel 3.10 Omgevingswet).
Naast verplichte programma’s in het geval dat omgevingswaarden overschreven (dreigen te) worden, kent de Omgevingswet
verplichte programma’s voor gemeentes, provincies, waterschappen en voor de rijksoverheid. Dan moet gedacht worden aan programma’s voor (grootschalige) infrastructuur zoals wegen, het spoor en luchthavens. Op rijksniveau dient dan een programma opgesteld te worden voor beleid om bijvoorbeeld omgevingslawaai tegen te gaan. Niet alleen voor de snelwegen, de hoofdspoorwegen, maar ook voor de luchthaven Schiphol. Voor de rijksoverheid kan dan ook gedacht worden aan stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en een nationaal waterprogramma.
Wie zijn gebonden aan programma’s
Aangezien een programma geen regels bevat die de burger binden, is in beginsel alleen het bestuursorgaan dat het programma uitvaardigt daaraan gebonden. De consequentie daarvan is dat tegen een programma in principe geen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Dat is slechts anders in het geval dat een onderdeel van het programma een rechtstreekse titel geeft voor het uitvoeren van activiteiten. Een programma wordt wel voorbereid met de zogenaamde uniforme openbare voorbereidingsprocedure waarbij door burgers een
inspraakreactie (zienswijze) naar voren kan worden gebracht.
Conclusie
Programma’s zijn in de regel uitvoeringsgericht en bevatten
beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving, of maatregelen om aan één of meer omgevingswaarden te voldoen, of om een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.
[1] Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 en 1604
Lees hier de artikelen uit de blogreeks:
Deel 1: De Omgevingsvisie
Deel 2: Doel en opbouw van de Omgevingswet
Deel 3: Algemene rijksregels en decentrale regels
Deel 4: Het Omgevingsplan
Deel 5: Het programma onder de Omgevingswet
Deel 6: De omgevingsplanactiviteit
Deel 7: Afwijken van het omgevingsplan
Deel 8: Vergunningvrij bouwen onder de Omgevingswet
Deel 9: Participatie onder de Omgevingswet
Deel 10: Instructies en instructieregels Provincie
Deel 11: Het projectbesluit
Deel 12: Planschade onder de Omgevingswet
Deel 13: Geluid onder de Omgevingswet
Deel 14: Handhaving onder de Omgevingswet
Deel 15: De Bruidsschat en overgangsrecht

[post_title] => Het programma onder de Omgevingswet
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => het-programma-onder-de-omgevingswet
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2024-03-27 11:33:28
[post_modified_gmt] => 2024-03-27 10:33:28
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=35700
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[5] => WP_Post Object
(
[ID] => 35249
[post_author] => 2
[post_date] => 2023-03-09 15:19:15
[post_date_gmt] => 2023-03-09 14:19:15
[post_content] => Het Brabants Dagblad vroeg niet alleen een hoogleraar Bestuurskunde, maar ook
Kim Albert, advocaat
vastgoed- en omgevingsrecht van BG.legal als ‘expert’ naar zijn professionele mening over de
consequenties van het bouwen van een grotere villa in Bruchem dan door de
gemeente Zaltbommel is vergund. Wat kun je in een dergelijk geval als burger van een gemeente verwachten?
Bron: Brabants Dagblad, 9 maart 2023
In het recht geldt ‘de beginselplicht tot handhaving’, dat wil zeggen
optreden tegen de overtreding, maar ook dat bekeken wordt of legalisering mogelijk en wenselijk is. Die afweging ligt bij de gemeente die daarbij alle belangen dient te betrekken.
Welk vertrouwen moet daarbij gerespecteerd worden? Voer voor discussie.
Lees hier hele artikel, "
Gemeente moet optreden tegen veel te grote villa."

[post_title] => De gevolgen van te groot bouwen?
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => de-gevolgen-van-te-groot-bouwen
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-03-09 15:30:46
[post_modified_gmt] => 2023-03-09 14:30:46
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=35249
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[6] => WP_Post Object
(
[ID] => 30135
[post_author] => 2
[post_date] => 2022-05-03 09:51:49
[post_date_gmt] => 2022-05-03 07:51:49
[post_content] =>
Het Brabants Dagblad opende vrijdag 29 april jl. met de vraag of
Heesen Yachts uit Oss kopje ondergaat door haar Russische eigenaar. De jachtenbouwer zou snel af willen van baas Vagis Alekperov maar de notaris zou dwarsliggen. Het is echter de vraag of Heesen de banden met de eigenaar serieus wil verbreken. Dat blijkt in ieder geval niet uit het voor de Rechtbank Amsterdam gevoerde kort geding waarin op
28 april 2022 uitspraak werd gedaan.
Belang onderneming
Heesen voerde in het kort geding twee sterke argumenten aan die de notaris en de rechter moesten bewegen medewerking te verlenen aan de voorgenomen transactie. Ten eerste zou het
faillissement van de scheepswerf, waardoor de werkgelegenheid van ongeveer 1000 medewerkers in gevaar zou komen en ook toeleveranciers de dupe zouden worden, onvermijdelijk zijn als de Russische eigenaar op de nieuwe EU sanctielijst zou komen te staan. Als tweede argument werd aangevoerd dat de vennootschap om die reden een groot en spoedeisend belang zou hebben om zo snel als mogelijk haar banden te verbreken met haar Russische eigenaren. Maar wat hield die transactie nu precies in? De bedoeling is om alle aandelen te verkopen en te leveren aan een nog op te richten Stichting Continuïteit. Die stichting zou de koopprijs schuldig blijven en die zou worden omgezet in een lening. Gelet op deze grote belangen zou je verwachten dat volledige opening van zaken gegeven zou worden. Maar dat gebeurt niet, zodat het vonnis van de Rechtbank Amsterdam om de notaris geen opdracht te geven zijn medewerking te verlenen, niet als een verrassing komt.
Uitspraak rechtbank
De rechtbank overweegt dat met de voorgenomen transactie op dit moment geen sancties overtreden worden maar dat de notaris toch haar medewerking heeft geweigerd omdat zij geen medewerking kan verlenen aan transacties die potentieel bijdragen aan het ontwijken van maatregelen en sancties. De rechtbank stelt ook vast dat niet is tegengesproken dat de eigenaar van Heesen behoort of behoorde tot de inner circle van de Russische president Poetin en dat de reële mogelijkheid bestaat dat hij (op korte termijn) op de
sanctielijst van de EU komt te staan. De rechtbank begrijpt dan ook dat de notaris een redelijke overtuiging of een redelijk vermoeden kon hebben van het schenden of omzeilen van sancties. Maar ook de voorgenomen verkoop van aandelen aan de stichting en het gebrek aan informatie speelt een rol. De rechtbank overweegt dat geen nadere stukken of argumenten zijn ingebracht en met name dat de concept stukken van de voorgenomen transactie ontbreken. Hoe valt dan te controleren dat het geen schijnconstructie is? Door Heesen is in het
kort geding gesteld dat de Russische eigenaren na de voorgenomen transactie geen enkele zeggenschap meer zouden hebben in de onderneming. De rechtbank overweegt daarover terecht dat of dit juist is (en of zij niet toch een financieel belang houden), door het ontbreken van relevante stukken, niet kan worden vastgesteld.
Geen verbreking van de banden
Het is de bedoeling dat de koopprijs schuldig gebleven wordt door middel van een lening. Daarmee houden de Russische eigenaren toch grip op en de controle over de onderneming. We kennen de stukken niet, maar een lening wordt in de regel niet op de blauwe ogen verstrekt. Het is gebruikelijk dat de verkoper/geldschieter zekerheden bedingt voor het geval dat de lening niet of niet tijdig wordt terugbetaald. Denk aan een
pandrecht op de aandelen. Door uitwinning van die aandelen zouden de Russische eigenaren weer (indirect) de economische en juridische zeggenschap over de onderneming kunnen krijgen. Ook is geen openheid van zaken gegeven over de personen die de Stichting Continuïteit zouden gaan besturen. De continuïteit van de scheepswerf en met name het voortbestaan van de werkgelegenheid van ongeveer 1000 medewerkers is een terecht punt van zorg, maar die belangen worden niet gediend in het geval dat een onduidelijk en onvolledig verhaal gepresenteerd wordt en geen echte opening van zaken gegeven wordt. Als het echt om het voortbestaan van de onderneming en de werkgelegenheid gaat zou het logischer zijn geweest meer transparantie te betrachten. Ook zouden de aandelen en de zeggenschap overgedragen kunnen worden aan een partij die niet op enige sanctielijst vermeld staat en zouden de banden in ieder geval onvoorwaardelijk verbroken moeten worden. Of die partij te vinden is en of dat haalbaar is, is vanzelfsprekend een andere vraag.
Kim Albert, advocaat te 's-Hertogenbosch bij BG.legal.

[post_title] => Onderneming en personeel Heesen hebben recht op transparantie
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => onderneming-en-personeel-heesen-hebben-recht-op-transparantie
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2022-05-03 09:51:49
[post_modified_gmt] => 2022-05-03 07:51:49
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=30135
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[7] => WP_Post Object
(
[ID] => 28539
[post_author] => 2
[post_date] => 2022-02-11 08:44:20
[post_date_gmt] => 2022-02-11 07:44:20
[post_content] => De huizenmarkt is zwaar overspannen. Er is krapte op de woningmarkt en de prijzen stijgen meer dan gemiddeld. De roep om extra woningen is groot en daarnaast zijn er zorgen dat nieuwe woningen wel voor de juiste doelgroep beschikbaar komen. De Rijksoverheid en gemeenten willen
meer grip op de woningmarkt krijgen door nieuwe wetgeving en door het treffen van maatregelen. Gemeenten gebruiken onder andere de volgende middelen:
- Het anti-speculatiebeding;
- Het opleggen van een zelfbewoningsplicht;
- Het invoeren van opkoopbescherming.
In deze bijdrage zal hierop ingegaan worden.
Het anti-speculatiebeding
Om te voorkomen dat met een nieuw gebouwde woning gespeculeerd wordt en die door de bouwer of eerste eigenaar meteen met winst wordt doorverkocht, zonder daar zelf te gaan wonen, kan in de leveringsakte voor een bouwkavel of voor een nieuwbouwwoning een
anti-speculatiebeding opgenomen worden. Daarin verplicht de koper zich om gedurende een bepaalde periode van bijvoorbeeld één of twee jaar niet tot verkoop en levering aan een ander over te gaan zonder toestemming van de gemeente. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het opleggen van een anti-speculatiebeding geen onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht oplevert en dus is toegestaan zolang het geen beperking oplevert van het recht van vrije vestiging. Aan het anti-speculatiebeding wordt vaak een boete gekoppeld en naleving zal dus via privaatrechtelijke weg plaatsvinden. De gemeente kan daartegen niet met publiekrechtelijke middelen, zoals een last onder dwangsom, optreden.
De zelfbewoningsplicht
Bij de zelfbewoningsplicht dient de
koper van een bouwkavel of woning die (daarop gebouwde) woning gedurende een bepaalde periode zelf te bewonen. De zelfbewoningsplicht is niet wettelijk geregeld, maar in de rechtspraak wel aanvaard, zodat geen regels voor de duur daarvan gelden. In de praktijk komt een termijn van drie à vijf jaar voor. Ook de naleving van de zelfbewoningsplicht dient privaatrechtelijk gehandhaafd te worden. De zelfbewoningsplicht beperkt het eigendomsrecht zodat hoe langer die verplichting duurt hoe eerder de rechter zal oordelen dat de periode disproportioneel is.
Rechtvaardiging zelfbewoningsplicht
In deze overspannen woningmarkt leggen meer en meer gemeenten de zelfbewoningsplicht op. Er moet echter wel een
noodzaak bestaan. Zo mag van gemeenten verwacht worden dat de krapte op de woningmarkt in de betreffende gemeente wordt aangetoond. De zelfbewoningsplicht mag ook niet voor alle woningen gelden. In het hogere segment is er geen of minder krapte, zodat de verplichting daarvoor niet gerechtvaardigd is. De grens wordt bereikt bij woningen waarvoor geen Nationale hypotheekgarantie meer verkregen kan worden. Die grens ligt op dit moment op € 355.000,=, maar veel gemeenten leggen de grens bij € 500.000,= à € 600.000,=.
Aangezien de zelfbewoningsplicht privaatrechtelijk wordt opgelegd hebben gemeenten de beste mogelijkheid om die op te leggen bij uitgifte van gemeentelijke bouwgrond. De zelfbewoningsplicht wordt dan opgelegd bij de verkoop en levering van de grond of bij de uitgifte in erfpacht. Vaak wordt ook een kwalitatieve verplichting en kettingbeding met boetes aan de zelfbewoningsplicht gekoppeld. Daarmee wordt bereikt dat de
verplichting door de koper ook weer wordt opgelegd aan een opvolgende verkrijger. In het geval dat een gemeente geen grondpositie heeft maar afhankelijk is van de grondpositie van een projectontwikkelaar of aannemer, kan een gemeente de zelfbewoningsplicht opleggen via een met de projectontwikkelaar of aannemer te sluiten anterieure overeenkomst. In een dergelijke overeenkomst worden afspraken gemaakt over het bijdragen in openbare en infrastructurele kosten, verhaal van planschades en het verkrijgen van planologische medewerking. Aangezien de
Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening de mogelijkheid bieden om anti-speculatieregels (waartoe de zelfbewoningsplicht gerekend kan worden) voor sociale huur- en koopwoningen op te nemen in een gemeentelijk exploitatieplan, wordt aangenomen dat een gemeente daarover ook afspraken met een projectontwikkelaar of aannemer kan maken in een anterieure overeenkomst.
Opkoopbescherming
Op
1 januari 2022 is de Wet opkoopbescherming en tijdelijke verhuur in werking getreden. Deze wet ziet op wijziging van de
Huisvestingswet en van het Burgerlijk Wetboek. In dat wetboek worden ruimere mogelijkheden opgenomen voor het sluiten van tijdelijke huurovereenkomsten. De wijziging van de Huisvestingswet strekt ertoe om gemeenteraden de bevoegdheid te geven om een opkoopbescherming voor (een) nader te bepalen gebied(en) in te voeren in de vorm van een verbod om woningen zonder vergunning te verhuren. Dat wordt dan geregeld in de gemeentelijke huisvestingsverordening. De gemeenteraad zal wel moeten aantonen dat in bepaalde gebieden van de gemeente door schaarste aan goedkope en middel dure woningen onevenwichtige en onrechtvaardige effecten op de woningmarkt optreden. Invoering van de opkoopbescherming is ook mogelijk om het behoud van de leefbaarheid van een buurt te verzekeren, ongeacht de vraag of sprake is van schaarste. De gemeente zal dus wel moeten onderbouwen dat de opkoopbescherming (in de vorm van een verbod om zonder vergunning te verhuren) noodzakelijk en effectief is. Het verbod om zonder vergunning te verhuren geldt alleen voor koopwoningen die na invoering van het verbod in een door de gemeenteraad aangewezen gebied worden aangekocht en voor woningen die minder dan zes maanden in verhuurde staat waren op het moment van eigendomsoverdracht. In het geval van doorverkoop van de woning blijft de opkoopbescherming gelden voor woningen die met vergunning verhuurd zijn. De opvolgend eigenaar dient dan een nieuwe vergunning aan te vragen.
De per 1 januari jl. ingevoerde opkoopbescherming blijft vooralsnog voor een beperkte periode van drie jaar gelden. De opkoopbescherming komt dan mogelijk te vervallen indien er geen krapte meer op de woningmarkt is.
Uitzonderingen
Voor alle maatregelen geldt dat gemeenten
uitzonderingen kunnen toestaan. Daarbij kan gedacht worden aan situaties van echtscheiding, schuldsanering, noodzakelijke verhuizing wegens werk elders of een executieveiling/openbare verkoop van de woning door de bank.
Afronding
Met de hiervoor genoemde instrumenten hebben gemeentes een gereedschapskist om de krapte op de woningmarkt tegen te gaan. Het zijn echter geen tovermiddelen. De noodzaak en de effectiviteit van de maatregelen zal steeds onderbouwd moeten worden en de duur van de maatregelen en de categorieën van woningen is begrensd, omdat de maatregelen op gespannen voet met het eigendomsrecht kunnen staan. De maatregelen gelden slechts voor goedkope en middel dure koopwoningen. Tenslotte is de effectiviteit van de maatregelen sterk
afhankelijk van de daadkracht van een gemeente.

[post_title] => De zelfbewoningsplicht en opkoopbescherming
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => de-zelfbewoningsplicht-en-opkoopbescherming
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2022-02-11 08:46:37
[post_modified_gmt] => 2022-02-11 07:46:37
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=28539
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[8] => WP_Post Object
(
[ID] => 28709
[post_author] => 2
[post_date] => 2022-01-26 09:04:17
[post_date_gmt] => 2022-01-26 08:04:17
[post_content] => Voor de kwaliteit van de zorg zijn goed bestuur en toezicht een belangrijke voorwaarde. Per 1 januari 2022 is de Governancecode Zorg van 2017
geactualiseerd. De code betreft een richtinggevend en leidend document voor de zorgsector zelf. De code geeft aan de sector tools om bij te dragen aan het waarborgen van goede zorg en de versterking van het maatschappelijk vertrouwen in de zorg. De code moet stimuleren tot reflectie op en het gesprek over het functioneren van bestuurders en toezichthouders van zorginstellingen en hun onderlinge verhouding. De code betreft een vorm van zelfregulering waarmee de verantwoordelijkheid genomen kan worden voor de kwaliteit van de zorg. In deze bijdrage wordt ingegaan op de belangrijkste wijzigingen van de geactualiseerde Governancecode Zorg 2022.
Zeven principes
De code is gebaseerd op zeven principes die
sectorbreed gedragen worden:
- De maatschappelijke doelstelling en legitimatie van de zorgorganisatie is het bieden van goede zorg aan cliënten.
- De raad van bestuur en de raad van toezicht van de zorginstelling hanteren waarden en normen die passen bij de maatschappelijke positie van de zorgorganisatie.
- De zorgorganisatie schept randvoorwaarden en waarborgen voor een adequate invloed van belanghebbenden.
- De raad van bestuur en de raad van toezicht van de zorgorganisatie zijn ieder vanuit hun eigen rol verantwoordelijk voor de governance van de zorgorganisatie.
- De raad van bestuur bestuurt de zorgorganisatie gericht op haar maatschappelijke doelstelling.
- De raad van toezicht houdt toezicht vanuit de maatschappelijke doelstelling van de zorgorganisatie.
- De raad van bestuur en de raad van toezicht ontwikkelen permanent hun professionaliteit en deskundigheid.
Reden actualisatie
De actualisatie van de governancecode houdt verband met de evaluatie van die code uit 2017. Daarnaast was de actualisatie nodig in verband met de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (
Wbtr), de Wet toetreding zorgaanbieders (
Wtza), de Aanpassingswet toetreding zorgaanbieders, het Uitvoeringsbesluit Wtza en de Uitvoeringsregeling Wtza.
De Wbtr is op 1 juli 2021 in werking getreden en bevat regels om tegenstrijdige belangen te voorkomen. Dit betreft echter een interne aangelegenheid. Eventuele ongeldige besluitvorming als gevolg van het meestemmen van de betrokken bestuurder ondanks een (persoonlijk) tegenstrijdig belang tast de externe vertegenwoordigingsbevoegdheid niet aan. Ook verplicht de Wbtr om in de statuten een belet- en ontstentenisregeling op te nemen. De geactualiseerde governancecode zorg sluit hierop aan.
Ook de Wtza is op 1 juli 2021 in werking getreden en beoogt de
controle en het
toezicht op (nieuwe) zorgaanbieders te vergroten. Met die wet is een meldingsplicht voor nieuwe zorgaanbieders bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd ingevoerd evenals een vergunningplicht voor zorgaanbieders met meer dan tien zorgverleners.
Ongewenste belangenverstrengeling
Paragraaf 2.6 van de Governancecode Zorg 2022 is erop gericht ongewenste belangenverstrengeling te voorkomen. Zorgorganisaties dienen integriteit hoog in het vaandel te hebben staan zodat de schijn van belangenverstrengeling voorkomen moet worden omdat die afbreuk kan doen aan het vertrouwen in de zorgorganisatie. De code bevat bepalingen over het in concurrentie treden met de zorgorganisatie, over de bevoordeling van persoonlijke relaties, het aanwenden van zakelijke kansen voor de organisatie voor persoonlijk voordeel of het verrichten van betaalde werkzaamheden voor de zorgorganisatie die niet tot de functie behoren. In navolging van de Wbtr bepaalt de governancecode dat een bestuurder of toezichthouder niet deelneemt aan de voorbereiding, beraadslaging en besluitvorming als hij daarbij een dusdanig tegenstrijdig belang heeft, dat hij niet meer in staat is om de belangen van de zorgorganisatie op een integere, objectieve en onbevooroordeelde wijze te behartigen. In het geval dat daardoor geen besluit door de raad van bestuur genomen kan worden, wordt dat besluit genomen door de raad van toezicht onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die aan het besluit ten grondslag liggen. Verder is in de governancecode vastgelegd dat
transacties waarbij tegenstrijdige belangen van bestuurders of toezichthouders spelen, onder marktconforme voorwaarden aangegaan worden, maar wel de voorafgaande goedkeuring behoeven van de raad van toezicht en gepubliceerd worden in het jaarverslag. De raad van bestuur dient maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat ongewenste belangenverstrengeling van professionals, managers en medewerkers van de zorgorganisatie voorkomen wordt en dat (een vermoeden van) ongewenste belangenverstrengeling bij de raad van bestuur gemeld wordt en door de raad van bestuur wordt beoordeeld. De raad van bestuur rapporteert daarover aan de raad van toezicht.
Verantwoord toezicht
Het uitvoeringsbesluit van genoemde Wtza bepaalt dat de raad van toezicht zodanig is samengesteld dat de leden ten opzichte van elkaar, de dagelijkse en algemene leiding van de instelling en welk deelbelang dan ook, onafhankelijk en kritisch kunnen opereren. Dat betekent dat de leden van de raad van toezicht geen vertegenwoordiger van enige interne of externe partij zijn en zonder last of ruggespraak handelen. Zij bekijken zaken met een brede blik en zijn zich bewust van de maatschappelijke positie van de zorgorganisatie. In de Governancecode Zorg 2022 is dat vertaald in het hiervoor genoemde zesde principe. De raad van toezicht houdt toezicht vanuit de
maatschappelijke doelstelling van de zorgorganisatie. Vanuit dat principe houdt de raad van toezicht niet alleen toezicht op het beleid van de raad van bestuur maar ook op de algemene gang van zaken in de zorgorganisatie. Op basis van dit principe bevat de governancecode regels voor de benoeming en samenstelling van de raad van toezicht. Daar hoort ook de werving via een transparante, openbare procedure bij.
Afronding
Op basis van de hiervoor genoemde zeven principes en genoemde wetswijzigingen geeft de geactualiseerde Governancecode Zorg 2022 een nog
sterkere invulling aan de principes van goede governance. Toepassing van de Governancecode Zorg is niet vrijblijvend. De principes zijn leidend. Bij de totstandkoming van de code zijn zoveel mogelijk belanghebbende partijen betrokken. Daarnaast is de code een onderdeel van de lidmaatschapsverhoudingen van de leden van de brancheorganisaties in de zorg. De leden van die organisaties (waaronder ActiZ, de Nederlandse GGz, de NFU, NVZ en de VGN) verplichten zichzelf met hun lidmaatschap tot toepassing en naleving van de Governancecode
Zorg.

[post_title] => De Governancecode Zorg 2022
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => de-governancecode-zorg-2022
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2022-01-26 09:04:17
[post_modified_gmt] => 2022-01-26 08:04:17
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=28709
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[9] => WP_Post Object
(
[ID] => 25704
[post_author] => 2
[post_date] => 2021-05-28 13:49:16
[post_date_gmt] => 2021-05-28 11:49:16
[post_content] => Uit oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik en duurzaamheid zal de tendens om (gedateerde)
kantoorpanden te transformeren naar woningen zich de komende jaren voortzetten. Jarenlang is sprake geweest van een overschot aan kantoorruimte, zeker op minder centraal gelegen plekken. Als gevolg van de Coronacrisis is het ook de verwachting dat bedrijven meer hybride zullen gaan werken. Dat betekent meer flexibiliteit, meer ontmoetingsplekken en een combinatie van thuis en op kantoor werken. Het aantal vierkante meters aan kantoorruimte zal daardoor mogelijk gaan krimpen. Het transformeren van kantoren naar woningen betekent meer dan het doorvoeren van bouwkundige aanpassingen. In dit artikel benoem ik de volgende aandachtspunten die voor projectontwikkelaars van belang zijn:
- Wijziging/afwijking van het bestemmingsplan;
- Andere bouwkundige eisen op grond van het Bouwbesluit;
- Toepassing van het Woningwaarderingsstelsel (WWS) op basis van de WOZ-waarde;
- Maximering huurprijsverhogingen vrije sector.
De wijziging/afwijking van het bestemmingsplan
Het voor een locatie geldend bestemmingsplan bepaalt wat de gebruiksmogelijkheden zijn. Vaak geldt voor een kantoorpand een kantoor- of een gemengde bestemming. Gebruik als woning of voor wonen is dan niet toegestaan. Bij de herontwikkeling van een kantoor- of bedrijfspand in woonruimte of in appartementen is een wijziging of afwijking van het
bestemmingsplan noodzakelijk. Daarvoor heeft de projectontwikkelaar de medewerking van de gemeente nodig. De gemeenteraad kan op voordracht van het College van B&W het bestemmingsplan wijzigen maar het College van B&W kan ook zelfstandig een omgevingsvergunning voor bouwen verlenen en daarbij afwijken van het bestemmingsplan. Soms op basis van een in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid (binnenplanse wijziging), maar meestal op basis van de zogenaamde Kruimelgevallenregeling op grond van het Besluit omgevingsrecht (specifiek de artikelen 4 aanhef en onderdeel 1 en 9 van bijlage 2 van het Bor). Met die regeling kan niet alleen het gebruik van een bestaand pand gewijzigd worden van de bestemming kantoor naar wonen (onder de voorwaarde dat het oppervlak en de bouwmassa hetzelfde blijft), maar op grond van die regeling kan ook een zogenaamd bijbehorend bouwwerk worden uitgebreid.
De uitbreiding van een hoofdgebouw valt daar bijvoorbeeld onder.
De Kruimelgevallenregeling is niet beperkt tot planologisch ondergeschikte gevallen en is ook niet beperkt tot de uitbreiding van een reeds bestaand gebouw. Ook nieuwbouw is mogelijk. Daarnaast wordt het begrip uitbreiding ruim uitgelegd. Het gedeelte waarin de uitbreiding plaatsvindt hoeft ook niet in overeenstemming te zijn met het bestemmingsplan. Voordeel van toepassing van de Kruimelgevallenregeling is ook dat gebruik gemaakt kan worden van de reguliere vergunningsprocedure waardoor binnen acht weken
een vergunning verleend kan worden.
Andere bouwkundige eisen op grond van het Bouwbesluit
Het Bouwbesluit 2012 bevat eisen voor het veilig, gezond, bruikbaar, energiezuinig en milieuvriendelijk (ver)bouwen, gebruiken en slopen van gebouwen. Voor woningen gelden in de regel strengere eisen dan voor kantoren. Het is echter niet zo dat een kantoorpand bij functieverandering per definitie vergunning plichtig is en aan de nieuwbouwvoorschriften voor de nieuwe gebruiksfunctie wonen moet voldoen. Voor veel aspecten geldt het zogenaamde rechtens verkregen niveau. In de praktijk is dat het actuele kwaliteitsniveau dat al voor de transformatie aanwezig was. Vaak gelden dus minder strenge eisen dan voor nieuwbouw. Bij een transformatie die bestaat uit verbouw en niet gezien kan worden als nieuwbouw dient eerst gekeken te worden naar de minimale eisen (niveau bestaande bouw) die vanuit de nieuwe functie wonen aan een gebouw worden gesteld. Aan die ondergrens dient de nieuwe functie te voldoen. Vaak kan dus worden volstaan met het actuele kwaliteitsniveau, maar op een aantal punten kunnen aanpassingen nodig zijn. Denk aan brandcompartimentering en vluchtroutes.
Voor wonen gelden wel een aantal specifieke eisen, bijvoorbeeld voor de aanwezige installaties. Als die worden uitgebreid of gedeeltelijk worden vernieuwd, geldt het rechtens verkregen niveau. Maar meestal worden installaties in zijn geheel vernieuwd of wordt een andere nieuwe installatie aangebracht. Dan gelden wel de nieuwbouweisen van het Bouwbesluit. Zo gelden ook specifieke eisen voor vluchtwegen en brandveiligheid. In verblijfsruimtes moeten rookmelders geplaatst worden die aan de toepasselijke
NEN-norm voldoen. Ook gelden brandcompartimenteringseisen voor logiesverblijven en wooneenheden. Tenslotte dient bedacht te worden dat de hoogte van een verblijfsruimte in een woning minimaal 2,1 meter moet zijn.
Woningwaarderingsstelsel (WWS) gebaseerd op de WOZ-waarde
Vaak wordt een kantoorgebouw verbouwd tot appartementencomplex in de vrije sector. De huurder kan de huurcommissie bij aanvang van de huur vragen de redelijkheid van de huurprijs te beoordelen. Dat gebeurt op basis van het Woningwaarderingsstelsel waarbij de WOZ-waarde een rol speelt. Het WWS betreft een puntensysteem op basis waarvan de (maximale) huurprijs van de huurwoning bepaald wordt. Bij de toepassing van het WWS wordt gekeken naar de laatst vastgestelde
WOZ-waarde. Bij de transformatie van gebouwen komt het regelmatig voor dat voor het getransformeerde pand nog geen WOZ-beschikking is afgegeven. Bij de beoordeling wordt dan uitgegaan van de tenminste geldende WOZ-waarde die op dit moment is vastgesteld op € 52.085,=. Als de projectontwikkelaar, dan wel de verhuurder dus vergeten is een nieuwe WOZ-beschikking aan te vragen wordt van de laagste WOZ-waarde uitgegaan, waardoor minder punten behaald worden. Dat leidt weer tot een lagere huurprijs. Dat kan er zomaar toe leiden dat de huurcommissie en de kantonrechter die vaak het advies van de commissie overneemt een veel lagere huur vaststelt dan de overeengekomen aanvangshuur. Dat legt dan meteen druk op de exploitatie van de verhuurder. Het is dus zaak om tijdig een nieuwe WOZ-beschikking voor het getransformeerde pand aan te vragen.
Maximering huurprijsverhogingen vrije sector
Sinds 1 mei jl. geldt de
Wet Maximering Huurprijsverhogingen geliberaliseerde huurovereenkomsten. Met die wet (die voor drie jaar geldt) wordt beoogd huurders in de vrije sector te beschermen tegen te hoge huurprijsstijgingen. In de vrije sector kan de verhuurder de huurprijs verhogen door in het huurcontract een indexeringsbepaling op te nemen. Als gevolg van de nieuwe wet mag de huurprijs vanaf 1 mei 2021 nog maar met maximaal 1% boven het inflatiepercentage van het CBS verhoogd worden. Een indexatiebepaling die in strijd is met de maximale verhoging van 1% boven het inflatiepercentage is nietig voor zover de indexering boven het vastgestelde maximum uitkomt. Bij transformatie van een kantoorpand naar woningen is het dus voor de projectontwikkelaar en de verhuurder van belang rekening mee te houden dat de komende drie jaar een maximering van de huurprijsverhoging geldt.

[post_title] => Transformatie van kantoren naar woningen
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => transformatie-van-kantoren-naar-woningen
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2023-10-02 14:46:49
[post_modified_gmt] => 2023-10-02 12:46:49
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=25704
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
)
[post_count] => 10
[current_post] => -1
[before_loop] => 1
[in_the_loop] =>
[post] => WP_Post Object
(
[ID] => 45435
[post_author] => 2
[post_date] => 2025-08-06 15:32:36
[post_date_gmt] => 2025-08-06 13:32:36
[post_content] =>
Inleiding
Op 20 mei 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de eerste inhoudelijke
uitspraak gedaan over onteigening onder de Omgevingswet. De rechtbank gaat uitgebreid in op het
toetsingskader van de bekrachtigingsprocedure en verwijst daarbij naar de wettekst, de parlementaire geschiedenis en literatuur. In dit artikel bespreken wij de overgang van het oude systeem van onteigening naar het systeem onder de Omgevingswet en gaan wij in op de uitspraak van de rechtbank.
Onteigening
Onteigening is een instrument onder de
Omgevingswet waarmee de overheid het eigendom op een onroerende zaak (gedwongen) kan ontnemen. Het instrument onteigening bestond al in het ‘oude’ omgevingsrecht, maar de procedure is met de inwerkingtreding wel veranderd. In het oude systeem werd bij Koninklijk Besluit door de Kroon bepaald of onteigening in het algemeen belang én noodzakelijk was. De rechtmatigheid van het Kroonbesluit kon vervolgens door de civiele rechter worden getoetst, waarna de civiele rechter ook de hoogte van de schade moest vaststellen.
Onder de Omgevingswet neemt het bestuursorgaan een
onteigeningsbeschikking (art. 11.4 Ow). De onteigeningsbeschikking moet dan worden bekrachtigd door de bestuursrechter op basis van een ambtshalve toets. Pas na bekrachtiging treedt de onteigeningsbeschikking in werking (art. 16.33e Ow). De civiele rechter oordeelt vervolgens over de hoogte van de schadeloosstelling (art. 11.14 Ow).
Onteigening is alleen mogelijk wanneer aan
drie voorwaarden is voldaan. Er moet een onteigeningsbelang zijn (te vinden in het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving), het moet noodzakelijk zijn en het moet urgent zijn (art. 11.5 Ow). Naast deze drie voorwaarden moet sprake zijn van een onteigeningsgrondslag. Dit betekent dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving is opgenomen in een vastgesteld omgevingsplan, of is mogelijk gemaakt in een verleende bopa-omgevingsvergunning of in een vastgesteld projectbesluit (art. 11.6 Ow). Als laatste moet zijn voldaan aan de wettelijke vormvoorschriften die zien op de totstandkoming van de onteigeningsbeschikking (art. 16.107 Ow).
Uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De gemeenteraad van Gemeente Gilze en Rijen wil het stationsgebied herontwikkelen door onder andere een onderdoorgang naar de perrons en de fietsenstalling te realiseren. Voor de beoogde ontwikkeling heeft de gemeente de grond van twee percelen nodig. Voor de twee percelen is daarom een onteigeningsbeschikking vastgesteld. Vervolgens heeft de gemeente een
verzoek tot bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank moet altijd ambtshalve toetsen of aan de voorwaarden voor onteigening is voldaan, of er een grondslag voor onteigening is, en of aan de formele vormvoorschriften is voldaan (art. 16.107 Ow). Daarnaast kunnen belanghebbenden eventuele bedenkingen indienen (art. 16.97 Ow).
Voor perceel 1 wijst de rechtbank het bekrachtigingsverzoek toe, maar voor perceel 2 wordt het verzoek afgewezen. Op basis van de volgende overwegingen komt de rechtbank tot dit oordeel.
-
Grondslag
De grondslag voor onteigening is terug te vinden in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In een bestemmingsplan opgenomen in het tijdelijk deel zijn de functies ‘verkeer-railverkeer’, ‘fietsenstalling’ en ‘verkeer’ aan de percelen toegekend. De belanghebbende voert aan dat dit niet voldoet als grondslag omdat het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is. Dit is volgens de rechtbank niet het geval. Er is dus wel voldaan aan een grondslag voor onteigening. Wel is het zo dat pas wanneer het bestemmingsplan (opgenomen in het omgevingsplan) onherroepelijk is geworden, de onteigeningsakte door de notaris kan worden opgesteld (art. 11.16 Ow). Dit was door de voorzieningenrechter van de Afdeling Bestuursrechtspraak in de Raad van State al eerder vorig jaar bevestigd.
-
Wettelijke vormvoorschriften
De onteigeningsbeschikking moet voldoen aan de vormvoorschriften die volgen uit de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt onder andere dat de ontwerponteigeningsbeschikking en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage moeten worden gelegd. Een van de verplichte stukken die betrekking heeft op de onteigeningsbeschikking is het logboek waarin de pogingen tot minnelijk overleg zijn opgenomen. Volgens de belanghebbende had het logboek ter inzage moeten zijn gelegd. Hier gaat de rechtbank niet in mee vanwege de persoonsgegevens en financiële gegevens die in het logboek zijn opgenomen. Wel had de gemeente de belanghebbenden de mogelijkheid moeten geven het logboek op te vragen. Omdat het logboek tijdens de rechterlijke procedure alsnog is overgelegd wordt het gebrek door de rechtbank gepasseerd.
-
Onteigeningsbelang, noodzaak en urgentie
Het onteigeningsbelang volgt uit het omgevingsplan waarin de beoogde ontwikkeling is mogelijk gemaakt. Het belang bestaat uit verschillende onderdelen, waaronder de bereikbaarheid van het station en het verhelpen van knelpunten bij het spoor. Ook is sprake van urgentie. Er is namelijk voldaan aan de wettelijke urgentie-eis dat de gronden binnen drie jaar nodig zijn. De gemeente heeft hiervoor voldoende gemotiveerd toegelicht dat de feitelijke werkzaamheden binnen drie jaar van start zullen gaan. Voor perceel 1 is ook aan het noodzaak-criterium voldaan omdat de gemeente een redelijke poging heeft gedaan om het perceel te verwerven door minnelijk overleg. Voor perceel 2 is er echter geen noodzaak meer omdat inmiddels overeenstemming is bereikt om de grond te verkopen in ruil voor een ander stuk grond. Hierdoor bekrachtigt de rechtbank alleen voor perceel 1 de onteigeningsbeschikking.
Concluderend
In deze uitgebreide uitspraak is het toetsingskader voor bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking duidelijk uiteengezet door de rechtbank. Het toetsingskader dat volgt uit de Omgevingswet wordt nauw gevolgd door de rechtbank en er wordt ook uitgebreid verwezen naar de
relevante wettelijke bepalingen. Daarnaast is duidelijk geworden dat het bestuursorgaan de eigenaar van de betreffende grond zal moeten wijzen op de mogelijkheid het logboek in te zien, maar dat deze niet voor een ieder ter inzage hoeft te worden gelegd.
Dit artikel is geschreven door
Kim Albert en
Anne Verberne.

[post_title] => Onteigening onder de Omgevingswet: eerste uitspraak over bekrachtiging door bestuursrechter
[post_excerpt] =>
[post_status] => publish
[comment_status] => open
[ping_status] => open
[post_password] =>
[post_name] => onteigening-onder-de-omgevingswet-eerste-uitspraak-over-bekrachtiging-door-bestuursrechter
[to_ping] =>
[pinged] =>
[post_modified] => 2025-08-06 15:34:10
[post_modified_gmt] => 2025-08-06 13:34:10
[post_content_filtered] =>
[post_parent] => 0
[guid] => https://bg.legal/?p=45435
[menu_order] => 0
[post_type] => post
[post_mime_type] =>
[comment_count] => 0
[filter] => raw
)
[comment_count] => 0
[current_comment] => -1
[found_posts] => 24
[max_num_pages] => 3
[max_num_comment_pages] => 0
[is_single] =>
[is_preview] =>
[is_page] =>
[is_archive] => 1
[is_date] =>
[is_year] =>
[is_month] =>
[is_day] =>
[is_time] =>
[is_author] =>
[is_category] =>
[is_tag] =>
[is_tax] => 1
[is_search] =>
[is_feed] =>
[is_comment_feed] =>
[is_trackback] =>
[is_home] =>
[is_privacy_policy] =>
[is_404] =>
[is_embed] =>
[is_paged] =>
[is_admin] =>
[is_attachment] =>
[is_singular] =>
[is_robots] =>
[is_favicon] =>
[is_posts_page] =>
[is_post_type_archive] =>
[query_vars_hash:WP_Query:private] => 15f54c3e64ead03e6ca929d1bfd62884
[query_vars_changed:WP_Query:private] => 1
[thumbnails_cached] =>
[allow_query_attachment_by_filename:protected] =>
[stopwords:WP_Query:private] =>
[compat_fields:WP_Query:private] => Array
(
[0] => query_vars_hash
[1] => query_vars_changed
)
[compat_methods:WP_Query:private] => Array
(
[0] => init_query_flags
[1] => parse_tax_query
)
[query_cache_key:WP_Query:private] => wp_query:574bc74ee5fcb92f1aac757e02f901a8:0.77616000 17566039870.05841000 1756603988
[tribe_is_event] =>
[tribe_is_multi_posttype] =>
[tribe_is_event_category] =>
[tribe_is_event_venue] =>
[tribe_is_event_organizer] =>
[tribe_is_event_query] =>
[tribe_is_past] =>
[tribe_controller] => Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller Object
(
[filtering_query:Tribe\Events\Views\V2\Query\Event_Query_Controller:private] => WP_Query Object
*RECURSION*
)
)
Inleiding Op 20 mei 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de eerste inhoudelijke uitspraak gedaan over onteigening onder de Omgevingswet. De rechtbank gaat uitgebreid in op het toetsingskader van de bekrachtigingsprocedure...
Lees meer
Inleiding Op 29 april 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch uitspraak gedaan over de termijnen voor elektriciteitsaansluiting. Het ging daarbij om de vraag of de netbeheerder Enexis aansprakelijk is voor schade...
Lees meer
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) in werking getreden. In beide wetten speelt het begrip ‘bouwwerk’ een belangrijke rol. In de...
Lees meer
Verhuurders maken in de praktijk vaak gebruik van tijdelijke huurovereenkomsten om zelfstandige woonruimten voor maximaal twee jaar en onzelfstandige woonruimten voor maximaal vijf te kunnen verhuren, zonder dat huurders huurbescherming...
Lees meer
Inleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. In die wet ligt voor de inrichting van de fysieke leefomgeving de nadruk op kerninstrumenten als het omgevingsplan en de...
Lees meer
Het Brabants Dagblad vroeg niet alleen een hoogleraar Bestuurskunde, maar ook Kim Albert, advocaat vastgoed- en omgevingsrecht van BG.legal als ‘expert’ naar zijn professionele mening over de consequenties van het...
Lees meer
Het Brabants Dagblad opende vrijdag 29 april jl. met de vraag of Heesen Yachts uit Oss kopje ondergaat door haar Russische eigenaar. De jachtenbouwer zou snel af willen van baas...
Lees meer
De huizenmarkt is zwaar overspannen. Er is krapte op de woningmarkt en de prijzen stijgen meer dan gemiddeld. De roep om extra woningen is groot en daarnaast zijn er zorgen...
Lees meer
Voor de kwaliteit van de zorg zijn goed bestuur en toezicht een belangrijke voorwaarde. Per 1 januari 2022 is de Governancecode Zorg van 2017 geactualiseerd. De code betreft een richtinggevend...
Lees meer
Uit oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik en duurzaamheid zal de tendens om (gedateerde) kantoorpanden te transformeren naar woningen zich de komende jaren voortzetten. Jarenlang is sprake geweest van een overschot aan...
Lees meer